Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:2769

Kort geding. Opheffing beslag.

Rechtbank Overijssel 27 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:2769 text/xml public 2026-05-27T18:00:32 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-20 C/08/347467 / KG ZA 26-110 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2769 text/html public 2026-05-22T15:01:30 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2769 Rechtbank Overijssel , 20-05-2026 / C/08/347467 / KG ZA 26-110
Kort geding. Opheffing beslag.
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/347467 / KG ZA 26-110

Vonnis in kort geding van 20 mei 2026

in de zaak van
1 [eiser 1] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],2. [eiser 2] B.V.,

te [vestigingsplaats 2],3. [eiser 3] B.V.,

te Zwolle,

eisende partijen,

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] hierna samen te noemen: [eisers],

advocaat: mr. H.P. van der Veen,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats 4],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. P.A. Josephus Jitta.
1De zaak en het oordeel in het kort 1.1.
[gedaagde] heeft meerdere conservatoire beslagen ten laste van [eisers] gelegd. [eisers] vorderen in deze kort geding procedure opheffing van die beslagen. Volgens hen heeft [gedaagde] in het beslagrekest belangrijke feiten verzwegen, heeft [gedaagde] beslag gelegd voor een te hoog bedrag, zijn de beslagen onnodig, is de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk en weegt het belang van [eisers] bij opheffing van de beslagen zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud daarvan.
1.2.
De voorzieningenrechter zal het ten laste van [eisers] gelegde beslag op de zogenaamde bliklijn opheffen alsmede de daarnaast ten laste van [eiser 3] gelegde beslagen.
2De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de producties van [eisers];- de producties van [gedaagde];- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eisers];- de pleitnota van [gedaagde].
3De feiten 3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn actief in de productie en handel van poedervormige voedingsmiddelen, waaronder begrepen zuivelproducten en babyvoeding. [eiser 3] houdt zich bezig met het beheer, de ontwikkeling en exploitatie van onroerend goed. [gedaagde] is actief op het gebied van het verpakken van diverse voedingsproducten, waaronder melkpoeder en andersoortige babyvoeding.
3.2.
In 2017 is [eiser 1], al dan niet samen met [eiser 2], een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met [gedaagde] en (destijds haar dochtervennootschap) [bedrijf] B.V. (hierna samen: [gedaagde] c.s.). Op grond daarvan heeft [gedaagde] c.s. een bliklijn in het pand van [eiser 3] aan de [adres 1] geplaatst, voor de verpakking van de door [eiser 1] geproduceerde babyvoeding. [gedaagde] c.s. zou zorgdragen voor de afzet van de producten in China. In de samenwerkingsovereenkomst is in artikel 10.1 opgenomen dat de bliklijn eigendom blijft van [gedaagde] c.s. en in artikel 8.2 is opgenomen dat [eiser 1], wanneer zij de bliklijn gebruikt voor de verpakking van producten voor haar directe afnemers, aan [gedaagde] een vergoeding verschuldigd is van € 300,- per geproduceerd product.
3.3.
Bij de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst zijn problemen ontstaan. [eiser 1] heeft, al dan niet samen met [eiser 2], de overeenkomst daarom op 19 augustus 2022 buitengerechtelijk ontbonden.
3.4.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben vervolgens een procedure tegen [gedaagde] c.s. gestart, die is geëindigd in een verstekvonnis van 30 juni 2021. Op grond van dat verstekvonnis moest [gedaagde] c.s. onder meer een bedrag van € 693.848,- en een bedrag van € 121.000,- aan [eiser 1] en [eiser 2] voldoen. [gedaagde] c.s. heeft niet betaald, waarna [eiser 1] en [eiser 2] executoriaal beslag gelegd hebben op het pand van [gedaagde] c.s. aan de [adres 2]. Op 27 december 2022 is het pand verkocht op een executieveiling voor een bedrag van € 1.450.000,-. Die executieopbrengst is in een depot bij de notaris geplaatst.
3.5.
Op 2 januari 2023 heeft [gedaagde] c.s. verzet ingesteld tegen het verstekvonnis en heeft zij een vordering in reconventie ingesteld voor afdracht van de gebruiksvergoeding die op grond van artikel 8.2 van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigd is voor productie voor eigen afnemers van [eiser 1]. Op 5 januari 2023 heeft [gedaagde] c.s. derdenbeslag onder de notaris gelegd op de executieopbrengst van het pand.
3.6.
Op 10 januari 2024 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in de verzetprocedure. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer [eiser 3] niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voeging en tussenkomst. In het eindvonnis van 2 april 2025 is [gedaagde] c.s. in conventie veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 547.332,15 aan [eiser 1] en [eiser 2], te vermeerderen met rente en kosten, en tot betaling van de proceskosten. In reconventie zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld tot betaling van € 50.589,- aan [gedaagde] c.s., te vermeerderen met rente en zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld in de proceskosten. Tegen dat eindvonnis is door beide partijen hoger beroep ingesteld.
3.7.
Op 6 november 2025 heeft de rechter-commissaris de definitieve staat van verdeling van de executieopbrengst van het pand van [gedaagde] c.s. opgemaakt en vastgesteld dat aan [eiser 1] en [eiser 2] een bedrag van € 650.000,- toekomt.
3.8.
Op 8 april 2026 heeft [gedaagde] [eisers] onder andere gesommeerd een vergoeding te betalen voor het voortgezet gebruik van de bliklijn na ontbinding van de overeenkomst. Op 17 april 2026 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag onder [eisers] en heeft de vordering begroot op € 1.810.750,-.
3.9.
[gedaagde] heeft op 20 april 2026 de volgende beslagen gelegd. (i) conservatoir derdenbeslag ten laste van [eiser 1] onder de ABN AMRO Bank, de ING Bank, de Rabobank en de ASN Bank, dat geen doel heeft getroffen, (ii) conservatoir derdenbeslag ten laste van [eiser 2] onder de ABN AMRO Bank, de ING Bank, de Rabobank en de ASN Bank, dat doel heeft getroffen voor een bedrag van € 437.000,-, (iii) conservatoir derdenbeslag ten laste van [eiser 3] onder de ABN AMRO Bank, de ING Bank, de Rabobank en de ASN Bank, dat doel heeft getroffen voor een bedrag van € 314.000,-, (iv) conservatoir beslag op een onroerende zaak van [eiser 3], aangeduid als [locatie 1], (v) conservatoir beslag op een onroerende zaak van [eiser 3], aangeduid als [locatie 2] en (vii) conservatoir beslag op de bliklijn ten laste van alle drie de vennootschappen.
3.10.
In de na het leggen van het conservatoir beslag aan [eisers] betekende dagvaarding heeft [gedaagde] onder meer het volgende opgenomen:

“De vordering van [gedaagde] in onderhavige procedure strekt derhalve tot hoofdelijke veroordeling van [eisers] en [eiser 3] tot (i) verstrekking van inzage in de productie, afzet en overige relevante gegevens met betrekking tot het gebruik van de Bliklijn op grond van artikel 194 Rv, (ii) vergoeding van de schade die [gedaagde] lijdt doordat zij de Bliklijn niet zelf heeft kunnen gebruiken en daarmee geen winsten heeft kunnen realiseren, nader op te maken bij staat, (iii) betaling van een gebruiksvergoeding van EUR 35.000 per maand vanaf 19 augustus 2022 tot aan het moment waarop het gebruik van de Bliklijn is geëindigd door teruglevering of betaling van de waarde van de Bliklijn, en (iv) teruglevering van de Bliklijn althans betaling van de waarde van de Bliklijn zoals in het tussen partijen aanhangige hoger beroep door een onafhankelijke taxateur zal worden vastgesteld, zulks naar keuze van [gedaagde]”.
4Het geschil 4.1.
[eisers] vorderen - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad,

primair de opheffing van de op 20 april 2026 gelegde conservatoire beslagen en, voor zover nodig, [gedaagde] te veroordelen om alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de beslagen op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per keer en € 5.000,- per dag dat niet aan het verzoek wordt voldaan.

[eisers] vorderen subsidiair de opheffing van alle op 20 april 2026 gelegde conservatoire beslagen, met uitzondering van het conservatoire beslag op de roerende zaken (waaronder de bliklijn) ten laste van [eiser 3] en [eiser 1] en, voor zover nodig, [gedaagde] te veroordelen om alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de beslagen op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per keer en € 5.000,- per dag dat niet aan het verzoek wordt voldaan.

