Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBROT:2026:10316

De verdachte heeft, om te kunnen voorzien in zijn wietverslaving, meerdere spullen gestolen uit een woning en uit een schuur. De verdachte bekent de feiten. De verdachte is recidivist en heeft de feiten gepleegd tijdens twee lopende proeftijden. De tenuitvoerlegging van de daaraan verbonden voorwaardelijke gevangenisstraffen is gevorderd. De reclassering ziet nog mogelijkheden om de verdachte t...

Rechtbank Rotterdam 19 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:10316 text/xml public 2026-08-19T11:47:01 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-08-05 10-106374-26, TUL: 10-283854-21 en 10-009264-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Dordrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:10316 text/html public 2026-08-19T11:34:07 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:10316 Rechtbank Rotterdam , 05-08-2026 / 10-106374-26, TUL: 10-283854-21 en 10-009264-25
De verdachte heeft, om te kunnen voorzien in zijn wietverslaving, meerdere spullen gestolen uit een woning en uit een schuur. De verdachte bekent de feiten. De verdachte is recidivist en heeft de feiten gepleegd tijdens twee lopende proeftijden. De tenuitvoerlegging van de daaraan verbonden voorwaardelijke gevangenisstraffen is gevorderd. De reclassering ziet nog mogelijkheden om de verdachte te (blijven) begeleiden. De rechtbank legt daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met bijzondere voorwaarden en beveelt wel de volledige tenuitvoerlegging van de twee voorwaardelijke straffen.

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-106374-26

Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (TUL): 10-283854-21 en 10-009264-25

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Datum zitting: 22 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [locatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok

Officier van justitie: mr. S.E. Poutsma

Benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Kern van het vonnis

De verdachte heeft, om te kunnen voorzien in zijn wietverslaving, meerdere spullen gestolen uit een woning en uit een schuur. De verdachte bekent de feiten. De verdachte is recidivist en heeft de feiten gepleegd tijdens twee lopende proeftijden. De tenuitvoerlegging van de daaraan verbonden voorwaardelijke gevangenisstraffen is gevorderd. De reclassering ziet nog mogelijkheden om de verdachte te (blijven) begeleiden. De rechtbank legt daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met bijzondere voorwaarden en beveelt wel de volledige tenuitvoerlegging van de twee voorwaardelijke straffen.
1Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – spullen uit een woning heeft weggenomen door daar in te breken dan wel in te klimmen en dat hij spullen uit een schuur heeft weggenomen.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

Feit 1hij op of omstreeks 7 april 2026 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, uit een woning, te weten op/aan [adres 2] , een of meerdere horloges en/of sieraden en/of een zonnebril en/of een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Feit 2hij op of omstreeks 23 maart 2026 te Rotterdam uit een schuur behorende bij de woning op/aan [adres 3] en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan/op [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een boormachine, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, immers heeft verdachte de tuin van die woning betreden en/of de deur van de schuur behorende bij die woning geopend en zich daarmee de toegang tot die schuur verschaft.
2Bewijs 2.1.
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten: een diefstal met braak (feit 1) en een diefstal uit een woning op een besloten erf (feit 2).
2.2.
Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft de feiten bekend, maar de verdediging maakt wel de kanttekening dat er bij feit 1 geen sprake is van braak, nu het raam open stond en er enkel een hor vernield is om binnen te komen.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte goederen heeft weggenomen uit een woning door middel van inklimming (feit 1) en dat hij spullen heeft weggenomen uit een schuur (feit 2). Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring voor diefstal met braak, nu enkel een hor beschadigd is geraakt bij het inklimmen. Dit is dan ook te kwalificeren als een diefstal door middel van inklimming.

De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.2.2.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2]

3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende aangifte [slachtoffer 2]

4. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1hij op 7 april 2026 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, uit een woning aan [adres 2] , meerdere horloges en sieraden en een zonnebril en een tas, die aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Feit 2hij op 23 maart 2026 te Rotterdam uit een schuur op een besloten erf, gelegen aan [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een boormachine die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, immers heeft verdachte de deur van de schuur geopend en zich daarmee de toegang tot die schuur verschaft.
3Kwalificatie en strafbaarheid 3.1.
Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

