ECLI:NL:RBOVE:2026:2612
text/xml
public
2026-05-26T18:00:09
2026-05-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-05-19
C/08/339864 / ES RK 25-6504
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zwolle
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2612
text/html
public
2026-05-22T12:37:12
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:2612 Rechtbank Overijssel , 19-05-2026 / C/08/339864 / ES RK 25-6504
echtscheiding met nevenvoorzieningen. Alimentatie: bij alimentatiegerechtigde uitgaan van huidige inkomen maar wel inspanningsverplichting, bij alimentatieplichtige ook uitgaan van huidige verlaagde inkomen ivm zorg voor de kinderen. Verdeling: periodiek verrekenbeding niet nagekomen, dus ervan uitgaan dat het tot het te verrekenen vermogen van partijen behoort, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Daarin niet geheel geslaagd.
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummers: C/08/339864 / ES RK 25-6504 (echtscheiding)
C/08/342388 / ES RK 25-7956 (verdeling)
beschikking van 19 mei 2026
inzake
[de moeder]
,
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
verzoekster,
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel,
en
[de vader]
,
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
belanghebbende,
advocaat: mr. B.L. van Riel.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 20 oktober 2025;
het exploot van de betekening van 25 oktober 2025;
het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op 10 december 2025;
het formulier verrekenen en verdelen van de zijde van de vader, ingediend op 5 maart 2026;
een brief van 12 maart 2026 van de zijde van de moeder;
een brief van 13 maart 2026 van de zijde van de moeder;
een brief van 2 april 2026 met producties van de zijde van de vader;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met producties binnengekomen op 2 april 2026, en
een F9-formulier van 9 april 2026 met productie van de zijde van de moeder.
1.2.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 met na te noemen kinderen gesproken.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de moeder, bijgestaan door mr. Van Bemmel;
de vader, bijgestaan door mr. Van Riel, en
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn op 24 april 2010 te Meppel met elkaar gehuwd.
2.2.
Voorafgaand aan hun huwelijk hebben zij op 23 april 2010 huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Die houden kort gezegd in: er bestaat tussen de vader en de moeder geen enkele gemeenschap van goederen. Verder is er een periodiek verrekenbeding opgenomen.
2.3.
Ouders hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.4.
Tijdens het huwelijk zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
[kind 1]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2010,
[kind 2]
, geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2013,
[kind 3]
, geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] 2016.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 september 2025 zijn de volgende voorlopige voorzieningen vastgesteld:
de kinderen zijn toevertrouwd aan de moeder;
de moeder is met ingang van 30 september 2025 met uitsluiting van de vader gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning, met uitzondering van één weekend per twee weken van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur, dan is de vader met uitsluiting van de moeder gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning;
de kinderen zullen één weekend per twee weken van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur met de vader in de echtelijke woning zijn, waarbij de moeder de echtelijke woning verlaat;
de kinderen zullen één avond per week bij de vader verblijven van 17:30 uur tot 19:30 uur en bij hem eten, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en naar de moeder terugbrengt;
de vader betaalt met ingang van 23 september 2025 een bedrag van € 198,– per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2026 is de beschikking van 23 september 2025 gewijzigd en is:
bepaald dat de moeder met ingang van die datum bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, met bevel aan de vader die woning te verlaten en deze niet verder te betreden zonder toestemming van de moeder;
inzake het recht van de kinderen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige [de vader] vastgesteld:
de kinderen verblijven eenmaal per veertien dagen van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader;
de vader brengt de kinderen op maandag naar school dan wel [kind 1] en [kind 2] fietsen zelf naar school;
de kinderen verblijven in de meivakantie in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader, met een wisseling na een week op zaterdag 19.00 uur waarbij de kinderen vanuit vader weer naar school gaan op de maandag na de vakantie;
de kinderen verblijven in de zomervakantie in de eerste 3 weken bij de vader vanaf de laatste vrijdag voor de vakantie en in de laatste 3 weken bij de moeder, met een wisseling na 3 weken op zaterdag 19.00 uur;
de vader brengt de kinderen op maandag na de vakantie naar school dan wel [kind 1] en [kind 2] fietsen zelf naar school.
2.7.
Verder is bij die beschikking iedere beslissing in deze bodemprocedure aangehouden in afwachting van het resultaat van het scheidingshulpverleningstraject.
3De verzoeken van de moeder
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking - na wijziging -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tussen ouders de echtscheiding uit te spreken;
de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen;
tussen de vader en de kinderen een zorgregeling vast te stellen van:
eenmaal per veertien dagen van donderdag uit school tot maandag naar school, waarbij de vader de kinderen op maandag naar school brengt, dan wel [kind 1] en [kind 2] fietsen zelf naar school;
in de zomervakantie in het even jaar de eerste drie weken vanaf de laatste vrijdag voor de vakantie met een wisseling na drie weken op zaterdag 19.00 uur en in de oneven jaren andersom waarbij de vader de kinderen op maandag naar school brengt, dan wel [kind 1] en [kind 2] fietsen zelf naar school;
in de kerstvakantie in het even jaar de eerste week en in het oneven jaar de tweede week, en ieder jaar Tweede Kerstdag vanaf 09.00 uur;
te bepalen dat de vader met ingang van de datum van de beschikking zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 248,– per kind per maand;
te bepalen dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de moeder met € 555,– per maand;
de vader te veroordelen per 1 september 2025 tot en met de datum van de levering van de woning € 470,– per maand aan de moeder te voldoen;
de verdeling van de eenvoudige gemeenschap te bepalen althans te gelasten als ook de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen conform punt 33 tot en met 60 van het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken.
