ECLI:NL:RBOBR:2026:2985
Verstekzaak. Overeenkomst van geldlening. Afwijzing gevorderde contractuele rente over periode na opzegging overeenkomst. Wettelijke rente toewijsbaar vanaf datum opzegging overeenkomst. Deze datum wordt als fataal aangemerkt
Rechtbank Oost-Brabant 29 July 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:2985
text/xml
public
2026-07-29T14:51:35
2026-05-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-22
C-01-424531 - HA ZA 26-169
Uitspraak
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Hertogenbosch
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2985
text/html
public
2026-07-29T14:51:13
2026-07-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOBR:2026:2985 Rechtbank Oost-Brabant , 22-04-2026 / C-01-424531 - HA ZA 26-169
Verstekzaak. Overeenkomst van geldlening. Afwijzing gevorderde contractuele rente over periode na opzegging overeenkomst. Wettelijke rente toewijsbaar vanaf datum opzegging overeenkomst. Deze datum wordt als fataal aangemerkt
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/424531 / HA ZA 26-169
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. V.F.M. Jongerius,
tegen
STICHTING TIJDELIJK TWEE WONINGEN,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TTW,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen TTW verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
[eiser] vordert onder meer een maandelijks bedrag van € 250, -, te rekenen vanaf februari 2026. Onder #14 dagvaarding schrijft zij ter toelichting:
“Nu [eiser] de geldleningsovereenkomst bij e-mail van 21 november 2025 heeft opgezegd, is de geldleningsovereenkomst beëindigd per 1 februari 2026. De Stichting diende derhalve direct na 1 februari 2026 de volledige hoofdsom en de tot dat moment verschuldigde contractuele rente aan [eiser] te voldoen. En nu zij aan deze verplichting niet heeft voldaan, is zij ook een schadevergoeding gelijk aan de contractuele rente van € 250,00 per maand aan [eiser] na 1 feb[r]uari 2026 verschuldigd.”
Verder schrijft [eiser] onder #16 dagvaarding:
“De Stichting is, door het verstrijken van de in de geldleningsovereenkomst opgenomen
fatale betalingstermijn van 31 januari 2026 direct in verzuim geraakt dan wel door het
verstrijken van de betalingstermijn zoals genoemd in de sommatiebrief van 12 januari
2026. Vanaf dat moment is de Stichting de wettelijke rente verschuldigd over het
openstaande bedrag ex artikel 6:119 BW.”.
Deze vorderingen kunnen niet onverkort worden toegewezen omdat de gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. In de eerste plaats is gedurende de looptijd van de overeenkomst een contractuele rente overeengekomen van 10% per jaar. Dit komt neer op € 3.000, - per jaar dan wel € 250, - per maand, zolang de overeenkomst van kracht is. De overeenkomst is opgezegd per 1 februari 2026. Vanaf dat moment geldt de contractuele rente dus niet meer en valt men terug op het wettelijk stramien. In dit geval geldt dan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW omdat gesteld noch gebleken is dat [eiser] zich beroepsmatig met geldbelening bezighoudt. De sommatie d.d. 12 januari om te betalen binnen 14 dagen valt niet te rijmen met de opzegging tegen 1 februari 2026. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom zij aanspraak kan maken op de wettelijke rente voor de datum van opeisbaarheid. Dit verhoudt zich niet met het wettelijk stramien en kan daarom niet worden toegewezen. Evenwel is de rechtbank, met [eiser] , van oordeel dat de datum van 1 februari 2026 fataal is. Gelet op het volgende zal de rechtbank dus de wettelijke rente over € 33.000, - toewijzen vanaf 1 februari 2026 tot en met de dag der algehele voldoening.
2.3.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.4.
TTW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,02
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.583,02
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt TTW om binnen één week na 22 april 2026 aan [eiser] te betalen een bedrag van € 33.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt TTW om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt TTW in de proceskosten van € 2.583,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als TTW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.