Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3814

WMO. Gegrond beroep. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. Onzorgvuldig onderzoek. Niet goed gemotiveerd. Procesbelang.

Rechtbank Overijssel 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3814 text/xml public 2026-07-06T11:41:44 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-06-29 ZWO 25/3563 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3814 text/html public 2026-07-06T11:41:11 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3814 Rechtbank Overijssel , 29-06-2026 / ZWO 25/3563
WMO. Gegrond beroep. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. Onzorgvuldig onderzoek. Niet goed gemotiveerd. Procesbelang.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3563
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )
gemachtigde: mr. K. Wevers,

en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college),
gemachtigde: [gemachtigde] .
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeeld de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen het besluit van het college om aan haar een persoonsgebonden budget van € 910,90 toe te kennen voor de aanschaf van een handbewogen rolstoel. [eiseres] is het daar niet mee een en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. [eiseres] heeft op 21 november 2021 een melding bij het college gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarin heeft zij gevraagd om een nieuwe handbewogen rolstoel. Met het besluit van 13 juni 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 is het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.
1.1.
Vervolgens heeft [eiseres] beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft dat beroep gelijktijdig met drie andere beroepszaken over de Wmo behandeld op een zitting van 16 november 2023. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat onderzoek noodzakelijk was.
1.2.
Destijds liep er ook een aanvraagprocedure voor een elektrische rolstoel. Met de beslissing op bezwaar van 13 maart 2024 is aan [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor een aangepaste elektrische rolstoel.
1.3.
Op 16 april 2024 heeft JPH Consult adviezen uitgebracht. De daaropvolgende zitting heeft op 29 april 2025 plaatsgevonden. Met de uitspraakvan 19 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
1.4.
Met het bestreden besluit van 5 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Het bezwaar is gegrond verklaard en voor aanschaf van een handbewogen rolstoel is een éénmalig pgb toegekend van € 910,90. Dit bedrag is gebaseerd op de aanschafprijs van een Excel G-lightweight rolstoel met comfort beensteunen en een stuurstoffleshouder.
1.5.
[eiseres] heeft beroep ingesteld en op 26 januari 2026 aanvullende gronden ingediend.
1.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college. Ook zorgverlener [zorgverlener] was aanwezig.
Standpunten van [eiseres]
2. Volgens [eiseres] is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Ondanks de uitspraak van de rechtbank is geen zelfstandig en specifiek advies ingewonnen naar de specifieke eisen die vanwege haar gezondheidssituatie nodig zijn bij een handbewogen rolstoel. In plaats daarvan heeft college zelf op basis van het advies en verhelderingsvragen aan JPH Consult en aan haarzelf, een programma van eisen opgesteld, dat is gebaseerd op eigen aannames en overwegingen. Vervolgens is op basis daarvan ten onrechte gekozen voor een rolstoel met een minimale uitvoering. Ook heeft het college niet inzichtelijk gemaakt hoe deze rolstoel veilig en adequaat kan worden gebruikt.
2.1.
Ook stelt [eiseres] dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Het college erkent aan de ene kant de ernst van haar beperkingen en de noodzaak van ondersteuning bij transfers en verplaatsingen, maar concludeert desondanks dat kan worden volstaan met een standaard handbewogen rolstoel zonder wezenlijke aanpassingen. Terwijl het vanwege haar gezondheidsklachten van belang is dat de rugleuning gekanteld kan worden en dat de rolstoel voorzien is van een goede hoofdondersteuning.
2.2.
Verder stelt [eiseres] dat ten onrechte is gemotiveerd dat weinig eisen aan de rolstoel gesteld hoeven worden, omdat het om incidenteel gebruik gaat voor snelle en eenvoudige verplaatsingen binnenshuis. Dat is namelijk niet zo, omdat zij de handbewogen rolstoel elke dag gebruikt en het ook gaat om verplaatsingen buitenshuis naar bijvoorbeeld de tandarts of het ziekenhuis. Dit zijn locaties waar zij met haar elektrische rolstoel niet altijd naar binnen kan, omdat de elektrische rolstoel daarvoor te breed is.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. De rechtbank licht dit als volgt toe.
3.1.
Deze beroepsprocedure bouwt voort op de uitspraak van 19 maart 2025. Voor de van belang zijnde feiten en het wettelijk kader verwijst de rechtbank dan ook naar die uitspraak. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat:

“ Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, met de verwijzing naar de elektrische rolstoel en de overweging dat een tweede rolstoel niet bijdraagt aan een vergroting van de zelfredzaamheid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

JPH Consult heeft in de adviezen expliciet vermeld dat de handbewogen rolstoel voor eiseres noodzakelijk is bij verplaatsingen binnenshuis en buitenshuis. Het college heeft niet uitgelegd waarom de adviezen van JPH Consult niet worden gevolgd. Voor zover het college er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat de handbewogen rolstoel als reserverolstoel voor de elektrische rolstoel is bedoeld, volgt de rechtbank dat niet. Al in de Wmo-melding is aangegeven dat de handbewogen rolstoel (ook) bedoeld is voor alle plaatsen waar een elektrische rolstoel niet naar binnen kan. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is ook van belang of het mogelijk is om de rolstoel geschikt te maken voor eiseres.”
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Er heeft geen (fysiek) onderzoek bij [eiseres] plaatsgevonden naar de speciek aan een handbewogen rolstoel voor haar te stellen eisen, gelet op haar beperkingen waaraan de rolstoel noodzakelijkerwijze dient te voldoen.

Dit, terwijl in de uitspraak is geoordeeld dat het van belang is dat de rolstoel geschikt is te maken voor [eiseres] . In plaats daarvan is het besluit gebaseerd op een advies van 16 april 2024 van JPH Consult dat via een videocall tot stand is gekomen en hoofdzakelijk gaat over de beperkingen die [eiseres] ondervindt in het gebruik van de huidige woning en het gebruik van een rolstoel binnenshuis. Daardoor is het gebruik buitenshuis niet bij die beoordeling betrokken, terwijl dat wel nadrukkelijk was bepaald in de uitspraak. Dat het college na het advies verhelderingsvragen aan JPH Consult en [eiseres] heeft gestuurd, maak dit oordeel niet anders. Het college heeft niet de deskundigheid om zelf op basis van eigen interpretatie van die antwoorden te beoordelen welke handbewogen rolstoel passend is en welke aanpassingen wel of niet nodig zijn. Tijdens de zitting heeft [eiseres] daarover navolgbaar toegelicht dat bijvoorbeeld een ergotherapeut die benodigde kennis wel heeft. Bovendien had [eiseres] in de antwoorden op de verhelderingsvragen het belang van een onderzoek benoemd, evenals het feit dat zij de handbewogen rolstoel ook dagelijks buitenshuis nodig heeft en aan welke eisen wat haar betreft de rolstoel zou moeten voldoen. Anders dan het college lijkt te stellen is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat het wel mogelijk is om een rolstoel te vinden die voldoet aan de specifieke vereisten.

De door haar na summier onderzoek gevonden rolstoel heeft weliswaar een motor, maar mogelijk is deze te verwijderen. Dit heeft [eiseres] niet nader onderzocht, omdat het vinden van een geschikte rolstoel primair op de weg van het college lag. De rechtbank kan [eiseres] hierin volgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 5 november 2025 vernietigen.
3.3.
De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal de rechtbank het college niet weer opnieuw opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De reden daarvoor is dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat [eiseres] per 1 juli 2026 gaat verhuizen naar een andere gemeente. Dit heeft tot gevolg dat het college vanaf dan niet langer verantwoordelijk is voor het verstrekken van een handbewogen rolstoel. De rechtbank gaat er wel vanuit dat het college met medeweten van [eiseres] zorgdraagt voor een warme overdracht van de benodigde informatie naar de nieuwe verantwoordelijke gemeente.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond, omdat het college onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand van haar gemachtigde krijgt [eiseres] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;

- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 53,- aan [eiseres] vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBOVE:2025:3159

Artikel delen