Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:1904

Mijnbouwschade. Fysieke schade. Tussenuitspraak. Met het onderzoek dat het Instituut heeft gedaan is voor verschillende schades onvoldoende gemotiveerd dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Het Instituut krijgt de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen door nader onderzoek te doen. Hiervoor krijgt het Instituut een termijn van acht weken.

Rechtbank Noord-Nederland 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:1904 text/xml public 2026-05-26T18:00:11 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-18 LEE 25/219 Uitspraak Tussenuitspraak bestuurlijke lus NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1904 text/html public 2026-05-22T13:04:29 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1904 Rechtbank Noord-Nederland , 18-05-2026 / LEE 25/219
Mijnbouwschade. Fysieke schade. Tussenuitspraak. Met het onderzoek dat het Instituut heeft gedaan is voor verschillende schades onvoldoende gemotiveerd dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Het Instituut krijgt de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen door nader onderzoek te doen. Hiervoor krijgt het Instituut een termijn van acht weken.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/219 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),

en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mr. I. Pijper en mr. B.P. van der Togt).
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2021 (het primaire besluit) heeft het Instituut aan eiseres een bedrag aan schadevergoeding toegekend van € 21.942,63.

In het besluit van 29 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Instituut het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het Instituut heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat er een aanvullende vergoeding voor schade van € 3.640,85 toegekend wordt, zodat in totaal een bedrag van € 25.583,48 is toegekend als vergoeding van de schade.

[gemachtigde] heeft, als gemachtigde van de maten, namens eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Instituut heeft een op 5 januari 2016 een herroepingsbesluit genomen.

Op 4 februari 2026 is een zitting gepland. De geplande zitting heeft in verband met de weersomstandigheden geen doorgang gevonden. Wel heeft de rechtbank enkele vragen voorgelegd aan het Instituut. Het Instituut is verzocht de gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden.

Het Instituut heeft de vragen op 10 februari 2026 beantwoord. Eiseres heeft op 10 maart 2026 gereageerd op de beantwoording van de vragen.

De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Na verschillende procedures bij de NAM zijn namens eiseres op 16 december 2017, 18 januari 2018, 14 december 2018, 18 december 2018 en op 27 januari 2019 aanvragen ingediend voor de vergoeding van schade aan het pand aan [adres] , [postcode] , te [woonplaats] (hierna: het pand). De rechtsvoorloper van het Instituut heeft eiseres op 16 april 2019 laten weten de zaken gezamenlijk te zullen behandelen.
1.1.
Op 22 augustus 2019 heeft een schadeopname plaatsgevonden op locatie door Gerard Bucking, deskundige van CED. Bucking heeft van deze opname op 19 oktober 2019 een adviesrapport uitgebracht waarin hij adviseert een bedrag van € 14.914,35 toe te kennen voor herstel van de schade.
1.2.
Naar aanleiding van een namens eiseres ingediende zienswijze heeft op 30 oktober 2020 nogmaals een schadeopname plaatsgevonden en is op 14 januari 2021 een herzien adviesrapport opgemaakt door Bucking. Het Instituut heeft op 2 februari 2021, in overeenstemming met het herziene adviesrapport, een bedrag toegekend van in totaal

€ 24.559,91 (waarvan € 21.942,63 als vergoeding van de schade, € 1.427,28 aan wettelijke rente en € 1.190,- aan bijkomende kosten).
1.3.
Namens eiseres is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 februari 2021. Ter onderbouwing van het bezwaar is een adviesrapport van 7 mei 2021 van Vergnes Expertise BV ingediend. In de bezwaarprocedure heeft het Instituut de Bezwaaradviescommissie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: bezwaaradviescommissie) ingeschakeld.
1.4.
De bezwaaradviescommissie heeft op 13 oktober 2021 een hoorzitting gehouden. Op 23 november 2021 is door Vergnes op het verslag van de hoorzitting gereageerd. Op 30 mei 2022 is een addendum bezwaar aan de bezwaaradviescommissie opgeleverd door deskundige Paul Kroes van CED. Hier is op 13 juni 2022 door Vergnes op gereageerd.
1.5.
Op 19 maart 2024 is door het Instituut een voorstel gedaan voor een vaststellingsovereenkomst waarbij het Instituut een vergoeding voor alle schades van in totaal € 42.700,- wilde toekennen. Eiseres is hiermee niet akkoord gegaan.
1.6.
Op 6 juni 2023 is nogmaals een addendum bezwaar uitgebracht aan de bezwaaradviescommissie. Dit addendum is opgemaakt door deskundige Jan-Jurjen Timmer van deskundigenbureau CED. Hier is door Vergnes op 22 november 2024 op gereageerd.
1.7.
Het Instituut heeft met het bestreden besluit van 29 november 2024 het bezwaar deels gegrond verklaard. Er is, in overeenstemming met het advies van de bezwaaradviescommissie, een aanvullende schadevergoeding van € 3.640,85 toegekend (+ € 868,04 aan wettelijke renten en € 3.620,93 aan proceskosten).
1.8.
Op 10 januari 2025 is het pro forma beroepschrift van eiseres ontvangen. De gronden zijn op 17 juli 2025 aangevuld.
1.9.
Op 5 januari 2026 heeft het Instituut een herroepingsbesluit genomen waarmee een deel van het besluit van 29 november 2024 wordt herroepen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit.
Overwegingen
Omvang van het geding

