ECLI:NL:RBOVE:2026:4638
Nu de heffingsambtenaar [..] abusievelijk zijn verweerschrift en zijn nieuwe matrix over het onderhavige belastingjaar 2024 met waardepeildatum 1 januari 2023 niet als processtukken heeft overgelegd - en die onderbouwing dus ontbreekt -, en de gemachtigde in zijn inleidend beroepschrift van 28 maart 2025 geen andere stellingen heeft betrokken dan die reeds afdoende zijn weerlegd respectievelijk...
Rechtbank Overijssel 5 August 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4638
text/xml
public
2026-08-05T12:00:02
2026-07-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Overijssel
2026-07-29
ak_25_849
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4638
text/html
public
2026-07-29T11:43:41
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:4638 Rechtbank Overijssel , 29-07-2026 / ak_25_849
Nu de heffingsambtenaar [..] abusievelijk zijn verweerschrift en zijn nieuwe matrix over het onderhavige belastingjaar 2024 met waardepeildatum 1 januari 2023 niet als processtukken heeft overgelegd - en die onderbouwing dus ontbreekt -, en de gemachtigde in zijn inleidend beroepschrift van 28 maart 2025 geen andere stellingen heeft betrokken dan die reeds afdoende zijn weerlegd respectievelijk door de rechtbank geacht worden te zijn weerlegd in de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2025 over belastingjaar 2024 - waarin de heffingsambtenaar uitgaat van een liggingskwalificatie 2 - zal de rechtbank de waarde van de woning per 1 januari 2023 lager vaststellen dan de waarde ad € 249.000,- die de heffingsambtenaar per 1 januari 2024 ten behoeve van belastingjaar 2025 juist acht. De rechtbank zal de waarde in redelijkheid en billijkheid per 1 januari 2023 vanwege de aantrekkende woningmarkt ambtshalve vaststellen op € 229.000,-. Beroep gegrond.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrechtzaaknummer: ZWO 25/849
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
(gemachtigde mr. A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn,
(gemachtigde: [gemachtigde], tevens WOZ-taxateur).
Inleiding
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) per 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op
€ 268.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Hellendoorn voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar van 16 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het door belanghebbende tegen de beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Belanghebbende heeft op 17 december 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend en daarbij tevens overgelegd de uitspraak op bezwaar van 25 februari 2025, die betrekking heeft op belastingjaar 2025. Daarin heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde - naar de rechtbank begrijpt per 1 januari 2024 - verlaagd vastgesteld naar € 249.000,-, omdat het perceel is gecorrigeerd (van 500 m² naar 180 m² ten gunste van [adres]), het objecttype is aangepast en de gbo gewijzigd is van 100 m² naar 60 m². Belastingjaar 2025 vormt niet het onderwerp van geschil in onderhavige procedure.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 ter zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen mr. A. Bakker en namens de heffingsambtenaar [gemachtigde], WOZ-taxateur.
De rechtbank heeft de zaak aangaande de WOZ-waarde van de woning [adres] gelijktijdig/aansluitend behandeld (ZWO 25/850).
Feiten
1. Belanghebbende, voormalig schoonvader en tevens voormalig eigenaar van de woningen [adres] en [adres], heeft op 28 december 2018 bij de verkoop en levering van beide genoemde woningen (aan zijn thans voormalige schoonzoon, [naam], woonachtig [adres]) het recht van gebruik en bewoning van genoemde panden verkregen.
2. De woning (huisnummer [adres]) die belanghebbende bewoont, is geschakeld/twee onder een kap dan wel anderszins verbonden met huisnummer [adres]. De woning, bouwjaar 1965, heeft een gebruiksoppervlakte (gbo) van (gecorrigeerd) 60 m², een aanbouw van 28 m², een overkapping van 17 m², en staat op een kavel van (gecorrigeerd) 180 m².
Beoordeling
3 De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar van 16 januari 2025 (WOZ-waardering ad € 268.000,- in onderhavig belastingjaar 2024) de objectkenmerken - zij het niet volledig doch overigens correct - heeft aangepast/gecorrigeerd zoals hierboven vermeld en - en dat acht de rechtbank tevens van doorslaggevende betekenis - onder de randnummers 1 - 9 in genoemde uitspraak afdoende en gemotiveerd de gronden in het bezwaarschrift heeft weerlegd. De rechtbank verenigt zich hiermee en neemt deze motivering over en maakt die tot de hare.
4. Na randnummer 9 volgen echter in de daar weergegeven matrix (wederom en ten onrechte) de verouderde, incorrecte objectgegevens van de woning, qua gbo en qua perceeloppervlak. Die hadden in de matrix moeten worden vermeld als 60 m² respectievelijk 180 m². Wel is juist de kwalificatie 2 voor de onder gemiddelde ligging.
5. In de (aanvullende) beroepsgronden van 17 december 2025 hamert belanghebbendes gemachtigde erop dat blijkens de uitspraak op bezwaar van 17 december 2025 over belastingjaar 2025 (WOZ-waardering verlaagd tot € 249.000,-), in tegenstelling tot over onderhavig belastingjaar 2024, wél de juiste, bovengenoemde gecorrigeerde objectgegevens zijn doorgevoerd van 60 m² gbo respectievelijk 180 m² als perceelgrootte.
Daarmee staat volgens de gemachtigde vast dat de waardevaststelling per 1 januari 2023 (over belastingjaar 2024) onjuist is, omdat daarin (nog) wordt uitgegaan van een hogere WOZ-waarde ad € 268.000,-, terwijl in het daarop volgende belastingjaar 2025 de waarde juist lager is vastgesteld, op € 249.000,-.
6. Taxateur [gemachtigde] heeft ter zitting verklaard dat de heffingsambtenaar zijn aanvullend verweerschrift met de nieuwe matrix in beroep (taxatiewaarde woning per 1 januari 2023
€ 268.000,-) abusievelijk niet heeft overgelegd als gedingstukken, reden waarom de rechtbank die niet overgelegde stukken niet in ogenschouw kan nemen bij de beoordeling van de waarde van de woning per 1 januari 2023.
7. De rechtbank stelt vast dat het de heffingsambtenaar (bovendien) kennelijk niet lukt om de correcte objectgegevens qua gbo en perceelgrootte steeds volledig en correct te vermelden in de achtereenvolgende besluiten, in de motivering en de bijbehorende matrixen.
Zo staat in de uitspraak op bezwaar van 17 december 2025 (met betrekking tot belastingjaar 2025) onder randnummer 2 als perceelgrootte correct 180 m², maar in de bijbehorende matrix, na randnummer 8, wederom onjuist 500 m² als perceelgrootte.
8. Nu de heffingsambtenaar, naar hij ter zitting heeft verklaard, abusievelijk zijn verweerschrift en zijn nieuwe matrix over het onderhavige belastingjaar 2024 met waardepeildatum 1 januari 2023 niet als processtukken heeft overgelegd - en die onderbouwing dus ontbreekt -, en de gemachtigde in zijn inleidend beroepschrift van 28 maart 2023 (bedoeld zal zijn 2025) geen andere stellingen heeft betrokken dan die reeds afdoende zijn weerlegd respectievelijk door de rechtbank geacht worden te zijn weerlegd in de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2025 over belastingjaar 2024 - waarin de heffingsambtenaar uitgaat van een liggingskwalificatie 2 - zal de rechtbank de waarde van de woning per 1 januari 2023 lager vaststellen dan de waarde ad € 249.000,- die de heffingsambtenaar per 1 januari 2024 ten behoeve van belastingjaar 2025 juist acht.
9. De rechtbank zal de waarde gelet op het voorgaande in redelijkheid en billijkheid per 1 januari 2023 vanwege de aantrekkende woningmarkt ambtshalve vaststellen op
€ 229.000,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar zal vernietigen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing nemen en de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2023 vaststellen op € 229.000,-.
11. De heffingsambtenaar moet het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende vergoeden.
Proceskosten
12. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand. Deze proceskosten berekent de rechtbank aldus.
Bezwaarfase: indienen bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting (wegingsfactor 1) leidt tot 2 x 1 punt à € 666,- = € 1.332,-. Laatstgenoemd bedrag x 0,125 = € 166,50.
Beroepsfase: indienen beroepschrift en bijwonen zitting rechtbank (wegingsfactor 1) leidt tot 2 x 1 punt à € 934,- = € 1.868,-. Laatstgenoemd bedrag x 0,25 (Woz-factor) = € 467,-.
De proceskostenvergoeding bedraagt dus (exclusief het griffierecht) in totaal € 633,50.
Beslissing:
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2023 tot een bedrag van € 229.000,-;
vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht ter hoogte van € 53,00 aan belanghebbende vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 633,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. van Westerlaak, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.