Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3671

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

Rechtbank Overijssel 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3671 text/xml public 2026-07-07T18:00:15 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-06-30 AK_26_1746 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3671 text/html public 2026-06-30T13:20:31 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3671 Rechtbank Overijssel , 30-06-2026 / AK_26_1746
Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1746
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (hierna te noemen: [verzoeker]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift tegen het besluit van het college van 11 juni 2026. In dit besluit heeft het college aan [verzoeker] bijzondere bijstand toegekend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft met het besluit van 3 maart 2026 aan [verzoeker] bijzonder bijstand toegekend voor de kosten van seksuele zorg tot een bedrag van € 204,00 per twee maanden. Dit bedrag wordt maandelijks uitbetaald, zodat [verzoeker] per maand € 102,00 ontvangt. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie van de voorzieningenrechter is dat er in dit geval geen spoedeisend belang aanwezig is.
2.1.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.2.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van spoedeisend belang het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. [verzoeker] stelt dat er een medische noodzaak bestaat voor de seksuele hulpverlening die hij krijgt. Zonder deze zorg ontstaat er een ernstige, psychische ontregeling. Hij kan de kosten van € 204,00 per afspraak niet voorschieten. Het college vergoedt slechts € 102,00 per maand, waardoor hij de noodzakelijk zorg niet kan betalen, aldus [verzoeker]. Ter onderbouwing van de noodzakelijkheid van de zorg verwijst [verzoeker] naar een rapport van JPH Consult van 14 november 2024.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd, geen spoedeisend belang besloten ligt. Vaststaat dat er een noodzaak is voor de zorg die [verzoeker] ontvangt. [verzoeker] geeft in zijn verzoekschrift aan dat zijn zorgverlener per afspraak, eens per twee maanden, € 204,00 in rekening brengt. [verzoeker] ontvangt bijzondere bijstand om die noodzakelijke zorg te kunnen betalen. De hoogte daarvan is € 204,00 per twee maanden. Dit wordt in 2 termijnen uitgekeerd van € 102,00 per maand. [verzoeker] kan de zorg dan ook betalen met de bijzondere bijstand die hij ontvangt. Het is daarom ook niet gebleken dat [verzoeker] verstoken is van de noodzakelijk zorg. Uit wat [verzoeker] heeft aangevoerd blijkt niet dat hij in een situatie komt te verkeren die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Ook anderszins is niet gebleken van een voor [verzoeker] zo zwaarwegend belang, dat hij de behandeling van zijn bezwaarschift niet kan afwachten.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen