ECLI:NL:RBOBR:2026:4520
Bezwaar te laat gemaakt. Aanvang bezwaartermijn. Onvoldoende betwist dat het aanslagbiljet niet uiterlijk voor of op de datum van dagtekening is verzonden.
Rechtbank Oost-Brabant 3 July 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4520
text/xml
public
2026-07-03T11:48:44
2026-06-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Oost-Brabant
2026-06-25
25/3046
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Hertogenbosch
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4520
text/html
public
2026-07-03T11:44:32
2026-07-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOBR:2026:4520 Rechtbank Oost-Brabant , 25-06-2026 / 25/3046
Bezwaar te laat gemaakt. Aanvang bezwaartermijn. Onvoldoende betwist dat het aanslagbiljet niet uiterlijk voor of op de datum van dagtekening is verzonden.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3046
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel, de heffingsambtenaar,
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het bezwaar dat eiseres heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking van 22 februari 2025. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig bezwaar is gemaakt tegen de WOZ-waarde. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat zij wel binnen de geldende termijnen bezwaar zou hebben gemaakt. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat het bezwaar van eiseres niet binnen de termijn van zes weken is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met de beschikking van 22 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar WOZ-waarde van de woning van eiseres vastgesteld. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2024 en voor het kalenderjaar 2025. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum.
2.1.
Eiseres heeft met de brief van 8 april 2025 bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde. Op 23 oktober 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben nadere stukken ingediend naar aanleiding van het verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiseres is, ondanks dat zij is opgeroepen om naar de zitting te komen, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het bezwaarschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Als een belanghebbende met het oog op het vaststellen van de aanvang van de bezwaartermijn betwist dat het aanslagbiljet voor of op de datum van de dagtekening ervan ter post is bezorgd, dan rust op de heffingsambtenaar de last om aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende stuk is aangeboden en wanneer.
4.1.
Vaststaat dat de dagtekening van het aanslagbiljet 22 februari 2025 (een zaterdag) is. Eiseres stelt zich in haar beroepschrift op het standpunt dat op zaterdag, zondag en maandag geen postverwerking plaatsvindt, waardoor de aanslag op zijn vroegst op dinsdag 25 februari 2025 zou kunnen zijn verwerkt en pas op woensdag 26 februari 2025 zou kunnen zijn bezorgd. Eiseres stelt dat de datum van terpostbezorging leidend is, zodat haar bezwaarschrift met de dagtekening van 8 april 2025 tijdig is ingediend.
4.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de dagtekening van het aanslagbiljet de “matdatum” is. Dat betekent dat het printbureau, DATA-B, de opdracht heeft ervoor te zorgen dat het aanslagbiljet uiterlijk op de dagtekening van de aanslag op de deurmat van eiseres ligt. Uit de verzendadministratie blijkt dat de brief volgens het systeem op 18 februari 2025 is verzonden. Omdat zakelijke post binnen twee dagen moet worden verwerkt, moet het volgens de heffingsambtenaar zo zijn dat het aanslagbiljet op 20 februari 2025 is bezorgd. In een andere zaak, waarvan het aanslagbiljet met dezelfde batch is verzonden, was het aanslagbiljet op 20 februari 2025 bezorgd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de verzending van het aanslagbiljet van eiseres later heeft plaatsgevonden dan 22 februari 2025. Eiseres heeft namelijk onvoldoende betwist dat het aanslagbiljet niet uiterlijk voor of op de datum van dagtekening is verzonden. Eiseres heeft dit enkel gesteld en heeft de vragen die de rechtbank daarover had niet beantwoord. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres niet op de zitting is verschenen om een toelichting te geven, terwijl zij wel expliciet was opgeroepen voor de zitting. Haar gemachtigde was onvoldoende in staat de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Hij wist niet wanneer de aanslag bij eiseres is bezorgd. Hij gaf wel aan dat eiseres in maart 2025 op zijn kantoor is geweest en het aanslagbiljet heeft afgegeven. Op dat moment was de bezwaartermijn in elk geval nog niet verstreken. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar met zijn toelichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet voor of op de datum van de dagtekening ter post is bezorgd. Dat betekent dat de zes weken om een bezwaarschrift in te dienen, zijn verstreken op 5 april 2025. Omdat 5 april 2025 een zaterdag is, eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 7 april 2025.
4.4.
De dagtekening van het bezwaarschrift is 8 april 2025. Eiseres heeft het bezwaarschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het bezwaarschrift op 10 april 2025 op de post is gedaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Zowel de dagtekening van het bezwaarschrift als de poststempel op de enveloppe liggen na 7 april 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiseres verkeert in de veronderstelling dat de datum van terpostbezorging leidend is en stelt dat dit op zijn vroegst 26 februari 2025 kan zijn geweest. Ook als de rechtbank eiseres in deze veronderstelling zou volgen, is het bezwaarschrift nog steeds te laat ingediend. In dat geval zou de bezwaartermijn namelijk zijn geëindigd op 9 april 2025, terwijl het bezwaarschrift pas op 10 april 2025 ter post is aangeboden.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. In bezwaar heeft de heffingsambtenaar eiseres met de brief van 19 mei 2025 gevraagd wat de reden is voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Eiseres heeft daarop niet gereageerd. In bezwaar is dus geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding gebleken.
5.1.
De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting gesteld dat hij de termijnen voor het indienen van een bezwaarschrift altijd strikt in de gaten houdt en dat geen bewust risico is genomen door tot het laatste moment te wachten met het maken van bezwaar tegen de WOZ-beschikking. Dat de gemachtigde van eiseres in de veronderstelling was dat de bezwaartermijn in deze zaak zou aanvangen op de datum van terpostbezorging, komt voor rekening en risico van eiseres. Van een professioneel gemachtigde mag immers worden verwacht dat hij bekend is met de regels over de termijnen. In maart 2025 was er ook nog voldoende ruimte om uitgaande van de dagtekening van het aanslagbiljet op tijd bezwaar te maken. Er is dus geen verontschuldiging voor het te laat indienen van het bezwaar.
Conclusie en gevolgen
6. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Maas, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2026:677, r.o. 3.1.
Dit volgt uit artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet.