ECLI:NL:RBOVE:2026:2692
Parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Gebruik parkeerapp, parkeeractie te laat hervat.
Rechtbank Overijssel 28 May 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:2692
text/xml
public
2026-05-28T18:00:35
2026-05-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-05-21
ak_25_1550
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2692
text/html
public
2026-05-22T15:45:45
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:2692 Rechtbank Overijssel , 21-05-2026 / ak_25_1550
Parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Gebruik parkeerapp, parkeeractie te laat hervat.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1550
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 mei 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 82,10.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen belanghebbende als gemachtigde van de kentekenhouder. De heffingsambtenaar heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag op goede gronden heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op 9 mei 2025 om 16:01 uur stond de auto, met kenteken [kenteken], geparkeerd aan de Potgietersingel in Zwolle. Belanghebbende was op dat moment de bestuurder van de auto. Op dat moment was niet aan de aangifteplicht parkeerbelastingen voldaan, terwijl dit wel had gemoeten.
5. Belanghebbende heeft (wel) betaald van 14:57 uur tot 15:57 uur en van 16:02 uur tot 16:07 uur. Belanghebbende stelt dat zij een afspraak had die uitliep, waardoor zij de parkeeractie in de door haar gebruikte parkeerapp niet eerder dan vanaf 16:02 uur kon hervatten. Belanghebbende verzoekt om coulance vanwege de korte duur van de tijdsoverschrijding en haar overduidelijke intentie om te betalen. Belanghebbende vindt de opgelegde naheffingsaanslag buitenproportioneel.
Volgens belanghebbende wordt in veel gemeenten in de praktijk een redelijke marge van enkele minuten toegepast bij het controleren van parkeerbetalingen. Aan belanghebbende is te kennen gegeven dat geen coulance wordt toegepast. Belanghebbende verzoekt de rechtbank te toetsen of het beleid van de gemeente Zwolle op dit punt redelijk is.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Een naheffingsaanslag is geen straf maar een belastingaanslag. De naheffingsaanslag bestaat uit de niet voldane parkeerbelasting en de kosten die de heffingsambtenaar maakt voor het opleggen van de aanslag. Dit is geen buitenproportionele reactie, maar een (door)berekening van gemaakte en door de gemeenteraad jaarlijks vastgestelde kosten. Opzet, schuld of verwijtbaarheid zijn irrelevant voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige staan niet in de weg aan de heffing. Dit is alleen anders in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de belastingplichtige door onvoorziene omstandigheden zoals een acute (medische) noodsituatie niet in staat is de parkeerbelasting te betalen. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
7. Parkeerbelasting is direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd. Uit vaste rechtspraak volgt ook dat een parkeerder een redelijke termijn moeten worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke termijn begint direct nadat de auto wordt geparkeerd.
Zoals de heffingsambtenaar in het verweerschrift terecht opmerkt gaat het daarbij om de tijd die nodig is voor het voor de eerste keer starten van de parkeertransactie. Is eenmaal parkeerbelasting voldaan en wil de parkeerder de parkeeractie verlengen, dan wordt men geacht dit tijdig te doen. De parkeerder krijgt dan niet nogmaals een redelijke termijn om de parkeerapparatuur in werking te stellen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M. Timmerman, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.