2. De rechtbank stelt vast dat met het bestreden besluit van 29 november 2024 het primaire besluit voor de schades 15, 16, 31, 36, 39, 42, 53, 56, 60, 61, 71, 72, 73, 74, 75, 81, 82, 83, 88, 89, 99 en 113 is herroepen en voor het overige het primaire besluit in stand is gelaten. Daarbij is een aanvullende vergoeding van in totaal € 8.097,54 toegekend. Met het herroepingsbesluit van 5 januari 2026 herroept het Instituut het besluit van 29 november 2024 voor zover dit ziet op de schades 15, 16, 36, 53, 56, 71, 72, 73, 74, 75, 80, 81, 82, 83, 88, 89, 98 en 99, voor het overige blijft het besluit van 29 november 2024 in stand. Op dit moment heeft het Instituut dus in bezwaar een besluit genomen over een deel van de schades en een aanvullend bedrag toegekend. Voor een gemotiveerd besluit over de hiervoor genoemde schades en schade 92 is volgens het Instituut nader onderzoek nodig.
2.1.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het herroepen van een besluit in deze fase van de procedure niet tot de mogelijkheden van het Intituut behoort. Het Instituut kan enkel het primaire besluit herroepen met de beslissing op bezwaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen behoort het intrekken van een begunstigend besluit wel tot de mogelijkheden van het Instituut. De rechtbank neemt dan ook aan dat het Instituut het besluit van 29 november 2024, met het besluit van 5 januari 2026, gedeeltelijk heeft willen intrekken. Zodat met de nu voorliggende besluiten voor een deel op het bezwaar van eiseres is beslist en voor een deel een nader besluit volgt na nader onderzoek.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Instituut niet slechts een besluit kan nemen over een deel van het bezwaar. Uit artikel 7:11 van de Awb vloeit voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats stelt. Niet kan worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een nieuw besluit. De zogenoemde gesplitste besluitvorming, waarbij eerst het primaire besluit wordt herroepen en vervolgens op een later moment een vervangend besluit wordt genomen, is in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.
2.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 5 januari 2026 in strijd is met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb en daarom niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit van 29 november 2024 (mede) aan de hand van de beroepsgronden beoordelen.

Wat vindt eiseres in beroep

3. Eiseres stelt dat het Instituut in het bestreden besluit een vergoeding heeft toegekend van € 3.640,85 voor de schades 15, 16, 31, 36, 39, 42, 53, 56, 60, 61, 71, 72, 73, 74, 75, 81, 82, 83, 88, 89, 99 en 113. Uit het advies waar het Instituut naar verwijst volgt dat dit bedrag enkel ziet op de vergoeding van schades 31, 32, 39, 42, 60, 61 en 113. Voor de overige schades (15, 16, 36, 53, 56, 71 t/m 75, 81 t/m 83, 88, 89, 98 en 99) moet dus nog een (aanvullende) vergoeding worden toegekend. Daarnaast is schade 92 niet meegenomen in het bestreden besluit zodat voor deze schade ook een vergoeding moet worden toegekend. Voor schade 81 is als andere oorzaak benoemd dat er sprake is van verschilzakking van de kapconstructie. Dit is volgens het Instituut veroorzaakt door ongelijkmatige zetting van de fundering, dat is dan ook de andere uitsluitende oorzaak. Eiseres meent echter dat, gelet op de opgetreden bodembewegingen op locatie die boven de grenswaarde voor metselwerk liggen, mijnbouwactiviteiten als oorzaak voor de schade echter niet uit te sluiten is.

Wat vindt het Instituut

4. Het Intituut heeft voor schade 15 geoordeeld dat het eerder behandelde schade betreft, maar dat deze opnieuw is ontstaan. Na beoordeling is de nu zichtbare schade veroorzaakt door werking van hout. Schade 16 betreft werking van de verschillende materialen. De schades 36, 53, 56, 88 en 89 zijn eerder behandeld zodat het Instituut niet bevoegd is. Voor de schades 71, 72 en 73 is een bedrag gecalculeerd conform het calculatiemodel. Met het toegekende bedrag is de situatie terug te brengen naar de oude staat. De door eiseres voorgestelde herstelmethode betreft een verbetering van de situatie. Tot slot zijn schades 74, 75, 81, 82, 83, 98 en 99 veroorzaakt door verschilzetting door ongelijke belasting op de fundering dan wel door ongelijke belasting van de niet draagkrachtige ondergrond. Om te kunnen vaststellen of dit de andere uitsluitende oorzaak is, is grondonderzoek nodig tot een diepte van 5 meter onder maaiveld. Dit is niet gebeurd. Ook voor de beoordeling van schade 92 is nader (grond)onderzoek nodig.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de schades 15, 16, 36, 53, 56, 88, 89, 71, 72 en 73 in stand kan blijven. Voor deze schades heeft het Instituut verschillende deskundigen ingeschakeld die steeds hetzelfde oordeel hebben gegeven over de bevoegdheid, de calculatie of de andere uitsluitende oorzaak. Eiseres verwijst in haar gronden enkel naar de volgende zin in het bestreden besluit: “Dit betekent dat u een vergoeding van € 3.640,85 krijgt voor de schades 15, 16, 31, 36, 39, 42, 53, 56, 60, 61, 71, 72, 73, 74, 75, 81, 82, 83, 88, 89, 99 en 113.”. Hieruit is volgens eiseres af te leiden dat voor alle schades een bedrag gecalculeerd moet worden. Dit volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie. In dit advies is uitgebreid stilgestaan bij de bevoegdheid van het Instituut en de andere uitsluitende oorzaak voor de schades. Uit de opsomming in het bestreden besluit volgt niet dat voor alle schades het bewijsvermoeden niet is weerlegd en dus een bedrag moet worden gecalculeerd. De opsomming houdt enkel is dat voor de genoemde schades in totaal het genoemde bedrag wordt toegekend.
5.1.
Met betrekking tot de schades 74, 75, 81, 82, 83, 92, 98 en 99 is als andere uitsluitende oorzaak (verschil)zetting door ongelijke belasting van de fundering of (verschil)zetting door ongelijke zetting van een niet draagkrachtige ondergrond aangewezen. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft het Instituut op 10 februari 2026 laten weten dat voor het vaststellen van de andere uitsluitende oorzaak voor deze schades grondonderzoek is gedaan tot 3,5 meter diepte. Uit voortschrijdend onderzoek is gebleken dat in dit geval onderzoek gedaan moet worden tot 5 meter onder het maaiveld om de andere uitsluitende oorzaak te kunnen vaststellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat om zetting als andere uitsluitende oorzaak te kunnen aanwijzen nader (grond)onderzoek moet worden verrichten. Met hetgeen er nu ligt bevat het bestreden besluit voor deze schades geen deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond.

6. Zoals hiervoor is overwogen onder 5.1. is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 van de Awb genomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Instituut in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het Instituut voor de beoordeling van de schades 74, 75, 81, 82, 83, 92, 98 en 99 nader grondonderzoek doen waarbij boringen worden verricht tot een diepte van 5 meter onder het maaiveld. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Instituut het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7. Het Instituut moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het Instituut gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Instituut. In beginsel, ook in de situatie dat het Instituut de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten in strijd met de goede procesorde kan worden geacht.

9. Gelet op de voortgang van de procedure kan de rechtbank nog geen beslissing nemen over de proceskosten en het griffierecht, de rechtbank houdt deze beslissing dan ook aan.
Beslissing
De rechtbank:

vernietigt het besluit van 5 januari 2026;

vernietigt het besluit van 29 november 2025 voor zover daarin is beslist over de schades 74, 75, 81, 82, 83, 98 en 99 en laat het voor het overige in stand;

draagt het Instituut op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

stelt het Instituut in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

neemt nog geen beslissing over de proceskosten en het griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.

De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Er was code rood afgegeven door het KNMI in verband met extreme gladheid.

Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Nederlandse Aardolie Maatschappij.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3617 r.o. 18.

Er hoeft geen nieuw besluit genomen te worden in de gevallen waarin de enkele herroeping van dat besluit voldoende is, dit geval doet zich hier niet voor.

Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 2 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8404, van 10 december 2014, 201403852/1/A1 en van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2577 r.o. 3.2.

Artikel delen