ECLI:NL:RBNNE:2026:2115
Kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. Geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen.
Rechtbank Noord-Nederland 4 June 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2115
text/xml
public
2026-06-04T09:00:06
2026-06-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-08
C 18/256128 KG RK 26/304
Uitspraak
Wraking
NL
Groningen
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2115
text/html
public
2026-06-04T08:58:06
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNNE:2026:2115 Rechtbank Noord-Nederland , 08-05-2026 / C 18/256128 KG RK 26/304
Kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. Geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen.
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
zaaknummer: C 18/256128 KG RK 26/304
Beslissing van 8 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. H.J. Bastin,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1. Het verloop van de procedure blijkt uit het schriftelijke wrakingsverzoek van
1 mei 2026.
2Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de behandeling van de zaak met
zaaknummer [nummer] .
2.2
In zijn schriftelijke verzoek tot wraking heeft verzoeker aangegeven dat hij
voor deze zaak een uitnodiging heeft gekregen voor de verzetzitting van 26 mei 2026. Wegens belangenverstrengeling en andere ondeugdelijke zaken die ook met de WOO-zaak verbonden zijn en waarbij de rechter betrokken is geweest heeft verzoeker de rechter gewraakt.
3De beoordeling
3.1
Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek en daarom laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.2
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
3.3
De wrakingskamer overweegt dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is.
4De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
verzoeker en
de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. L. Mulder, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
de griffier de voorzitter
(de griffier is buiten staat deze beslissing
mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.