Feit 2

diefstal op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4Straf 4.1.
Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging gaat uit van andere richtlijnen dan de officier van justitie, nu zij tot een iets andere bewezenverklaring komt. Zo is er onder feit 1 geen sprake van braak en moet er bij feit 2 rekening worden gehouden met het feit dat het een schuur betreft en geen woonruimte. De verdediging begrijpt dat een flinke voorwaardelijke straf moet worden opgelegd, maar verzoekt een lagere onvoorwaardelijke straf, zeker gelet op de gevorderde tenuitvoerlegging van twee gevangenisstraffen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen. De verdachte is een schuur binnengegaan en heeft daar een boormachine weggenomen. Ongeveer twee weken later is de verdachte via een ladder een woning ingeklommen door een raam dat op een kier stond. Hier heeft hij een grote hoeveelheid spullen weggenomen, waaronder sieraden en horloges. Dergelijke misdrijven veroorzaken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners en op de veiligheidsgevoelens binnen de samenleving als geheel en van de bewoners in het bijzonder. Het is voor de slachtoffers erg onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning of schuur is geweest en hun spullen heeft doorzocht. De eigen woning/het eigen perceel is bij uitstek een plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Dat gevoel van veiligheid is door de verdachte aangetast. De verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevoelens en was naar eigen zeggen op zoek naar spullen om te verkopen om zijn verslaving aan wiet te kunnen onderhouden en zijn dealer te betalen. De verdachte heeft zich dus laten leiden voor zijn eigen gewin. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en zelfs eerder de Maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) opgelegd heeft gekregen in verband met het plegen van vermogensdelicten. Bovendien liep de verdachte in twee proeftijden tijdens het plegen van de feiten. De rechtbank houdt hiermee rekening bij het bepalen van de strafmaat.

Rapport van de reclassering

Uit het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 13 juli 2026 blijkt ook dat er bij de verdachte sprake is van een delictpatroon van vermogensdelicten, voortkomend uit de verslavingsproblematiek. Bovendien beschikt de verdachte niet over een dagbesteding en is er sprake van schizofrenie en een licht verstandelijke beperking. Sinds 2024, na het afronden van de ISD-maatregel, staat de verdachte onder toezicht van de reclassering, welk toezicht wisselend verloopt omdat de motivatie van de verdachte varieert. In die tijd heeft de verdachte meerdere (klinische) behandelingen gestart en ook deels afgemaakt, maar dit heeft niet geleid tot gedragsverandering. Dit komt mede doordat de verdachte soms wegloopt ofwel clean moet zijn bij het starten van de behandeling. Momenteel is Antes als behandelinstelling betrokken en krijgt de verdachte ambulante begeleiding aan huis, hetgeen goed loopt. Er wordt geen heil gezien in een klinische behandeling omdat de kans dat de verdachte zich onttrekt groot is. Daarom wordt nu gedacht aan een beschermde woonvorm waar de verdachte na zijn detentie (waar hij gedurende een langere periode clean kan blijven) verder kan stabiliseren. Het recidiverisico op vermogensdelicten wordt ingeschat als hoog, gelet op bovenstaande. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging adviseert de reclassering beiden volledig ten uitvoer te leggen, zodat er één lopende proeftijd resteert en de verdachte niet onder drie verschillende proeftijden onder toezicht komt te staan. Daarnaast geeft dit de mogelijkheid om langere periode clean te blijven, nu de verdachte in de PI geen cannabis gebruikt.
4.3.3.
Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De officier van justitie heeft toegelicht dat ook zij naar deze richtlijnen heeft gekeken bij het bepalen van de eis. De rechtbank sluit zich aan bij de door haar geformuleerde eis. Daarom wordt een gevangenisstraf van 10 maanden opgelegd.

De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk, namelijk voor de duur van 5 maanden, voorwaardelijk opgelegd, zodat daar de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden en het huidige toezicht voortgezet kan worden. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.De bijzondere voorwaarden zijn:

Meldplicht bij de reclassering

Opname in een zorginstelling (indien geïndiceerd)

Ambulante behandeling

Verblijf in een begeleide woonvorm of maatschappelijke opvang

Beheersing van het middelengebruik
5Vordering van de benadeelde partijen 5.1.
Vordering [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben als benadeelde partijen voor feit 1 een bedrag van

€ 10.000,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij verwijzen in de vordering naar het politiedossier. In aanvullende stukken zijn foto’s van (een deel van) de weggenomen goederen overgelegd en een aantal bonnen ter onderbouwing van de vordering.
5.1.1.
Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partijen kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 2.203,70, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag is gebaseerd op de bedragen van de overgelegde facturen en een optelsom van de prijzen die getoond worden van de overige sieraden en zonnebril. De benadeelde partijen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu verder onduidelijk is gebleven wat de schade is.
5.1.2.
Standpunt van de verdediging

De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er kan niet worden vastgesteld dat de spullen waarvan vergoeding gevorderd wordt, ook daadwerkelijk door de verdachte zijn weggenomen en ook de waarde van die goederen is niet nader onderbouwd. Bovendien is de vordering te uitgebreid en ingewikkeld en leent die zich niet om in het strafproces te beoordelen. Ook een schatting kan om die redenen niet zonder meer gemaakt worden.
5.1.3.
Oordeel van de rechtbank

Het is duidelijk dat bij de diefstal de nodige spullen van de benadeelde partij zijn weggenomen. Echter is de omvang van de vordering op dit moment niet helder onderbouwd: er zijn foto’s van sieraden en enkele screenshots met prijzen overgelegd, maar een gedegen uiteenzetting van de weggenomen goederen, hoe zij te relateren zijn aan het dossier en de wijze waarop hun waarde door de benadeelde partij is bepaald, ontbreekt. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. Gelet op het voorgaande vraagt de beoordeling van de vordering om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering, waarvoor in het onderhavige strafgeding geen plaats is. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen dus niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.2.
Vordering [benadeelde partij 3]

[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij voor feit 2 een bedrag van

€ 238,77,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het betreft vergoeding van een weggenomen boormachine en luchtpomp.
5.2.1.
Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 180,87, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit de aangifte blijkt enkel van een weggenomen boormachine en deze schade is onderbouwd met een factuur. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu in de aangifte niet wordt gesproken over een luchtpomp.
5.2.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
5.2.3.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit, te weten een weggenomen boormachine. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de luchtpomp niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu deze niet gerelateerd kan worden aan het dossier. De verdediging heeft het overige deel van de vordering niet betwist en de vordering is onderbouwd. De vordering wordt daarom toegewezen tot een bedrag van €180,87. Dit betekent dat de verdachte € 180,87 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. Voor het overige deel van de vordering wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
5.2.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 maart 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6Vorderingen tot tenuitvoerlegging 6.1.
Vordering 10-283854-21 en 10-009264-25

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van 3 maanden (10-283854-21) en 1 maand (10-009264-25), omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden toegewezen.
6.3.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering in de zaak met parketnummer 10-283854-21 af te wijzen, omdat er al veel tijd is verstreken sinds het opleggen van deze voorwaardelijke straf. Ten aanzien van de andere vordering refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.4.
Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens twee proeftijden gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

Daarom worden de vorderingen toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen. De verdachte was een gewaarschuwd man en de proeftijd van de voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 10-283854-21 is zelfs al eens verlengd bij wijze van laatste kans. De verdachte heeft deze kans niet gegrepen en heeft opnieuw strafbare feiten gepleegd. Bovendien sluit de rechtbank zich aan bij het advies van de reclassering om de voorwaardelijke straffen ten uitvoer te leggen, zodat één lopende proeftijd resteert en de verdachte niet in drie verschillende proeftijden onder toezicht komt te staan.
7Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
8Beslissingen
De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

zich, indien de reclassering dit gedurende het toezicht toch nodig acht, tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Antes of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start nadat de reclassering de veroordeelde heeft doorverwezen en hij geplaatst kan worden. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Antes of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Door Middelburg of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de veroordeelde hier geplaatst kan worden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-283854-21)

beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 (drie) maanden, zoals opgelegd in het vonnis van 9 februari 2022;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-009264-25)

beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 (een) maand, zoals opgelegd in het vonnis van 18 maart 2025;

Vorderingen benadeelde partijen

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);

veroordeelt de verdachte aan [benadeelde partij 3] (feit 2), te betalen een bedrag van € 180,87 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de staat € 180,87 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. J.L. Luiten en L.B. Esser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 augustus 2026.

Mrs. Esser en Hoebe zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Verklaard tijdens de zitting van 22 juli 2026.

Aangifte diefstal uit woning op 7 april 2026, pagina 8-10 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .

Aanvullende aangifte diefstal uit woning op 7 april 2026, pagina 11-14 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .

Aangifte diefstal uit schuur op 23 maart 2026, pagina 1-3 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .

Artikel delen