ECLI:NL:RBROT:2026:10313
text/xml
public
2026-08-19T11:39:31
2026-08-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-07-22
10.013625.22
Uitspraak
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Rotterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:10313
text/html
public
2026-08-19T11:37:11
2026-08-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:10313 Rechtbank Rotterdam , 22-07-2026 / 10.013625.22
Veroordeling in verband met poging zware mishandeling tot gevangenisstraf van 41 dagen. Geslaagd beroep op noodweer vwb het snijden met het mes.
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.013625.22
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Datum zitting: 8 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [woonplaats] [postcode] ( [land] )
Advocaat van de verdachte: mr. R. Delgado
Officier van justitie: mr. B. Lijnse
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor een poging zware mishandeling door het slachtoffer met een fles tegen het hoofd te slaan. Voor het snijden met het mes komt aan de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toe. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 41 dagen opgelegd.
1Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een fles op het hoofd te slaan en hem met een mes in de arm en de rug te steken.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
primair
hij op of omstreeks 16 januari 2022 te Hellevoetsluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een (glazen) fles op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of met een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in pols, althans in de arm, en/of in de rug, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 16 januari 2022 te Hellevoetsluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, mmet een (glazen) fles op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of met een (brood)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in pols, althans in de arm, en/of in de rug, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2Ontvankelijkheid van de officier van justitie
2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Nadat het onderzoek is afgerond heeft de verdachte, ondanks aandringen van de verdediging, meer dan drie jaar moeten wachten op een zitting.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn inderdaad onwenselijk is, maar dat dit in dit geval niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Wel zal de officier van justitie hier rekening mee houden bij de formulering van de strafeis.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn fors is overschreden. Dit enkele feit maakt echter niet dat direct sprake is van een oneerlijk proces. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat geen sprake is van een eerlijk proces. Dit betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is. Wel houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafmaat.
3Bewijs
3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde feit omdat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs en – voor zover het ten laste gelegde wel bewezen wordt – er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. Het standpunt van de verdediging ten aanzien van het beroep op noodweer(exces), kan echter niet leiden tot de bepleite vrijspraak en wordt daarom bij de beoordeling van de strafbaarheid van het feit en de verdachte besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 16 januari 2022 heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een fles op het hoofd te slaan en hem met een broodmes in zijn arm en zijn rug te snijden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Aangifte [slachtoffer] , d.d. 16 januari 2022
[voornaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) stak mij één keer in mijn arm en ik was vervolgens in shock. Ik heb mij toen omgedraaid en misschien dat [voornaam verdachte] mij toen in mijn rug heeft gestoken. (…) Ik heb één keer een klap gekregen met een fles tegen mijn hoofd.
2. Proces-verbaal van de politieOp zondag 16 januari 2022 kregen wij het verzoek om te gaan naar de [adres 2] , huisje [huisnummer] in Hellevoetsluis. Aldaar zou een steekpartij hebben plaatsgevonden op 16 januari 2022.
Aantreffen mes
Ik zag dat onder het matras een mes lag. Ik zag dat dit mes een zilverkleurig lemmet had van ongeveer 25 centimeter. Ik zag dat er een rode veeg op het lemmet zat, gezien het gepleegde feit vermoedde ik dat dit bloed betrof. Ik zag dat het mes een zwart handgreep had van ongeveer 25 centimeter. Dit mes betrof een broodmes gelijkend voorwerp.
3. Proces-verbaal van de politie, verhoor getuige [naam getuige]Ik hoorde [voornaam verdachte] schreeuwen, ik hoorde de deur. Ik stond achter [voornaam verdachte] toen hij binnen kwam en [voornaam slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) sloeg met de fles.
4. Proces-verbaal van de politie, verhoor verdachte
In het eerste gevecht had [voornaam slachtoffer] een fles bij zich. Ik heb die fles van hem afgepakt.
(…)
Ik was in mijn kamer en [voornaam slachtoffer] vloog mijn kamer in en begon te slaan. Ik viel van het bed omdat ik [voornaam slachtoffer] van mij af wilde krijgen. Ik was erg bang van wat er speelde en wat er al was gebeurd. Ik zag dat mes daar liggen en pakte het mes. Ik begon met het met te zwaaien. Ik weet dat ik [voornaam slachtoffer] geraakt heb, maar weet niet waar, het was een angstig moment. Ik wilde alleen maar dat het ophield. Toen ik [voornaam slachtoffer] had geraakt en ik bloed zag, liep [voornaam slachtoffer] mijn kamer uit. (…) Hij zwaaide met zijn armen. Ik had het mes vast en wilde gebaren, bijvoorbeeld net alsof je muggen van je af wilt slaan. Ik heb hem toen wel geraakt aan zijn arm, want er was wel bloed. (…) Toen de politie kwam heb ik het mes snel onder mijn matras gelegd.
5. FARR verklaring [slachtoffer] , 1 april 2022Medische Informatie / Letselbeschrijving
S Informatie ontvangen van het van Weel Bethesda ziekenhuis, SEH, van het bezoek aldaar op 16-1-2022
O Oppervlakkige wond rechter hoofd van ongeveer 1 cm
Bloeduitstorting onder rechter oog
Oppervlakkige wond tussen de schouderbladen van ongeveer 5 cm
Op de onderarm een dwars lopende wond over de gehele breedte van de onderarm t/m hand.
E Wond pols met 9 hechtingen en wond rug met 3 hechtingen gesloten. Hoofdwond gelijmd.