4Het verweer en de zelfstandige verzoeken van de vader
De man voert verweer tegen de verzoeken van de moeder met uitzondering van de verzochte echtscheiding en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de verzoeken. Bij wege van zelfstandige verzoeken verzoekt de vader de rechtbank bij beschikking - na wijziging -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen ouders uit te spreken;
de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader te bepalen en de hoofdverblijfplaats van de [kind 2] en [kind 3] bij de moeder te bepalen;
een zorgregeling en vakantieregeling vast te stellen voor de ouders en de kinderen conform punt 36 t/m 44 van het verweerschrift, waarbij de vakantieregeling heeft te gelden vanaf de herfstvakantie 2026 nu ouders afspraken hebben gemaakt over de meivakantie 2026 en de zomervakantie 2026, die zijn vastgelegd in de beschikking van 27 maart 2026;
indien de moeder daarmee akkoord is, ouders te verwijzen naar een ONS-traject;
de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en overige verrekeningen vast te stellen waarbij wordt vastgesteld hetgeen ouders aan elkaar moeten voldoen en hem/haar te veroordelen tot betaling van dat vast te stellen bedrag;
te bepalen dat de vader zal bijdragen in het levensonderhoud van de kinderen
met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
5De beoordeling
De ontvankelijkheid
5.1.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van ouders over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
5.2.
De ouders hebben geen ondertekend ouderschapsplan overgelegd. Gelet op hetgeen uit de stukken en de mondelinge behandeling naar voren komt gaat de rechtbank in dit geval aan de verplichting tot het overleggen van het ouderschapsplan voorbij. De rechtbank zal de vader en de moeder ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding en een beslissing nemen op de voorliggende verzoeken.
De echtscheiding
5.3.
De ouders stellen allebei dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de rechtbank de daarop gegronde verzoeken tot echtscheiding zal toewijzen.
De hoofdverblijfplaats
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank uitgebreid met de ouders gesproken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en wat dit juridisch en feitelijk betekent voor de kinderen en voor de vader en de moeder. Zij zijn het met elkaar eens dat de moeder tijdens het huwelijk het grootste deel van de zorg voor de kinderen heeft gedragen.
Voor de moeder is het belangrijk dat de situatie blijft zoals die is omdat er al zoveel verandert en dat er eenheid blijft onder de kinderen. Bijkomend voordeel is dat de inschrijving van alle kinderen bij de moeder financieel voordeliger is dan wanneer de kinderen of één van de kinderen bij de vader zal worden ingeschreven.
Voor de vader is het belangrijk dat de wens van [kind 1] om haar hoofdverblijfplaats bij hem te hebben wordt gevolgd en dat er meer gelijkwaardigheid komt in het ouderschap. Wat de vader betreft kan de moeder de kinderbijslag voor [kind 1] blijven ontvangen als [kind 1] haar hoofdverblijfplaats bij de vader krijgt en behoudt de moeder hiermee haar recht op toeslagen.
5.5.
De rechtbank constateert dat ouders geen geschil hebben over de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3]. Die kan en zal de rechtbank bij de moeder bepalen. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [kind 1] begrijpt de rechtbank de wens van de moeder om de situatie zoveel mogelijk in stand te laten en om de eenheid te behouden. De rechtbank kan echter, mede gelet op de leeftijd van [kind 1], niet voorbijgaan aan haar gemotiveerde en stellige wens om haar hoofdverblijfplaats bij de vader te hebben. De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader bepalen. Het meer of anders door de moeder verzochte zal de rechtbank afwijzen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat de vader zijn toezegging nakomt dat de moeder de kinderbijslag en de daarmee samenhangende toeslagen voor [kind 1] kan blijven ontvangen. De hierna bepaalde kinderalimentatie is op dit uitgangspunt gebaseerd.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.6.
De moeder wil vasthouden aan de bij de beschikking van 27 maart 2026 vastgestelde [de vader] en stelt dat haar schouders niet sterk genoeg zijn voor een co-ouderschapsregeling omdat de communicatie moeizaam verloopt en er onvoldoende rust en stabiliteit is.
De vader wil dat de zorg voor de kinderen gelijk verdeeld wordt zodat er een gelijkwaardig ouderschap ontstaat en er tegemoet gekomen wordt aan de wens van de kinderen.
5.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in het weekend van 11 april 2026 voor het eerst uitvoering is gegeven aan de vastgestelde [de vader], maar alleen voor [kind 3]. [kind 1] en [kind 2] hebben hun eigen keuzes gemaakt en de ouders hebben zich daaraan geconformeerd. Beide ouders vinden dat er een basisregeling moet zijn, maar dat daar soepel mee om moet worden gegaan als de kinderen afwijkende wensen hebben.
5.8.
De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aanhouden voor de duur van zes maanden in afwachting van de uitkomst van het ONS-traject dat net is gestart: op 2 april 2026 heeft de intake plaatsgevonden. In dat traject zal duidelijk moeten worden wat de mogelijkheden en de belemmeringen zijn voor de invulling van het gedeelde ouderschap zowel op praktisch gebied als wat betreft de communicatie. Ook de kinderen zullen hierin betrokken worden, zodat duidelijk wordt wat hun wensen zijn en wat zij (verder) nodig hebben aan eventuele hulp en van de ouders. Mogelijk zijn de ouders tegen die tijd zelf in staat om afspraken te maken over de zorgregeling. De rechtbank verzoekt de ouders zich dan tevens uit te laten over de gewenste wijze van verder procederen. Het verzoek van de vader om de ouders te verwijzen naar het ONS-traject zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen.
5.9.
Voor de aankomende periode betekent dit dat de bij beschikking van 27 maart 2026 vastgestelde [de vader] door blijft lopen totdat de ouders andersluidende afspraken maken of totdat de rechtbank anders beslist. De rechtbank geeft de ouders - in overeenstemming met het advies van de raad - mee dat het in het belang van de kinderen is dat de basis van de [de vader] duidelijk is.
De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen
Behoefte van de kinderen
5.10.
De vader en de moeder zijn het eens over de behoefte van de kinderen, die is in 2026 € 601,55 per kind per maand.
Draagkracht van de vader
Inkomen
5.11.
Tussen de ouders is in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan.
De moeder stelt dat rekening gehouden moet worden met een inkomen uit een fulltime dienstverband. De vader heeft altijd meer dan fulltime gewerkt. De moeder begrijpt dat dit niet van de vader hoeft te worden verwacht, maar zij vindt wel dat de vader 40 uur per week kan werken. Het daarbij passende inkomen schat de moeder op € 85.000,– bruto per jaar.
De vader stelt dat hij al een jaar 32 uur per week werkt met het oog op de zorg voor de kinderen en dat ook destijds met de moeder heeft besproken. In 2026 heeft de vader een inkomen van € 74.840,– bruto per jaar.
5.12.
De rechtbank zal voor het inkomen uitgaan van het door de vader opgegeven inkomen dat naar eigen zeggen met ingang van 2026 is gestegen naar € 74.840,– bruto per jaar. De rechtbank acht het niet ondenkbaar en ook begrijpelijk dat de vader in verband met de zorg voor de kinderen na de scheiding al in 2025 minder is gaan werken. Met de huidige voorlopige zorgregeling, die de moeder zelf graag als een definitieve [de vader] vastgelegd ziet, kan en hoeft van de vader ook niet verwacht (te) worden dat hij fulltime werkt. Ook is niet gebleken dat de vader andere of extra inkomsten heeft.
5.13.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de (belasting)tarieven van 2026 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader in 2026 op € 4.287,– per maand.
Woonlasten
5.14.
Tussen de ouders is ook in geschil of rekening gehouden moet worden met het woonbudget of met de werkelijke woonlasten.
Volgens de moeder zijn de woonlasten van de vader aanzienlijk lager in verband met zijn verblijf in het chalet.
De vader is van mening dat er geen aanleiding is om af te wijken van het woonbudget. Zijn huidige woonlasten zijn niet duurzaam aanmerkelijk lager. Op dit moment betaalt hij de helft van de hypotheeklasten van de echtelijke woning, een bijdrage van € 850,– per maand voor het verblijf bij zijn ouders en voor het chalet betaalt hij gemeentelijke belastingen en dergelijke. In het geval de moeder de echtelijke woning overneemt, zal de vader de verbouwde boerderij van zijn ouders overnemen waarvan de woonlasten nog hoger zullen zijn en als de moeder de echtelijke woning niet kan overnemen, zal de vader terugkeren in de echtelijke woning met de daarbij behorende woonlasten.
5.15.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget omdat de toekomstige woonsituatie van de vader nog onzeker is en niet kan worden vastgesteld of zijn woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zullen zijn. Op dit moment is dat in elk geval niet het geval.
Berekening
5.16.
De rechtbank berekent de draagkracht van vader als volgt 70% van [4.287 - (0,3 x 4.287 + 1.365)]. Hieruit volgt een bedrag van afgerond € 1.145,– per maand.
Draagkracht van de moeder
Inkomen
5.17.
Het inkomen van de moeder is ook tussen de ouders in geschil, met name of zij verdiencapaciteit heeft en of zij inkomsten heeft uit een kennel.
5.18.
De rechtbank overweegt dat zij volgens vaste rechtspraak terughoudend moet zijn met het aannemen van een fictief inkomen bij de ouder die de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen voor wie een bijdrage wordt verzocht. Gelet op de bestaande voorlopige [de vader] draagt de moeder het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen. Als op basis van een fictieve verdiencapaciteit een hogere draagkracht wordt vastgesteld, wordt de door de vader te betalen bijdrage mogelijk lager, terwijl de kans bestaat dat de moeder niet in staat is om de verdiencapaciteit ook te verwezenlijken. Dat laatste heeft dan mogelijk tot gevolg dat niet volledig in de behoefte van de kinderen wordt voorzien en dat de moeder in financiële problemen komt. De rechtbank is van oordeel dat in de huidige situatie niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de moeder haar inkomen betekenisvol kan vergroten en dat dit ook niet van haar kan worden gevergd. Daarom zal de rechtbank niet uitgaan van een fictief hoger inkomen aan de zijde van de moeder. De rechtbank wijst er voorts op dat een hoger verzamelinkomen bij de moeder ook leidt tot een lager kindgebonden budget, wat de discussie over het al dan niet benutten van vermeende verdiencapaciteit van marginaal belang kan maken.
5.19.
Ten aanzien van de door de vader gestelde inkomsten uit de kennel is de rechtbank van oordeel dat de moeder voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij bedrijfsmatig honden fokt en daar (een structureel) inkomen uit heeft. De rechtbank zal dus voor het inkomen van de moeder alleen uitgaan van haar inkomen uit haar huidige dienstverband.
5.20.
Nu niet is gesteld of gebleken dat het inkomen van de moeder in 2026 significant is gewijzigd, gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025 met toepassing van het indexeringspercentage voor alimentatie analoog naar artikel 1:402a BW. Uit deze jaaropgaaf blijkt een inkomen van € 27.659,– bruto. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget inclusief eenouderkop en de (belasting)tarieven van 2026 bedraagt het NBI van de moeder in 2026 € 3.348,– per maand.
Berekening
5.21.
De rechtbank berekent de draagkracht van moeder als volgt 70% van [3.348- (0,3 x 3.348 + 1.365)]. Hieruit volgt een bedrag van afgerond € 685,– per maand.
Gezamenlijke draagkracht en aandeel van de ouders
5.22.
De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt € 1.830,– per maand. Omdat de behoefte van de kinderen van totaal afgerond € 1.806,– per maand kleiner is dan de gezamenlijke draagkracht van de ouders, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken. Het aandeel van de ouders berekent de rechtbank als volgt:
Het aandeel van de vader bedraagt aldus € 1.130,– per maand en het aandeel van de moeder bedraagt € 676,– per maand.
Zorgkorting
5.23.
Ten slotte is tussen de ouders de zorgkorting in geschil. Als de kinderen in het kader van de zorgregeling bij de vader verblijven, neemt hij de dagelijkse kosten van de kinderen voor zijn rekening. Op die wijze voldoet hij ‘in natura’ al voor een deel aan zijn onderhoudsplicht. Daartegenover staat een even grote besparing voor de moeder. Deze kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte: de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.
Uitgaande van de voorlopige [de vader] waarbij de kinderen van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven en de helft van de vakanties acht de rechtbank een zorgkorting van 35% passend. De zorgkorting bedraagt afgerond € 633,– per maand. Dit bedrag komt in mindering op het aandeel van de vader.
Conclusie
5.24.
Op grond van al het voorgaande bedraagt de door de vader te betalen bijdrage € 497,– per maand, dat is afgerond € 166,– per kind per maand. De rechtbank acht deze bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze toewijzen met ingang van de datum van deze beschikking. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
De bijdrage in het levensonderhoud van de moeder
Behoefte van de moeder
5.25.
De moeder stelt haar behoefte op basis van de Hof-norm op € 3.540,– per maand. De vader heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.
Behoeftigheid van de moeder
5.26.
De moeder heeft alleen een aanspraak op partneralimentatie als zij behoeftig is, dat wil zeggen: niet in staat is of redelijkerwijs geacht kan worden zelf – volledig – in haar aanvullende behoefte te voorzien. De rechtbank gaat, met verwijzing naar hetgeen hiervoor bij de kinderalimentatie is overwogen over het inkomen van de moeder, uit van haar huidige inkomen. Zij hoeft dat inkomen nu niet te vergroten, al zal zij zich wel moeten blijven inspannen dat te doen. Het NBI van de moeder bedraagt € 2.297,– per maand. De rechtbank laat het kindgebonden budget daarbij buiten beschouwing, omdat dit de behoefte van de moeder niet verlaagt (Hoge Raad 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273). Rekening houdend met het aandeel van de moeder in de kosten van de kinderen van € 676,– per maand bedraagt haar behoefte € 1.243,– netto per maand, dat is € 2.222,– bruto per maand.
Draagkracht van de vader
5.27.
Uit de bijgevoegde berekening blijkt dat de vader geen draagkracht heeft voor het betalen van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de moeder.
Conclusie
5.28.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder bij gebrek aan draagkracht afwijzen.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
5.29.
In de huwelijkse voorwaarden (verder ook: HV) is opgenomen dat tussen de ouders geen enkele gemeenschap van goederen zal bestaan en dat aan de ouders alle goederen toebehoren die hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die, die hij of zij gedurende het huwelijk mocht verkrijgen, al dan niet door belegging of wederbelegging (artikel 1 HV). Verder is in de huwelijkse voorwaarden opgenomen dat de kosten van de huishouding worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan (artikel 5 e.v. HV). Ten slotte zijn de ouders een periodiek verrekenbeding overeengekomen, waarbij zij na afloop van ieder kalenderjaar overgespaarde inkomens bij helfte verdelen (artikel 10 HV).
5.30.
De vader en de moeder zijn het er over eens dat zij het periodieke verrekenbeding niet zijn nagekomen. Artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Het vermoeden geldt zowel ten aanzien van aangebracht vermogen als ten aanzien van vermogen dat krachtens erfrecht of schenking is verkregen. Dat betekent dat een echtgenoot die stelt dat een deel krachtens erfrecht of schenking is verkregen of die stelt dat het aangebracht vermogen betreft dat moet aantonen. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en aannemelijk te maken dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Dat brengt aan de ene kant mee dat de rechtbank daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen. Aan de andere kant moet een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen bewijzen. De rechtbank zal hieronder de afwikkeling vaststellen.
Kosten huishouding
5.31.
De vader en de moeder vorderen allebei op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden terug hetgeen zij in hun ogen teveel hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn respectievelijk haar aandeel ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden.
5.32.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling de ouders voorgehouden dat uit de aangiftes IB 2022-2024 blijkt dat de totaalstand van de banksaldi van de ouders nauwelijks is gewijzigd in die jaren. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de banksaldi wel zijn afgenomen dan wel toegenomen over die jaren, maar uit het door haar zelf gemaakte overzicht zoals overgelegd als productie 31a blijkt in de totaalstand van de spaarsaldi niet van dusdanige wijzigingen dat dit kan leiden tot de conclusie dat de ouders meer geld aan de kosten van de huishouding hebben uitgegeven dan zij aan inkomen hadden. Dat betekent dat ouders over en weer niets van elkaar te vorderen hebben op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank zal deze over en weer gedane verzoeken daarom afwijzen.
5.33.
Voor zover één van ouders van mening is dat de ander te weinig zou hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding na 31 december 2025 en daarom nog een vordering stelt te hebben op de ander, zal de rechtbank deze vorderingen afwijzen nu dit de periode na de peildatum betreft en dit buiten het bestek van deze procedure valt.
Pensioenaanspraken
5.34.
De ouders zijn het erover eens dat de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenen moeten worden verevend conform artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden. Beiden hebben hun pensioenoverzicht overgelegd. Het is aan de ouders om dat in onderling overleg te regelen.
Verrekening overgespaard inkomen c.q. banksaldi
5.35.
De ouders zijn het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden over de verdeling van de banksaldi op al hun gezamenlijke rekeningen en privérekeningen. Deze zullen per 31 december 2025 bij helfte worden verdeeld. De vader heeft daarop zijn verzoek met betrekking tot de rente over de door de moeder al eerder opgenomen € 30.000,– ingetrokken. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader en de moeder dit zonder verdere bemoeienis van de rechtbank zullen en kunnen regelen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de ouders vinden dat de saldi op de bankrekeningen op naam van de kinderen buiten deze verdeling blijven omdat die saldi aan de kinderen toekomen.
Foodtruck
5.36.
De ouders verschillen van mening over de vraag of de foodtruck tot het te verrekenen vermogen van hen behoort of dat een vriend van de vader de foodtruck heeft geschonken aan [kind 1]. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de vader overgelegde vertaalde verklaring van deze vriend (productie 26) niet dat de foodtruck aan [kind 1] is geschonken maar juist aan de vader om hem te helpen tijdens een moeilijke periode in zijn leven. Er staat letterlijk: The foodtrailer was a gift in 2025 to mr. [de vader]…’. Dat betekent dat de foodtruck tot het te verrekenen vermogen van de ouders behoort. Hoewel de vader stelt dat op grond van artikel 10 sub c HV niet meer verrekend hoeft te worden omdat de foodtruck na 1 januari 2025 is geschonken, volgt de rechtbank de vader daarin niet omdat dit artikel ziet op overgespaard inkomen.
5.37.
Op de bij de verklaring gevoegde betalingsspecificaties staan – voor zover de rechtbank kan zien - twee foodtrucks: één ter waarde van ¥ 12.450,– en één ter waarde van ¥ 10.000,–. Het is de rechtbank niet duidelijk welke foodtruck aan de vader is geschonken. Daarom zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van de gemiddelde waarde van deze twee foodtrucks: ¥ 11.225,–, waarvan aan de moeder de helft toekomt: ¥ 5.612,50 en omgerekend € 698,– en de foodtruck toedelen aan de vader.
Paarden
5.38.
Tussen de ouders is niet in geschil dat er drie paarden zijn: [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Wel is in geschil wie de eigenaar is van deze paarden en of die paarden tot het te verrekenen vermogen van de ouders behoren.
5.39.
De vader heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat niet de ouders maar een derde eigenaar is van [naam 2], productie 28 overgelegd. Los van het feit dat het bankafschrift slecht leesbaar is, zegt dit bankafschrift naar het oordeel van de rechtbank niets, althans onvoldoende over de eigendom van dit paard. Hoewel het – kennelijk - in de paardensport niet ongebruikelijk is dat een door de een bereden paard eigendom is van een ander, heeft de vader dat ook niet op een andere wijze aangetoond. De rechtbank concludeert daarom dat [naam 2] tot het te verrekenen vermogen van de ouders behoort. De rechtbank zal dit paard toedelen aan de vader, nu de moeder geen belang heeft bij toedeling, onder verrekening van de helft van de waarde aan de moeder. Nu de vader zelf heeft gesteld dat dit paard is gekocht en verkocht voor een bedrag van € 3.980,– zal de rechtbank, bij gebrek aan een andere, actuele waarde, uitgaan van dit bedrag. De moeder heeft dan recht op een bedrag van € 1.940,–.
5.40.
Ten aanzien van [naam 3] en [naam 4] stelt de vader dat hij deze paarden heeft gekocht met de opbrengst van paarden die hij voor het huwelijk al in eigendom had. De moeder betwist niet dat de vader voor het huwelijk paarden in eigendom had. Uit de door de vader overgelegde productie 30 blijkt dat de vader op 2 juni 2025 € 500,– en op 11 juni 2025 € 2.800,– heeft betaald voor [naam 4], dus in totaal € 3.300,–. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de vader dit paard heeft betaald, maar niet dat dit paard is aangeschaft met de opbrengst van de paarden die de vader voor het huwelijk in eigendom had. Van [naam 3] zijn helemaal geen bewijsstukken overgelegd. Dat de vader de kosten voor deze paarden in zijn eigen overzichten buiten de verrekening van de kosten van de huishouding heeft gelaten, is onvoldoende om aan te tonen dat de paarden van de vader zijn. De rechtbank concludeert daarom dat [naam 4] en [naam 3] tot het verrekenen vermogen van de ouders behoren. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij [naam 3] heeft gekocht voor een bedrag van € 1.600,–. De rechtbank zal deze twee paarden ook toedelen aan de vader, nu de moeder geen belang heeft bij toedeling onder verrekening van een bedrag van € 2.450,– ((€ 3.300 + € 1.600) ÷ 2)) aan de moeder.
Trekker
5.41.
Tussen de ouders is in geschil of de trekker eigendom is van hen of van opa vaderszijde. De rechtbank is van oordeel dat de vader met het overleggen van productie 27, zijnde het verzekeringsbewijs en een verklaring van zijn vader, voldoende heeft aangetoond dat de trekker van zijn vader is en dus niet tot het te verrekenen vermogen van de ouders behoort.
Auto’s
5.42.
De ouders zijn het erover eens dat de Volvo aan de vader moet worden toegedeeld en de Opel aan de moeder, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dat beslissen.
Trailer
5.43.
De ouders zijn het erover eens dat de trailer aan de vader moet worden toegedeeld tegen een waarde van € 750,–, onder verrekening van de helft van de waarde aan de moeder, dat is een bedrag van € 375,–. De rechtbank zal dat beslissen.
Twee quads
5.44.