[eisers] vorderen zowel primair als subsidiair [gedaagde] te verbieden om nieuwe beslagen te leggen op activa van [eisers] totdat onherroepelijk is beslist in de bodemprocedure, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500.000,- per overtreding en € 50.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
4.2.
[eisers] voeren aan dat de beslagen opgeheven moeten worden omdat [gedaagde] in het beslagrekest ten onrechte belangrijke feiten niet of onjuist heeft opgenomen en daarom in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld. Ook voeren zij aan dat het beslag vexatoir is omdat er voor een bedrag tussen de € 17.500.000,- en € 20.000.000,- beslag is gelegd terwijl beslagverlof is verleend voor een vordering van € 1.810.750,-. Verder voeren zij aan dat de beslagen onnodig zijn omdat [eisers] voldoende verhaal bieden en er geen vrees voor verduistering is. De vordering van [gedaagde] is volgens [eisers] summierlijk ondeugdelijk omdat [gedaagde] volgens hen ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de verschillende rechtspersonen en [eiser 2] en [eiser 3] aanspreekt voor het gebruik van de bliklijn door [eiser 1]. Ook voeren zij aan dat [eiser 1] naar aanleiding van het vonnis van 2 april 2025 al een vergoeding heeft betaald voor het gebruik van de bliklijn en voor dat gebruik bovendien ook al beslag is gelegd op de executieopbrengst van het pand in Heerenveen van € 650.000,-Tot slot voeren zij aan dat bij een belangenafweging het belang van [eisers] bij opheffing van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud daarvan.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en verzoekt, indien de beslagen (deels) moeten worden opgeheven [eisers] te gebieden vervangende zekerheid te stellen ter hoogte van het gelegde beslag, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] betwist kort samengevat dat zij in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld of dat de beslagen vexatoir zijn. Ook is er volgens haar wel een gegronde vrees voor verduistering omdat geld op de bankrekeningen eenvoudig weg te sluizen is en [eiser 3] het voornemen heeft haar panden te vervreemden of bezwaren. Verder is de vordering volgens [gedaagde] niet summierlijk ondeugdelijk omdat [eiser 1] en [eiser 2] de bliklijn nog steeds gebruiken, zonder dat zij daarvoor een vergoeding aan [gedaagde] betalen. Omdat [eisers] geen vergoeding aan [gedaagde] betalen en [gedaagde] de bliklijn door het gebruik van [eisers] ook niet zelf kan gebruiken, worden zij ten opzichte van [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt en/of handelen zij onrechtmatig. Ook moet een belangenafweging volgens [gedaagde] in haar voordeel uitvallen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. Artikel 705 Rv stelt niet als eis dat de beslagene een spoedeisend belang moet hebben bij het opheffen van het beslag.
5.2.
De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.
5.3.
[eisers] voeren meerdere grondslagen aan waarom de beslagen moeten worden opgeheven. De voorzieningenrechter zal die grondslagen in het navolgende bespreken. De voorzieningenrechter zal daarbij eerst ingaan op de vraag of [gedaagde] de waarheidsplicht heeft geschonden en daarna op de vraag of de vordering summierlijk ondeugdelijk is. Vervolgens zal de voorzieningenrechter ingaan op de vraag of het beslag onnodig of vexatoir (en daarmee onrechtmatig) is. Tot slot zal de voorzieningenrechter voor zover nog nodig een belangenafweging maken.
5.4.
[eisers] voeren aan dat [gedaagde] op veertien punten (zoals opgenomen in de kort geding dagvaarding onder 3.6) de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden omdat zij onwaarheden in haar beslagrekest heeft vermeld, althans dat zij belangrijke informatie heeft verzwegen, waardoor zij op onjuiste gronden verlof van de voorzieningenrechter heeft verkregen voor het leggen van de beslagen. Volgens [eisers] moeten de beslagen daarom worden opgeheven. [gedaagde] betwist dat zij de waarheidsplicht heeft geschonden.
5.5.
Eén van de door [eisers] gemaakte verwijten, betreft het feit dat [gedaagde] in haar beslagrekest heeft vermeld dat [eisers] € 650.000,- ontvangen heeft uit de opbrengst van de hiervoor onder 3.4. genoemde executie en niet vermeld heeft dat zij reeds op 5 januari 2023 beslag had gelegd op die aan [eisers] toekomende executieopbrengst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] daarover verklaard dat zij niet wist dat het beslag nog op de executieopbrengst rust en dat zij had verwacht dat de notaris het bedrag had uitgekeerd nadat de rechter-commissaris op 6 november 2025 de definitieve staat van verdeling had opgemaakt. Daar heeft zij aan toegevoegd dat het op 5 januari 2023 gelegde beslag op de € 650.000,- dient ter zekerheid van haar (reconventionele) vordering in de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 2 april 2025 omdat in die procedure alleen aanspraak is gemaakt op de contractuele gebruiksvergoeding tot de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst op 19 augustus 2022. De op 20 april 2026 gelegde beslagen waar het in deze procedure in kort geding om gaat, zijn gelegd ter zekerheid voor de vordering die zij in de (nieuwe) bodemprocedure heeft ingesteld en die ziet op een (gebruiks)vergoeding voor het gebruik van de bliklijn in de periode na ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst. Die vordering is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad. Omdat het beslag op de € 650.000,- dient als zekerheid voor een andere vordering dan waarvoor zij beslagverlof vroeg, was die informatie ook niet van belang voor het oordeel van de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft verleend, aldus [gedaagde].
5.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 21 Rv volgt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting geldt ook voor een beslagrekest. Als hieraan niet wordt voldaan, kan de voorzieningenrechter daaraan voor de degene die de verplichting van artikel 21 Rv schendt de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
5.7.
Juist is dat inlichtingen over een reeds gelegd ter zake doend beslag door de verzoeker in een beslagrekest opgenomen moeten zijn, omdat die de beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek mede kunnen bepalen. In haar dagvaarding in de bodemprocedure heeft [gedaagde] onderscheid gemaakt tussen de vordering die ziet op het gebruik van de bliklijn in de periode vóór de ontbinding van de overeenkomst op 19 augustus 2022 en de periode na de ontbinding daarvan. De voorzieningenrechter verwijst naar wat hiervoor vermeld is onder 3.10. In het beslagrekest van 16 april 2026 heeft [gedaagde] ook al opgenomen dat de vordering van [gedaagde] in de hoofdzaak ten aanzien van [eisers] ziet op een veroordeling tot betaling van een gebruiksvergoeding dan wel schadevergoeding van € 35.000,- per maand vanaf 19 augustus 2022 tot het eind van het gebruik van de bliklijn door [eisers] Daarmee is voldoende duidelijk geworden dat het beslag op de executieopbrengst van € 650.000,- is gelegd ter zekerheid voor een andere vordering dan die is ingesteld in de (nieuwe) bodemprocedure. Volledigheidshalve had [gedaagde] het beslag op de executieopbrengst wel in het beslagrekest kunnen opnemen, nu het betrekking heeft op een geschil tussen [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] dat sterk samenhangt met het geschil dat aan de orde is in de (nieuwe) bodemprocedure. Het staat echter niet vast dat het vermelden van dat beslag direct van invloed geweest zou zijn op de beslissing van de voorzieningenrechter en daarmee evenmin dat [gedaagde] met het oog op het verkrijgen van verlof tot het leggen van beslag, de voorzieningenrechter bewust een verkeerde voorstelling van zaken gegeven heeft. Aan het niet opnemen van deze informatie in het beslagrekest dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet de sanctie van opheffing van de beslagen te worden verbonden.
5.8.
De overige dertien door [eisers] genoemde punten waarop [gedaagde] volgens haar de waarheidsplicht heeft geschonden, zoals de waarde van de bliklijn, zijn onderwerp van discussie tussen partijen, maar [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd hoe deze punten – voor zover deze door [gedaagde] onjuist of onvolledig naar voren zijn gebracht in het beslagrekest – van invloed hadden kunnen zijn op de beslissing van de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft verleend. Aan die punten wordt daarom voorbij gegaan.
5.9.
[gedaagde] stelt in haar beslagrekest dat de bliklijn haar eigendom is en dat [eisers] daar, ook na ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst, zonder recht of titel gebruik van zijn blijven maken. Omdat zij de bliklijn zijn blijven gebruiken zonder daarvoor een gebruiksvergoeding te betalen en [gedaagde] daardoor zelf ook geen gebruik van de bliklijn kon maken, zijn [eisers] ten laste van [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt, althans gedragen zij zich onrechtmatig en lijdt [gedaagde] daardoor schade. Die schade begroot [gedaagde] op een bedrag van € 35.000,- per maand dat zij anders als gebruiksvergoeding zou hebben ontvangen voor de bliklijn.
5.10.
[eisers] voeren aan dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is. Volgens [eisers] spreekt [gedaagde] ten onrechte alle drie de vennootschappen aan voor het gebruik van de bliklijn, terwijl alleen [eiser 1] daarvan gebruik maakt. Ook stelt zij dat [eiser 1] al voor het gebruik van de bliklijn heeft betaald en bovendien al beslag gelegd is op het bedrag van € 650.000,- als zekerheid voor de vordering.
5.11.
De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling onderscheid maken tussen de tegen de verschillende vennootschappen gerichte vorderingen en tevens tussen de ten laste van die vennootschappen gelegde beslagen.

Ten aanzien van [eiser 3]
5.12.
[gedaagde] heeft om te beginnen conservatoir verhaalsbeslag ten laste van [eisers] gelegd op de bliklijn. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat zij eigenaar is van de bliklijn (zie onder meer het beslagrekest onder 1.6 en 3.2). Dat verhoudt zich niet met het gelegde conservatoir beslag, omdat [gedaagde] voor het verhaal van haar vorderingen verhaal moet zoeken op zaken die aan haar schuldenaren toebehoren. Daarmee is het op de bliklijn gelegde beslag, geen beslag als bedoeld in artikel 700 Rv jo artikel 711 Rv. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding dit beslag op te heffen. Ook indien de bliklijn geen eigendom meer van [gedaagde] is bestaat reden het beslag niet laten voortduren. Dat hangt samen met het antwoord op de vraag wie dan eigenaar van de bliklijn zou zijn en welke vorderingen [gedaagde] op de [eisers]-vennootschappen meent te hebben. De voorzieningenrechter gaat daar hieronder verder op in onder 5.14. en 5.17.
5.13.
Ten aanzien van het overige ten laste van [eiser 3] gelegde beslag overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [gedaagde] schrijft in haar beslagrekest, na vermeld te hebben dat [eiser 3] de bliklijn feitelijk onder zich houdt terwijl zij geen partij is bij de samenwerkingsovereenkomst en geen rechtsgrond heeft voor het houden van de bliklijn en ter beschikking stellen daarvan aan [eiser 1] en [eiser 2], dat [eiser 3] door dat laatste ten onrechte profiteert van een aan [gedaagde] toehorend bedrijfsmiddel. Dat leidt volgens [gedaagde] tot ongerechtvaardigde verrijking en/of onrechtmatig handelen jegens [gedaagde]. [gedaagde] laat echter na een onderbouwing van die ongerechtvaardigde verrijking of het onrechtmatig handelen te geven waarmee zij thans zou kunnen volstaan. De ongerechtvaardigde verrijking dan wel het onrechtmatig handelen zou, zo begrijpt de voorzieningenrechter, verbonden moeten zijn met het gebruik van de bliklijn ten behoeve van de productie en verpakking van babyvoeding. [gedaagde] heeft echter vooralsnog onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat [eiser 3], een volgens [eisers] op het beheer van onroerend goed gerichte vennootschap, daarbij betrokken is of is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] zelf naar voren gebracht dat de verdeling van de activiteiten tussen de verschillende [eisers]-vennootschappen onduidelijk blijft, omdat [eisers] daar onvoldoende inzicht in verschaft. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het in het kader van dit kort geding op de weg ligt van [gedaagde] om de betrokkenheid van [eiser 3] voldoende duidelijk te maken bij het laten toetsen van de deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] jegens [eiser 3]. [gedaagde] heeft nog wel geopperd dat [eiser 3] een vergoeding zou krijgen van [eiser 1] of [eiser 2] voor het gebruik van de bliklijn in een aan [eiser 3] toebehorend pand, maar – voor zover het betalen van een vergoeding al zou kunnen duiden op betrokkenheid bij de productie en verpakking van babyvoeding – blijft dat gezien de ontkenning van [eisers] slechts bij een suggestie.
5.14.
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de bliklijn niet langer haar eigendom is maar aan één van de [eisers]-vennootschappen toebehoort, kan zij daarop toch geen verhaal zoeken door het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eiser 3], omdat zij – zoals de voorzieningenrechter hiervoor overwogen heeft – haar vordering op [eiser 3] niet voldoende heeft onderbouwd. Weliswaar vermeldt [gedaagde] in de dagvaarding (zie hiervoor onder 3.10.) dat zij in de (nieuwe) bodemprocedure teruglevering van de bliklijn vordert dan wel betaling van de waarde van de bliklijn, in het beslagrekest noch in de dagvaarding heeft zij opgenomen dat de feitelijke grondslag voor de waardevergoeding het in eigendom verkrijgen van de bliklijn door [eiser 3] is. De grondslag beperkt zich tot het profiteren van een aan [gedaagde] toehorend bedrijfsmiddel door de bliklijn onder zich te houden en deze ter beschikking te stellen aan [eiser 1] en [eiser 2] ten behoeve van de productie en verpakking van babyvoeding.
5.15.
Nu de slotsom is dat gebleken is van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] jegens [eiser 3], zal de voorzieningenrechter de ten laste van [eiser 3] gelegde derdenbeslagen op de bankrekeningen van [eiser 3], de beslagen op het aan [eiser 3] toebehorende onroerend goed, te weten de kadastrale percelen aangeduid als [locatie 1] en als [locatie 2] en het op de bliklijn gelegde beslag in ieder geval voor zover dat ten laste is ten aanzien [eiser 3], opheffen.

Ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2]
5.16.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beslag op de bliklijn, voor zover dat gelegd is ten laste van [eiser 1] en [eiser 2], ook opgeheven moet worden om reden dat [gedaagde] meent dat de bliklijn haar toebehoort, terwijl zij juist zo nodig verhaal wil hebben op zaken van haar schuldenaren. Als al één van de [eisers]-vennootschappen eigenaar van de bliklijn geworden is, zou dat [eiser 3] als eigenaar van het pand waarin de bliklijn geplaatst is, moeten zijn. De voorzieningenrechter verwijst naar overweging 5.47. van het vonnis van 10 januari 2024 van deze rechtbank, waarin overwogen is dat [eiser 1] en [eiser 2] geen eigenaar zijn van het pand waarin de bliklijn staat. Dat betekent volgens de rechtbank dat die vennootschappen niet door natrekking eigenaar kunnen zijn geworden van de bliklijn. Als [gedaagde] zou willen betogen dat zij toch conservatoir verhaalsbeslag op de bliklijn kan leggen omdat [eiser 1] of [eiser 2] eigenaar van de bliklijn is, gaat dat betoog gelet op het voorgaande niet op. Het beslag op de bliklijn dient ook voor zover dit ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] gelegd is, opgeheven te worden,
5.17.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de vordering van [gedaagde] jegens [eiser 1] en [eiser 2] niet summierlijk ondeugdelijk is en overweegt daartoe als volgt. [eiser 1] erkent dat zij de bliklijn nog gebruikt voor de door haar geproduceerde voedingsmiddelen, maar voert ten eerste aan dat [eiser 1] en [eiser 2] voor dat gebruik op basis van het vonnis van 2 april 2025 al een vergoeding hebben betaald van € 50.589,- en [gedaagde] al beslag heeft gelegd op de executieopbrengst van € 650.000,-. Daar volgt de voorzieningenrechter haar niet in. Het bedrag van € 50.589,- dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben betaald, betrof de vergoeding voor het ‘eigen’ gebruik van de machine op grond van artikel 8.2 van de samenwerkingsovereenkomst vóór ontbinding van de overeenkomst. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor onder 5.7. heeft geoordeeld, is het beslag op de € 650.000,- gelegd als zekerheid voor die vordering. De vordering waarvoor zij de beslagen op 20 april 2026 heeft gelegd en waarvoor zij de bodemprocedure heeft aangespannen, ziet op een vergoeding voor het voortgezet gebruik van de machine ná ontbinding van de overeenkomst, op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad.
5.18.
[eisers] voeren ten tweede aan dat de door [gedaagde] gevorderde maandelijkse vergoeding van € 35.000,- gebaseerd is op de aanschafwaarde van de bliklijn van (volgens [gedaagde]) € 3.400.000,-, terwijl de bliklijn volgens het taxatierapport van Troostwijk een verkoopwaarde heeft van € 255.000,-. Indien van deze waarde wordt uitgegaan, is de gebruiksvergoeding aanzienlijk lager, waardoor de door vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is, aldus [eisers]. De voorzieningenrechter volgt hen niet in die stelling. [eisers] hebben op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de maandelijkse vergoeding aanzienlijk lager uitvalt dan het door [gedaagde] genoemde bedrag van € 35.000,- per maand. [gedaagde] baseert die vergoeding zoals hiervoor vermeld op de aanschafwaarde van de bliklijn. Het door [eisers] genoemde bedrag van € 255.000,- is een andere waarde, namelijk de waarde die zou gelden bij verkoop, waarbij de bliklijn wordt gedemonteerd en verkocht, waarna die in een ander pand moet worden geplaatst. Partijen voeren het debat nog over de waarde die als uitgangspunt zou moeten dienen bij het vaststellen van een gebruiksvergoeding. Op dit moment kan de voorzieningenrechter niet oordelen dat de benadering van [gedaagde] onjuist is. In dat verband merkt de voorzieningenrechter op dat deze rechtbank in haar vonnis van 2 april 2025 uitgaat van een waarde van de bliklijn ter hoogte van € 255.000,- bij haar oordeel over de door [gedaagde] gestelde onrechtmatigheid van de executie van het verstekvonnis van 30 juni 2021 en vooralsnog niet vaststaat dat die waarde maatgevend is voor de waarde die als uitgangspunt genomen zou moeten worden voor het bepalen van een vergoeding voor het gebruik van de bliklijn.
5.19.
[gedaagde] heeft gelet op het voorgaande voldoende onderbouwd dat er een kans is dat de bodemrechter in de door haar ingestelde bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat [eiser 1] en [eiser 2], ook na de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst, een vergoeding voor het gebruik van de machine moet betalen en dat die vergoeding gebaseerd zal zijn op een hogere waarde van de bliklijn dan € 255.000,-.
5.20.
[eisers] voeren nog aan dat [eiser 2] de bliklijn niet gebruikt en geen partij is bij de samenwerkingsovereenkomst en dat de vordering van [gedaagde] jegens haar op die grond summierlijk ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. [eisers] hebben zich in deze procedure voor het eerst op het standpunt gesteld dat [eiser 2] alleen afnemer is van de door [eiser 1] geproduceerde voedingsmiddelen en dat zij op geen enkele wijze betrokken is (geweest) bij het gebruik van de bliklijn of de samenwerkingsovereenkomst. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gezamenlijk de procedure gevoerd die heeft geleid tot het eindvonnis van 2 april 2025 en in die procedure hebben partijen gezamenlijk betaling van diverse schadevergoedingen door [gedaagde] gevorderd, zonder onderscheid te maken in de rechtspositie van beide vennootschappen en in hun betrokkenheid bij de samenwerkingsovereenkomst. Ook merkt deze rechtbank in haar vonnissen van 10 januari 2024 en 2 april 2025 zowel [eiser 1] als [eiser 2] met gebruikmaking van de benaming “[eisers]” aan als partij bij de samenwerkingsovereenkomst. In deze kort geding procedure hebben [eisers] onvoldoende gesteld om bij een summiere toetsing, in afwijking van het standpunt dat [eiser 1] en [eiser 2] in de eerdere procedure hebben ingenomen, ervan uit te kunnen gaan dat laatstgenoemde op geen enkele wijze betrokken is bij het gebruik van de bliklijn. Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] op [eiser 1] en [eiser 2] niet summierlijk ondeugdelijk is.
5.21.
[eisers] voeren aan dat het beslag onnodig is omdat [eiser 1] en [eiser 2] blijkens hun jaarrekeningen voldoende solvabel zijn, er geen vrees is voor verduistering en al beslag is gelegd op een bedrag van € 650.000,-. Verder voeren zij aan dat het beslag disproportioneel en onrechtmatig is omdat er in totaal voor een bedrag van tussen de € 17.500.000,- en € 20.000.000,- beslag is gelegd.
5.22.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. [eisers] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] onnodig is. Zij hebben onvoldoende onderbouwd waar uit volgt dat zij (ook nadat een vonnis in de bodemprocedure is gewezen) voldoende verhaal zullen bieden. Zij hebben, zoals [gedaagde] aanvoert, beide geen onroerende zaken in eigendom en [eiser 1] heeft ook geen banktegoeden waarop (conservatoir) beslag kon worden gelegd. [eisers] stellen dat de twee vennootschappen desondanks voldoende verhaal bieden maar laten na dat nader toe te lichten, waardoor de voorzieningenrechter daar aan voorbij gaat. De voorzieningenrechter overweegt verder dat, zoals hiervoor onder 5.7. is geoordeeld, het beslag op het bedrag van € 650.000,- is gelegd als zekerheid voor een andere vordering en daarom niet leidt tot het oordeel dat de op 20 april 2026 gelegde beslagen onnodig zijn. Ook hebben zij, mede gelet op de verschillende procedures die partijen tegen elkaar voeren en de beslagen die zij over en weer hebben gelegd, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geen vrees voor verduistering van (onder andere) de banktegoeden van [eiser 2] bestaat.
5.23.
Met betrekking tot de vraag of de beslagen disproportioneel en dus onrechtmatig zijn, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de ten laste van [eiser 3] gelegde beslagen en daarnaast het ook ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] gelegde beslag op de bliklijn opgeheven moeten worden. Dat betekent dat alleen de ten laste van [eiser 2] gelegde beslagen resteren. Omdat de ten laste van [eiser 2] gelegde bankbeslagen voor een bedrag van € 437.000,- doel hebben getroffen en de ten laste van [eiser 1] gelegde bankbeslagen geen doel hebben getroffen, zijn de door [gedaagde] gelegde beslagen niet (meer) disproportioneel. Dat betekent dat de resterende door [gedaagde] gelegde beslagen niet onrechtmatig zijn.
5.24.
Tot slot leidt ook een belangenafweging ertoe dat het beslag gehandhaafd blijft. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
5.25.
[eisers] stellen dat zij een zwaarwegend belang hebben bij opheffing van het bankbeslag ten laste van [eiser 2], omdat dit beslag een ernstige belemmering vormt voor hun dagelijkse bedrijfsvoering nu deze de liquide middelen blokkeert. Dit levert een belemmering op bij het voldoen van de lopende verplichtingen, zoals betaling van leveranciers, werknemers en van de overige vaste lasten. Verder voeren zij aan dat de kans klein is dat zij eventuele schade veroorzaakt door het beslag, op [gedaagde] kunnen verhalen omdat [gedaagde] geen feitelijke activiteiten in Nederland heeft en niet solvabel en liquide is en bovendien veel schuldeisers heeft.
5.26.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van [gedaagde] bij behoud van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van [eisers] bij opheffing daarvan. [eisers] voeren in de dagvaarding ten eerste aan dat [eiser 1] door het ten laste van [eiser 2] gelegde bankbeslag in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, maar zij lichten niet toe waaruit volgt dat eerstgenoemde vennootschap voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van de liquide middelen van de andere vennootschap. De voorzieningenrechter gaat daarom aan dit belang voorbij.
5.27.
[eisers] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser 2] door de bankbeslagen ernstig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad. Zij hebben alleen gesteld dat [eiser 2] niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, maar hebben niet inzichtelijk gemaakt welke verplichtingen dat zijn, hoeveel liquide middelen resteren na het bankbeslag en welke inkomsten te verwachten zijn. Er is daarom onvoldoende vast komen te staan dat de vennootschap niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen en zij daarom een zwaarwegend belang heeft bij opheffing van de beslagen. Het belang van [gedaagde] bij het conservatoire beslag weegt zwaarder omdat, zoals hiervoor onder 5.22. is overwogen, [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser 2] (mogelijk) geen of onvoldoende verhaal biedt wanneer [gedaagde] in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld. Dat [eisers] op hun beurt het risico lopen dat zij de schade die zij lijden wanneer vast komt te staan dat het beslag ten onrechte is gelegd, niet op [gedaagde] kan verhalen, maakt dit oordeel niet anders.

