ECLI:NL:RBNHO:2026:9873
text/xml
public
2026-08-11T08:55:53
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-08-05
HAA 26/2740
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9873
text/html
public
2026-08-11T08:55:29
2026-08-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:9873 Rechtbank Noord-Holland , 05-08-2026 / HAA 26/2740
Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor ‘het uitvoeren van werkzaamheden (verhardingen aanbrengen, aanleggen kabels/leidingen, riool, aanleggen van 46 kavels)’ op de velden F1 en F2 op het campingterrein van de vergunninghouder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster heeft naar voorlopig rechtmatigheidsoordeel van haar bezwaar, niet aannemelijk gemaakt dat de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de velden onevenredig worden aangetast door de aanlegwerkzaamheden. De gronden van verzoekster over mogelijke strijd met overige bouwregels uit het omgevingsplan of voor vergunningvrij bouwen vallen buiten de omvang van het geding.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2740
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [verzoekster], uit [plaats 1] , verzoekster
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal,
gemachtigde: mr. C.H. Norde, advocaat te Den Haag.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap [derde-partij] B.V., uit [plaats 2] , hierna: de camping
gemachtigde: mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning die het college op 25 maart 2026 aan de camping heeft verleend voor ‘het uitvoeren van werkzaamheden (verhardingen aanbrengen, aanleggen kabels/leidingen, riool, aanleggen van 46 kavels)’ op de velden F1 en F2 op het terrein van de camping in [plaats 2] , nabij de [adres] in [plaats 2] .
2. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft op 1 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning (hierna: het bestreden besluit). Daarnaast heeft zij op 19 mei 2026 verzocht om bij voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen.
3. De voorzieningenrechter kan bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen, betrekken of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de velden onevenredig worden aangetast door de aanlegwerkzaamheden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het besluit heeft een voorlopig karakter en bindt in zoverre in het bodemgeding niet.
Procesverloop en feiten
5.1.
De camping wil nieuwe “kampeermiddelen” plaatsen en die per perceel met “kampeermiddel” verkopen. De camping heeft op 22 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor ‘Aanlegwerkzaamheden ter plaatse van [locatie] ’ op de camping . Op 6 februari 2026 heeft hij de aanvraag gewijzigd en de aanvraag beperkt tot werkzaamheden voor 46 kavels/kampeermiddelen op de velden F1 en F2 en is de aanvraag voor werkzaamheden op veld F3 komen te vervallen.
5.2.
Het college heeft de gewijzigde aanvraag met het besluit van 24 maart 2026 ingewilligd en de omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend. Met de omgevingsvergunning is vergund de activiteit ‘een werk of werkzaamheden uitvoeren’, zoals het aanleggen of verharden van paden of andere oppervlakteverhardingen of het afgraven van bodem (hierna: aanlegwerkzaamheden). Deze activiteit is geregeld in artikel 16.5.1 van het tot het omgevingsplan behorende bestemmingsplan Landelijk gebied (Geconsolideerde versie) (hierna: het bestemmingsplan). Daarnaast heeft het college werkzaamheden vergund op gronden met de bestemming Waarde - Archeologie als bedoeld in artikel 29.3 van het bestemmingsplan, en aan die activiteit voorschriften over archeologisch onderzoek verbonden.
5.3.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om bij voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen.
5.4.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift van 16 juli 2026. Eiseres heeft op 24 mei 2026, 3 juni 2026 en 16 juli 2026 nadere reacties ingediend.
5.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 2] , bestuurder, tevens gemachtigde en de andere gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 1] (ambtenaar) en mr. [naam 2] (jurist in dienst van de gemeente Bloemendaal) en [naam 3] , bestuurder van de camping , bijgestaan door de gemachtigde van de camping en vergezeld door [naam 4] (ruimtelijk adviseur).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
6.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
6.2.
Het college stelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Het voert aan dat aan de omgevingsvergunning voorwaarden zijn verbonden die – kort gezegd – meebrengen dat archeologische onderzoekswerkzaamheden moeten zijn afgerond en positief beoordeeld moeten zijn, voordat de camping mag beginnen met de aanlegwerkzaamheden. De archeologische onderzoekswerkzaamheden staan gepland op 24 augustus 2026. Omdat er aldus voorlopig geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning voor zover die ziet op de aanlegwerkzaamheden, meent het college dat verzoekster geen toereikend spoedeisend belang bij een voorziening heeft.
6.3
De voorzieningenrechter volgt het college niet in dat verweer.
Duidelijk is dat de camping op redelijk korte termijn de voorgeschreven archeologische onderzoekswerkzaamheden wil gaan uitvoeren, en dus gebruik wil gaan maken van de vergunning, en de beslissing op het bezwaar niet wil afwachten indien die later dan 24 augustus 2026 volgt. Het college heeft voorts wel het advies van de bezwaaradviescommissie ingebracht, maar heeft – mede gelet op vakanties – niet kunnen garanderen dat op korte termijn op het bezwaar wordt beslist. Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om spoedeisend belang bij het verzoek aan te nemen.
Voorlopig rechtsmatigheidsoordeel
Inleiding
7.1.
De camping is van plan om op de velden F1 en F2 in totaal 46 “kampeermiddelen” te plaatsen met daarbij horende voorzieningen. Zij acht het daarvoor noodzakelijk eerst de aanlegwerkzaamheden uit te voeren. Op elke kavel waar een kampeermiddel is voorzien, wordt, zo stelt de camping , een cunet gemaakt van (12 x 8 =) 96 m². Daartoe wordt (zand)grond afgegraven. Naar en in elke cunet worden riolering en nutsvoorzieningen aangebracht, waarna het cunet weer met het afgegraven zand wordt opgevuld. Zoals eerder op de velden A, B en C, waarvan verzoekster beeldmateriaal heeft overgelegd, is het de bedoeling om op het cunet een “kampeermiddel” te plaatsen met een voetafdruk van 60 m², zodat rondom één meter van de uitgegraven cunet aan ruimte vrij blijft. Deze ruimte wil de camping padvast afwerken (halfverharding). Bij deze “kampeermiddelen” komt een tegelterras van 20 m² en overige halfverharding, onder meer voor een hangmatplek en een parkeerplaats voor een auto. Voorts worden (halfverharde) wegen en paden naar de kavels aangelegd. Een en ander volgens de situatietekening(en) behorend bij de omgevingsvergunning. De tekening bevat ook de vormgeving per kavel. De laatst gewijzigd gewijzigde tekening van 4 februari 2026 is abusievelijk nog niet aan de vergunning verbonden. Op de zitting heeft de gemachtigde van de camping toegelicht dat op de tekening principevormen voor (inrichting van) de kavels staan. De koper van elke kavel krijgt nog inspraak in de definitief te kiezen inrichting. Zo zullen de kavels telkens iets variëren. Verweerder heeft voorts ter zitting meegedeeld dat bij de beslissing op het bezwaar aan de vergunning de iets gewijzigde situatietekening zal worden verbonden.
7.2.
Voor het terrein van de Camping geldt het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan Landelijk Gebied 2013 (Geconsolideerde versie). Voor de velden F1 en F2 van de camping geldt de bestemming Natuur – Verblijfsrecreatie (geregeld in artikel 16 van het bestemmingsplan) met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – verblijfsrecreatie 4’ en gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en gedeeltelijk ‘Waarde – Archeologie 3’ (geregeld in de artikelen 29 en 30 van het bestemmingsplan).
7.3.
Artikel 16.5 van de bestemmingsregels bevat een verbod om zonder vergunning werken of werkzaamheden, geen gebouwen zijnde, uit te voeren, zoals het verharden van wegen. Op grond van artikel 16.5.3 van de bestemmingsregels zijn aanlegwerkzaamheden alleen toelaatbaar, indien de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de grond niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Uit artikel 16.5.4 volgt dat het bevoegd gezag bij de beoordeling van de aanvraag voor aanlegactiviteiten advies inwint bij een ter zake deskundige.
7.4.