De ouders zijn het erover eens dat de twee quads aan de vader moeten worden toegedeeld, onder verrekening van een bedrag van € 400,– aan de moeder. De rechtbank zal dat beslissen.
Olieverfschilderijen
5.45.
De ouders zijn het erover eens dat er 31 schilderijen aan hen zijn geschonken en dat die tot het te verrekenen vermogen behoren, maar zij zijn het niet eens over de toedeling en de waarde van deze schilderijen. De vader stelt voor dat er 16 aan de moeder worden toebedeeld en 15 aan hem, zonder verrekening, maar de moeder zegt geen belang te hebben bij de schilderijen. Om verdere discussie over onder meer de waarde van de schilderijen en extra kosten te voorkomen, zal de rechtbank het voorstel van de vader volgen en aan de moeder 16 schilderijen toebedelen inclusief de vijf waar de familie op staat, en aan de vader de andere 15, zonder nadere verrekening. Dan kunnen beiden ermee doen wat ze willen: houden of verkopen.
Contant geld
5.46.
Tussen de ouders is in geschil of er contant geld is bij opa en oma vaderszijde dat tot het te verrekenen vermogen behoort. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader de stellingen van de moeder voldoende gemotiveerd weersproken, waarmee dat niet is komen vast te staan. De rechtbank kan dit geld dus niet verdelen.
Vordering op een derde
5.47.
De ouders zijn het erover eens dat zij een vordering van € 20.000,– hebben op een voormalige zakenpartner van de vader, genaamd [naam 5] afkomstig uit Singapore, en dat ieder recht heeft op de helft van deze vordering. De rechtbank zal, conform hetgeen tijdens de mondelinge behandeling besproken, deze vordering onverdeeld laten en bepalen dat de vader de moeder jaarlijks op de hoogte houdt van de stand van zaken met betrekking tot deze vordering.
Afgifte persoonlijke goederen
5.48.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de vader zijn persoonlijke spullen bij de moeder kan komen ophalen. De moeder heeft die in een weekendtas gedaan die klaar staat. Bij die spullen zit volgens de moeder niet het horloge van de vader van het merk Casio. De rechtbank zal dus dat deel van het verzoek afwijzen, nu de moeder niet iets kan afgeven dat er niet is. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een vergoeding voor het geval de moeder de spullen niet afgeeft nu daarover een afspraak is gemaakt, dus dat deel van het verzoek van de vader zal de rechtbank ook afwijzen.
5.49.
Verder hebben de vader en de moeder afgesproken dat de vader in aanwezigheid van een derde mag komen zoeken naar zijn snowboots. De moeder mag deze derde aanwijzen, maar dat mag niet haar eigen vader zijn, gelet op de familiaire verhoudingen. De rechtbank zal bepalen dat de vader dat kan doen de eerste zaterdag na de datum van deze beschikking tussen 10.00 uur en 11.00 uur.
Inboedel
5.50.
De rechtbank zal, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, het bankstel aan de vader toedelen omdat de moeder geen belang bij toedeling heeft. De lamp op het nachtkastje zal de rechtbank aan de moeder toedelen omdat de vader daarmee tijdens de mondelinge behandeling heeft ingestemd.
5.51.
Bij toedeling van het ‘vosjesschilderij’ hebben beide ouders een voornamelijk emotioneel belang gesteld tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank zal dit schilderij onverdeeld laten en bepalen dat dit schilderij in de echtelijke woning blijft hangen, ook na de overdracht van de woning aan één van de ouders.
5.52.
De ouders zijn het erover eens dat aan de moeder kunnen worden toegedeeld, waarbij de rechtbank voor het gemak de door de vader als productie 24 overgelegde lijst als uitgangspunt neemt: nr. 1 tot en met 49 met uitzondering van de kunstkerstboom (nr. 3). De moeder wil kennelijk nr. 50, 51 en 52 niet hebben zodat de rechtbank die aan de vader zal toedelen. Tegen nr. 53 en 54 heeft de moeder geen bezwaar gemaakt zodat de rechtbank die aan de moeder zal toedelen. De moeder wil kennelijk de printer (nr. 50) niet hebben zodat de rechtbank die aan de vader zal toedelen. De moeder wenst ook niet nr. 55, 56 en 57 te hebben, dus zal de rechtbank die aan de vader toedelen. Tegen nr. 58 en 63 tot en met 65 heeft de moeder geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank die aan de moeder zal toedelen.
5.53.
Ten aanzien van de honden constateert de rechtbank dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard geen afstand te willen doen van een hond, maar dat zij ook geen toedeling van de honden heeft verzocht, zodat de rechtbank hond Nala conform het verzoek van de vader aan hem zal toedelen.
5.54.
Ter aanvulling op de lijst van de vader wil de moeder nog toegedeeld krijgen: de wasmachine, de kunstkerstboom, de grote foto met de drie kinderen, het groen witte golfkastje uit de huiskamer, de TV uit de huiskamer, de eetkamerstoelen, de robotstofzuiger, de glazen, waterglazen, 6 wijnglazen, longdrinkglazen, alle gekleurde servies of met print, tuingereedschap, elektrische heggenschaar, de strijkplank + strijkbout, het bedlinnen + dekbed en de ijzeren haken in de slaapkamer.
5.55.
De vader maakt bezwaar tegen toedeling van de wasmachine, de kunstkerstboom, de grote foto met de drie kinderen, de eetkamerstoelen, de TV uit de huiskamer, de robotstofzuiger, de glazen, waterglazen, 6 wijnglazen, longdrinkglazen, tuingereedschap, elektrische heggenschaar, de strijkplank + strijkbout, het bedlinnen + het dekbed en de vrieskast.
5.56.