Conclusie beslagen
5.28.
Gelet op het voorgaande zal het beslag op de bliklijn ten laste van [eisers] en zullen de beslagen ten laste van [eiser 3] opgeheven worden. De vordering tot opheffing van het derdenbeslag op de bankrekeningen van [eiser 2] wordt afgewezen.
5.29.
De voorzieningenrechter zal de onder 5.28. genoemde beslagen overeenkomstig de vordering van [eisers] opheffen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Met dit vonnis zijn die beslagen dan ook opgeheven (zie HR 20 januari 1995, NJ 1995/413, Smokehouse/Culimer). De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eisers] om [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur alle (bij deurwaardersexploot verzochte) handelingen te verrichten die nodig zijn om de beslagen op te heffen op straffe van een dwangsom zo dat deze strekt tot nemen van maatregelen waarmee de opheffing van het beslag uitgevoerd wordt. Tot het nemen van die maatregelen zal de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordelen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] niet veroordelen om maatregelen te nemen om de beslagen opgeheven te houden. Dat gaat niet samen met de hierna te bespreken afwijzing van de vordering strekkende tot het opleggen van nieuwe beslagen. Tot slot ziet de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande geen aanleiding om, zoals [gedaagde] verzoekt, [eiser 3] te gelasten na opheffing van de beslagen vervangende zekerheid te stellen.

Verbod tot het leggen van nieuwe beslagen
5.30.
[eisers] vorderen ook een verbod voor [gedaagde] om nieuwe beslagen te leggen tot onherroepelijk op de vordering is beslist in de bodemprocedure op straffe van een dwangsom. Deze vordering wordt afgewezen. Op grond van artikel 3:276 BW en artikel 435 Rv mag een schuldenaar in beginsel het gehele vermogen van zijn schuldenaar beslaan. [eisers] hebben ook niet toegelicht op grond waarvan de vrees bestaat dat [gedaagde] opnieuw beslagen zal leggen voor dezelfde vordering. Ook heeft zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan op voorhand geoordeeld kan worden dat een volgend beslag al bij voorbaat onrechtmatig zou zijn. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om [gedaagde] te verbieden nieuwe beslagen te leggen.

Proceskosten
5.31.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



125,57

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



1.766,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.815,57
5.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
heft op de op 20 april 2026 ten laste van [eiser 3] gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken aangeduid als gemeente [locatie 1] en gemeente [locatie 2],
6.2.
heft op de op 20 april 2026 ten laste van [eiser 3] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de ABN AMRO Bank N.V., de ING Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en de ASN Bank N.V.,
6.3.
heft op het op 20 april 2026 gelegde conservatoire beslag op de bliklijn,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na een daartoe door eisers bij deurwaardersexploot gedaan verzoek, alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de opheffing van de onder 6.1., 6.2. en 6.3. genoemde beslagen uit te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per keer en € 5.000,- per dag dat niet aan het verzoek wordt voldaan, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.815,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.(mb)

Artikel delen