Artikelen 29.3 en 30.3 van de bestemmingsregels bevatten (ook) een verbod zonder vergunning nader aangeduide werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, waarbij het onder meer gaat om (af)graven en verharden. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden over archeologisch onderzoek en het veiligstellen van archeologische resten. Uit de gegevens bij de aanvraag volgt dat voor het gebied al een archeologisch bureau- en een booronderzoek is gedaan. Hieruit kwam de aanbeveling voort om een proefsleuvenonderzoek te doen. Op de zitting heeft de gemachtigde van de camping toegelicht welk verder vervolgonderzoek als voorschrift aan de vergunning is verbonden.
Omvang van het geschil
8.1.
Verzoekster komt volgens haar statuten op voor de belangen van de natuur in het algemeen en vogels in het bijzonder. Het gebied in en rondom [derde-partij] hoort ook tot haar doelgebied. Het opkomen voor archeologische belangen maakt geen deel uit van haar doelstelling. Het geschil en dus het toetsingskader voor de beoordeling van het bestreden besluit in dit geding is daarom beperkt tot de waarden genoemd in artikel 16.5.3 van de bestemmingsregels voor het vergunnen van aanlegwerkzaamheden. De gronden die verzoekster aanvoert, zijn ook uitsluitend gericht op die beoordeling.
8.2
Verzoekster voert ook (als meest verstrekkend) gronden aan die zijn gebaseerd op haar standpunt dat de plannen van de camping voor het plaatsen van kampeermiddelen niet in overeenstemming zijn met de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan voor bouwwerken en/of plaatsgebonden kampeermiddelen. Zij voert bijvoorbeeld aan dat de plaatsing van 46 kampeermiddelen van elk 60 (of 96) m² het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak van 1600 m² uit artikel 16.2 van het bestemmingsplan zal overschrijden. De vergunde aanlegactiviteiten maken deze plaatsing van de kampeermiddelen mogelijk en vormen tezamen een bouwkundige eenheid, zo stelt verzoekster. Ook kunnen de “kampeermiddelen” volgens verzoekster niet vergunningvrij worden geplaatst.
8.3.
De gronden van verzoekster over de vragen of de aanlegwerkzaamheden een bouwkundig geheel vormen met de “kampeermiddelen”, of het plaatsen van die “kampeermiddelen” vergunningvrij is, dan wel in strijd is met artikel 16.2 van het bestemmingsplan, vallen buiten het bestek van de hier voorliggende aanvraag en dus de hier besproken bestreden vergunning. Verzoekster kan deze aspecten mogelijk aan de orde stellen in een eventuele omgevingsvergunnings- of handhavingsprocedure.
Aanlegwerkzaamheden
9.1.
Volgens het college zijn de aangevraagde aanlegwerkzaamheden in de zin van artikel 16.5.3 van het bestemmingsplan toelaatbaar omdat de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. Het college verwijst naar adviezen hieromtrent van de vakafdelingen Groen, Team Omgevingsbeleid en Cultuurhistorie van de gemeente.
9.2.
Verzoekster voert kort samengevat aan dat met de aanlegwerkzaamheden de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden onevenredig worden aangetast. De aanlegwerkzaamheden zullen volgens verzoekster een herinrichting inhouden waardoor het oorspronkelijke en eeuwenoude landschap verdwijnt. Het ontwerp houdt een conversie in naar een modern aangelegd parklandschap met een verstedelijkt karakter. Dat is volgens verzoekster niet passend in het landelijke gebied (een provinciaal beschermd landschap) of op de oorspronkelijke natuurcamping. Ook past volgens verzoekster de beoogde aanplant niet in de natuurlijke omgeving. Volgens verzoekster ontbreekt het op grond van artikel 16.5.4 van het bestemmingsplan vereiste advies van een ter zake deskundige.
9.3.
De voorzieningenrechter overweegt over de toetsing in het bestreden besluit aan afdeling 16.5 van het bestemmingsplan als volgt. Verzoekster voert weliswaar aan dat de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden onevenredig en onherstelbaar worden aangetast, maar onderbouwt deze stelling niet. Zij voert daarbij wel nog aan dat de nieuwe aanplant niet passend zou zijn. Die beplanting is niet als werk of werkzaamheid aangevraagd en dus ook niet vergund, zodat de stellingen daarover buiten de beoordeling in dit geding moeten blijven. Of die beplating vergunningplichtig is, hetgeen het college ter zitting heeft ontkend, valt daarom ook buiten de beoordeling.
Op de zitting heeft verzoekster bevestigd dat zij zelf geen deskundig advies over de toelaatbaarheid van de aanlegwerkzaamheden voor de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het terrein heeft ingewonnen. Daartegenover staat dat het college zijn beoordeling dat de waarden niet onevenredig worden aangetast heeft onderbouwd met adviezen van de desbetreffende gemeentelijke vakafdelingen, die volgens verweerder ter zake deskundig zijn. De enkele stelling van verzoekster dat deze adviezen niet van ter zake deskundigen afkomstig zouden zijn, is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om strijdigheid met artikel 16.5.4 van het bestemmingsplan aan te nemen. De adviezen zelf, hoewel summier, geven er zelf ook geen blijk van dat de vakafdelingen niet voldoende deskundig zouden zijn. De voorzieningenrechter merkt daar nog bij op dat verzoekster niet heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat er reden is om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van en de juistheid van (de inhoud van) de adviezen. Verzoekers hebben dus naar voorlopig oordeel niet aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning in het licht van de toetsingsgronden uit afdeling 16.5 van het bestemmingsplan niet mocht worden verleend.
9.4.
Voor zover verzoekster op de zitting nog heeft aangevoerd dat het erop lijkt dat de camping per kavel meer oppervlak aan (half)verhardingen gaat aanleggen dan nu is vergund, valt dit ook buiten de beoordeling in het huidige geschil. Als dat het geval is, ligt dat ook in de sfeer van (een besluit over) handhaving die in dit geding niet ter beoordeling voorligt.
Conclusie
10. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en er ook overigens geen heel grote belangen naar voren zijn gekomen die tot het treffen van een voorziening nopen, moet het verzoek worden afgewezen. Dat betekent dat de vergunning (vooralsnog) blijft gelden, zij het dat daar wel de nieuwste situatietekening aan moet worden toegevoegd, die op zitting is ingezien en besproken. Omdat het verzoek wordt afgewezen, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Omgevingsplan van de gemeente Bloemendaal, onderdeel: bestemmingsplan Landelijk Gebied 2013 (Geconsolideerde versie)
(…)
Artikel 16.5 Omgevingsvergunning voor een werk, geen gebouw zijnde of werkzaamheden
16.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag op de in 16.1 bedoelde gronden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
het bebossen van en aanplanten van gronden en het aanbrengen van hoog opgaande beplanting;
het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voor zover de Boswet of de Algemene Plaatselijke Verordening niet van toepassing is;
het aan- en verplanten van bomen en ander opgaand houtgewas, voor zover de Boswet of de Algemene Plaatselijke Verordening niet van toepassing is;
het bodem verlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van de grond;
16.5.2 Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 16.5.1 is niet van toepassing op andere werken die:
het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
16.5.3 Toelaatbaarheid
De werken of werkzaamheden als bedoeld in 16.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
16.5.4 Advies
Het bevoegd gezag wint ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in 16.5.1 advies in bij een ter zake deskundige.
(…)
Artikel 29 Waarde – Archeologie-3
29.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie-3' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor behoud, versterking en bescherming van te verwachten archeologische waarden.
Secundair zijn deze gronden voor zover zulks op de verbeelding is aangewezen, bestemd voor de doeleinden als omschreven in het voor de betreffende bestemming geldende artikel, waarbij het in dat artikel bepaalde van toepassing is, met de daarbij behorende bouwwerken.
Enige bepalingen uit het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Zoals ter zitting aan de hand van de foto’s is vastgesteld, gaat het daarbij om een kant en klaar “chalet” of “caravan-achtige constructie” waaronder een wielstel is aangebracht, dat/die in zijn geheel in één keer op/in een cunet zal worden getild/geplaatst. De voorzieningenrechter beperkt zich tot gebruik van het begrip “kampeermiddelen”.