De rechtbank zal in alle redelijkheid nog aan de moeder toedelen: de kunstkerstboom, de grote foto met de drie kinderen (de vader kan mogelijk nog een afdruk laten maken), het groen witte golfkastje uit de huiskamer, de eetkamerstoelen omdat die bij de eettafel horen, de TV uit de huiskamer omdat de moeder ook de TV kast uit de huiskamer krijgt, de helft van alle glazen, alle gekleurde servies of met print, het tuingereedschap, de strijkplank + strijkbout en de ijzeren haken in de slaapkamer. De overige onder 5.54. genoemde spullen komen dus aan de vader toe: de wasmachine omdat de moeder de droger krijgt, de robotstofzuiger omdat de moeder al een andere stofzuiger krijgt, de helft van alle glazen, het bedlinnen + dekbed omdat de moeder het tweepersoonsbed niet wil hebben en dat dus naar de vader zal gaan, de elektrische heggenschaar omdat de moeder al het andere tuingereedschap al krijgt en de vrieskast omdat de moeder de koel-vriescombinatie uit de garage krijgt. Daarnaast zullen aan de vader worden toebedeeld alle andere spullen zoals opgesomd op de lijst van de moeder en de lijst van de vader, behoudens de spullen waarover de rechtbank hierboven anders heeft geoordeeld en zal beslissen.
5.57.
Bovenstaande toedeling van de inboedel zal zonder nadere verrekening plaatsvinden.
5.58.
Over de voor het huwelijk aangebrachte inboedel en de aan de ouders van de vader toebehorende inboedel bestaat kennelijk geen discussie (meer), nu de moeder tegen productie 25 van de vader geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank zal vaststellen dat dit deel van de inboedel niet wordt verdeeld.
VOF
5.59.
De rechtbank zal geen beslissing nemen over de VOF, nu de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat er geen gemeenschappelijke financiële middelen zijn ingebracht en de moeder daarop heeft afgezien van haar verzoek tot verrekening.
Kennel
5.60.
Met verwijzing naar rechtsoverweging 5.19. is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat er geen sprake is van (bedrijfsmatige) inkomsten uit de kennel en dat de kennel dus geen te verrekenen vermogen van ouders is.
Aansprakelijkheidskwestie
5.61.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in 2009 een ongeval met een paard van de vader heeft plaatsgevonden waarbij de moeder betrokken was. Eens in de zoveel tijd wordt een stuitingsbrief gestuurd namens het slachtoffer, maar dat op dit moment loopt er geen procedure loopt. Deze verzekeringskwestie voor de vader als eigenaar van het paard laat de rechtbank in deze procedure buiten de afwikkeling.
De echtelijke woning
5.62.
De ouders zijn het eens over de wijze waarop zij met elkaar moeten afrekenen met betrekking tot de echtelijke woning. Van de taxatiewaarde van de woning moet eerst de hypotheek en het opgebouwde spaarsaldo worden afgetrokken. Uit het restant wordt eerst het door de vader uit privé geïnvesteerde vermogen van € 34.500,– aan hem uitgekeerd en het dan resterende saldo wordt bij helfte tussen de vader en de moeder verdeeld.
5.63.
Op 10 april 2026 heeft een makelaar de woning getaxeerd in opdracht en in aanwezigheid van beide ouders. Dit bleek nodig omdat een eerste makelaar een waardebepaling had gedaan en omdat vervolgens een andere makelaar op verzoek van de moeder een taxatie heeft gedaan, waarbij de vader niet betrokken was. Hoewel de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld zich niet op voorhand te committeren aan de uitkomst van de taxatie, zal de rechtbank bepalen dat de waarde die volgt uit de taxatie op 10 april 2026 voor ouders bindend is ten behoeve van de overname van de woning, nu zij beiden de opdracht hebben gegeven tot de taxatie van 10 april 2026. De moeder krijgt na uitbrengen van het taxatierapport drie maanden de gelegenheid om de echtelijke woning over te nemen waarbij – als zij de woning overneemt - de vader wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheek. Als dit niet lukt, zal de vader de echtelijke woning mogen overnemen. Ook hij zal dan hiervoor drie maanden de gelegenheid krijgen. De moeder zal dan per datum levering aan de vader de woning moeten verlaten. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelasten conform het voorgaande en het meer of anders verzochte afwijzen.
5.64.
De vader heeft nog verzocht een gebruiksvergoeding vast te stellen met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot aan de notariële overdracht van de woning. Hij acht daarvoor een bedrag ter grootte van zijn deel van de eigenaarslasten passend in die zin dat de moeder vanaf het moment van echtscheiding zowel de gebruikerslasten (als te doen gebruikelijk) als de eigenaarslasten die zijn verbonden aan de woning derhalve inclusief de volledige hypotheeklasten voldoet.
De moeder heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de moeder onder f) slechts toewijst met ingang van 1 september 2025 tot de peildatum, dat is 20 oktober 2025. Geschillen over de kosten van de huishouding na de peildatum vallen buiten het bestek van deze procedure. Dat deel van het verzoek van de moeder zal de rechtbank dus afwijzen. De ouders zullen dat bij de finale afrekening na de overdracht van de woning moeten regelen.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen de ouders, op 24 april 2010 te Meppel gehuwd;
6.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind 1] bij de vader zal zijn en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind 2] en [kind 3] bij de moeder zal zijn;
6.3.