P Bij ongecompliceerd beloop +/- 10 dagen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Op 16 januari 2022 hebben de verdachte en het slachtoffer in de bungalow waar zij op dat moment voor werk verbleven alcohol gedronken en is een ruzie ontstaan. Die ruzie is geëscaleerd in een vechtpartij. Op enig moment had het slachtoffer een fles vast die door de verdachte is afgepakt, waarna de verdachte het slachtoffer met de fles tegen het hoofd heeft geslagen. Na dit incident zijn de verdachte en het slachtoffer naar hun eigen slaapkamer gegaan. Op enig moment is het slachtoffer naar de slaapkamer van de verdachte gegaan en heeft hij de verdachte, die op dat moment in zijn bed lag, aangevallen. De verdachte heeft een mes dat naast zijn bed lag gepakt en is daarmee gaan zwaaien. Hierbij is het slachtoffer in zijn arm en zijn rug geraakt.
Niet kan worden vastgesteld dat de twee handelingen – het slaan met de fles tegen het hoofd en het zwaaien met het mes – een aanmerkelijke kans op de dood opleveren. De rechtbank overweegt dat het eenmalig slaan met een hard voorwerp tegen iemands achterhoofd, niet zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Dit kan anders zijn indien komt vast te staan dat met kracht tegen het hoofd is geslagen. De rechtbank kan dit op grond van het dossier echter niet vaststellen. Ook ten aanzien van het zwaaien met het mes overweegt de rechtbank dat dit niet zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Ook ten aanzien van dit handelen kan de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen wat de aard en intensiteit van de gedraging is geweest, waardoor ook niet kan worden vastgesteld of dit handelen een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Wel is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte, zoals hierboven beschreven, de aanmerkelijke kans met zich brachten dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
Het is daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling.
3.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
subsidiair
hij op 16 januari 2022 te Hellevoetsluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een fles tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en met een broodmes in de arm en in de rug van die [slachtoffer] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
4.2.1.
Beroep op rechtvaardigingsgrond en schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft voor de twee geweldsincidenten een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. De verdachte heeft zich volgens de verdediging bij beide geweldsincidenten moeten verdedigen.
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van noodweer, dan wel noodweerexces bij beide geweldsincidenten geen sprake is omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
4.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Het verweer slaagt deels. De rechtbank stelt vast dat er twee geweldsincidenten hebben plaatsgevonden. Eerst heeft een gevecht plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer waarbij de verdachte het slachtoffer met een fles tegen het hoofd heeft geslagen. Enige tijd later heeft het incident plaatsgevonden waarbij het slachtoffer door de verdachte is geraakt in zijn rug en zijn arm met een broodmes.
Het slaan met de fles tegen het hoofd
De verdachte verklaart dat hij de fles van het slachtoffer heeft afgepakt en dat hij niet meer goed weet wat er daarna is gebeurd. Wel staat vast dat de verdachte het slachtoffer vervolgens met de fles tegen het hoofd heeft geslagen. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat aannemelijk is dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Een dergelijke situatie is niet aannemelijk geworden op basis van de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de verklaring van de verdachte zelf, waardoor van een noodweersituatie geen sprake is. Gelet hierop wordt zowel het beroep op noodweer als noodweerexces verworpen.
Het snijden met het broodmes
De verdachte verklaart dat het slachtoffer die avond agressief was en veel geweld gebruikte. Nadat hij met het slachtoffer had gevochten, had de verdachte zich teruggetrokken in zijn eigen kamer. Hij lag op bed toen het slachtoffer zijn kamer binnen kwam en hem aanviel. De verdachte werd door het slachtoffer geslagen en van het bed afgetrokken. Vervolgens heeft de verdachte het broodmes gepakt dat op dat moment naast zijn bed lag en hiermee is hij gaan zwaaien om het slachtoffer van zich af te weren. Hierdoor is het slachtoffer twee keer geraakt.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte heeft met het mes gezwaaid en zo geprobeerd het slachtoffer van zich af te weren om de situatie, waarbij de verdachte werd aangevallen in zijn slaapkamer terwijl hij in zijn bed lag, te doen stoppen. Deze verdediging was naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk en geboden. De verdachte komt daarom een geslaagd beroep op noodweer toe. Het feit is daarom niet strafbaar ten aanzien van het steken met het broodmes in de arm en de rug van het slachtoffer. De verdachte wordt voor dit deel dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.
Conclusie
Met betrekking tot het slaan met de fles is het feit en de verdachte strafbaar. Met betrekking tot het snijden komt de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toe en wordt hij ontslagen van alle rechtsvervolging.
5Straffen
5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat aan de verdachte geen straf moet worden opgelegd in verband met het beroep op noodweer(exces). Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de verdachte geen gevangenisstraf meer kan worden opgelegd vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door het slachtoffer met een fles tegen het hoofd te slaan. Dit is een kwetsbare plek van het lichaam en bovendien kan het harde voorwerp (een fles) voor ernstig letsel zorgen. Er mag van geluk worden gesproken dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en hem letsel bezorgd en daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Wel stelt de rechtbank vast dat het incident heeft plaatsgevonden in een chaotische situatie waarbij door alle betrokkenen (veel) alcohol was genuttigd en er over en weer is gevochten.
5.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 9 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is inmiddels niet langer woonachtig of werkzaam in Nederland maar verblijft sinds een jaar in Duitsland.
5.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 16 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van meer dan 4,5 jaar verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden en dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
5.3.4.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt in dit geval ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 41 dagen opgelegd. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
6Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 41, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
7Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
verklaart het bewezenverklaarde partieel niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor dat deel van het bewezenverklaarde feit;
stelt vast dat het bewezenverklaarde voor het overige oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 41 (eenenveertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
8Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
Pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] , zie ook pagina 41 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .
Pagina 84 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] .
Pagina 91 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] .
Pagina 102 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6] .
FARR verklaring [naam arts] (forensisch arts) betreffende dhr. [slachtoffer] d.d. 1 april 2022.