Datum vonnis: 23 juni 2026 Vonnis op tegenspraak (279 Sv) in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1996 op [geboorteplaats], Nederlandse Antillen,
woon- of verblijfplaats onbekend. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 juni 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigde raadsvrouw van verdachte mr. F.T.J. Stoof, advocaat in Breda, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, is aangevoerd. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 20 november 2022 te Enschede openlijk, te weten in het centrum van Enschede ter hoogte van [bedrijf 1] op/aan de [adres] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door:- één of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp, in het (boven)been althans het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of- één of meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen en/of- die [slachtoffer] ten val te brengen en/of- één of meermalen duwende en/of een trappende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer]. 3De bewijsmotivering3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aanwezig was bij de openlijke geweldpleging, dan wel dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op 20 november 2022 is aan de Noorderhagen in Enschede door meerdere personen geweld gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) die daardoor twee steekverwondingen heeft opgelopen in zijn bovenbeen. Naast het steken bestond het geweld – dat op camerabeelden is vastgelegd – uit duwen, slaan en schoppen. Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte persoon NN2 op de camerabeelden is. Op de beelden is te zien dat die persoon meerdere steekbewegingen maakt richting het lichaam van [slachtoffer]. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat NN2 [verdachte] is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen. Het dossier bevat processen-verbaal van verbalisanten die ter plaatse zijn geweest dan wel de camerabeelden van het incident hebben bekeken. Het beeld dat uit de bevindingen ontstaat is niet eenduidig. Nadat verbalisant [verbalisant 1] in eerste instantie een ander dan verdachte als persoon NN2 herkent, maakt zij een half jaar na het incident een proces-verbaal op waarin het verdachte is die zij op aanvullende camerabeelden van coffeeshop [bedrijf 2] als persoon NN2 herkent. Het loopje van persoon NN2 wordt daarbij als kenmerkend voor verdachte benoemd. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens bij de rechter-commissaris verklaard waarom zij in eerste instantie een ander als persoon NN2 had herkend. Tegelijkertijd is verbalisant Sonderen van oordeel dat diezelfde camerabeelden van coffeeshop [bedrijf 2] van onvoldoende kwaliteit zijn om herkenningen te kunnen opmaken. Verbalisant [verbalisant 2] maakt ook een herkenning op van persoon NN2 en refereert daarbij eveneens aan het typerende loopje van persoon NN2, maar koppelt dit juist aan een ander dan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken niet vastgesteld kan worden dat verdachte de stekende persoon NN2 is geweest. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen die tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte een van de andere geweldsplegers is, zodat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. 4De schade van benadeelde4.1 De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. 4.1 Het oordeel van de rechtbank De vordering heeft betrekking op het ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. 5De beslissing De rechtbank: vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.