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
[kind 1]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2010,
[kind 2]
, geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2013,
[kind 3]
, geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] 2016,
met ingang van heden op € 166,– (HONDERD ZES EN ZESTIG EURO) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
6.4.
stelt de afwikkeling huwelijkse voorwaarden althans gelast de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt (vast):
de ouders zullen uitvoering geven aan de pensioenverevening krachtens artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden en daartoe tijdig de betreffende formulieren indienen;
bepaalt dat de banksaldi per 31 december 2025 tussen de ouders bij helfte moeten worden verdeeld;
deelt de foodtruck toe aan de vader onder verrekening van een bedrag van € 698,– met de moeder;
deelt het paard [naam 2] toe aan de vader onder verrekening van een bedrag van € 1.940,– met de moeder;
deelt de paarden [naam 3] en [naam 4] toe aan de vader onder verrekening van een bedrag van € 2.450,– met de moeder;
deelt de Volvo toe aan de vader zonder nadere verrekening met de moeder;
deelt de Opel toe aan de moeder zonder nadere verrekening met de vader;
deelt de trailer toe aan de vader onder verrekening van een bedrag van € 375,– met de moeder;
deelt de twee quads toe aan de vader onder verrekening van een bedrag van € 400,– met de moeder;
deelt 16 olieverfschilderijen toe aan de moeder, inclusief de vijf waarop de familie staat, zonder nadere verrekening;
deelt de overige 15 olieverfschilderijen toe aan de vader, zonder nadere verrekening;
bepaalt dat de vader de moeder jaarlijks op de hoogte stelt van de stand van zaken met betrekking tot de vordering ter hoogte van € 20.000,– op [naam 5];
bepaalt dat de vader zijn persoonlijke spullen zoals die klaar staan in de weekendtas in de echtelijke woning mag ophalen op de eerstvolgende zaterdag na de datum van deze beschikking tussen 10.00 en 11.00 uur waarbij hij in het bijzijn van een door de moeder aan te wijzen derde, niet zijnde opa moederszijde, in de echtelijke woning mag zoeken naar zijn snowboots;
bepaalt dat het ‘vosjesschilderij’ in de echtelijke woning blijft, ook na de overdracht van de woning aan één van de ouders;
deelt aan de moeder toe: nr. 1, 2, 4 tot en met 49, 53, 54, 58, 63 tot en met 65 van de lijst zoals de vader heeft overgelegd als productie 24, waarvan een afschrift genummerd met een 1. aan deze beschikking is gehecht, zonder nadere verrekening;
deelt aan de moeder in aanvulling daarop toe: de lamp op het nachtkastje, de kunstkerstboom, de grote foto met de drie kinderen, het groen witte golfkastje uit de huiskamer, de eetkamerstoelen, de TV uit de huiskamer, de helft van alle glazen, alle gekleurde servies of met print, het tuingereedschap en de strijkplank + strijkbout en de ijzeren haken in de slaapkamer, zonder nadere verrekening;
deelt aan de vader toe nr. 50, 51, 52, 55, 56, 57, 59 tot en met 62 van de hiervoor onder o) genoemde lijst, zonder nadere verrekening;
deelt aan de vader in aanvulling daarop toe: de wasmachine, de robotstofzuiger, de helft van alle glazen, het bedlinnen + dekbed, de elektrische heggenschaar en de vrieskast, zonder nadere verrekening;
deelt aan de vader verder toe: alle andere spullen zoals opgesomd op de lijst van de moeder zoals overgelegd is als productie 15 en waarvan een afschrift genummerd met een 2 aan deze beschikking is gehecht en alle andere spullen zoals opgesomd op de lijst van de vader zoals overgelegd is als productie 24 en waarvan een afschrift genummerd met een 3 aan deze beschikking is gehecht, zonder nadere verrekening en voor zover over al deze spullen nog niet hiervoor is beslist;
stelt vast dat de inboedel zoals blijkt uit productie 25 van de vader niet hoeft te worden verdeeld;
6.5.
gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres] als volgt:
bepaalt dat de waarde die volgt uit de taxatie van 10 april 2026 bindend is voor de ouders ten behoeve van het overnemen van de woning;
stelt de moeder in de gelegenheid om binnen drie maanden na het uitbrengen van het taxatierapport de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde waarbij de vader wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheek;
indien de moeder hierin niet slaagt: stelt de vader vervolgens in de gelegenheid om binnen drie maanden nadat de moeder heeft aangegeven dat zij hierin niet slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde waarbij de moeder wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheek;
bepaalt dat, in het geval de vader de woning overneemt, de moeder de echtelijke woning moet verlaten op de dag van de overdracht van de woning aan de vader;
6.6.
stelt vast dat de ouders het eens zijn over de afrekening van de met betrekking tot de echtelijke woning: van de taxatiewaarde van de woning moet eerst de hypotheek en het opgebouwde spaarsaldo worden afgetrokken. Daarna gaat eerst het door de vader uit privé geïnvesteerde vermogen van € 34.500,– eraf en wat dan overblijft wordt bij helfte tussen de vader en de moeder verdeeld;
6.7.
bepaalt dat de moeder voor het gebruik van de echtelijke woning een vergoeding aan de vader moet betalen in die zin dat zij vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking zowel de gebruikerslasten (als te doen gebruikelijk) als de eigenaarslasten die zijn verbonden aan de woning, dus inclusief de volledige hypotheeklasten voldoet;
6.8.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;
6.9.
houdt de beslissing op het verzoek tot het vaststellen van de zorgregeling aan;
6.10.
verzoekt ouders om binnen zes maanden na deze beschikking de rechtbank te informeren over de uitkomst van het ONS-traject en de gewenste wijze van verder procederen;
6.11.
wijst af al het meer of anders verzochte met betrekking tot alle overige nevenvoorzieningen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;
door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
[Afbeeldingen]
De helft van 12 vakantieweken per jaar: 6 weken x 7 dagen = 42 dagen. Daarnaast (52 – 12 =) 40 normale weken in een jaar x 4 dagen / 2 = 80 dagen bij de vader. Totaal 122 dagen per jaar bij de vader, dat is 1/3 van een jaar.