ECLI:NL:RBROT:2026:5412
text/xml
public
2026-05-29T15:45:45
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-04-14
C/10/716434 / JE RK 26-486
Uitspraak
Beschikking
NL
Rotterdam
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5412
text/html
public
2026-05-29T15:01:13
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:5412 Rechtbank Rotterdam , 14-04-2026 / C/10/716434 / JE RK 26-486
verlenging ots
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716434 / JE RK 26-486
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 maart 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (telefonisch);
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Roemeense taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2] , tolk in de Roemeense taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 april 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan geen zorgen om de manier waarop [minderjarige] bij de moeder opgroeit. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is vooral gelegen in het onvoorspelbare en instabiele gedrag van de vader richting [minderjarige] en de moeder. De moeder is in staat en bereid om zich neutraal op te stellen ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader, maar de vader is wisselend bereikbaar en staat niet open voor begeleiding. De betrokkenheid van de GI is de aankomende periode nog nodig om de situatie te monitoren en te proberen duidelijke afspraken te maken over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Als de vader een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] , is het van belang dat hij zijn gedrag aanpast.
4De standpunten
4.1.
De moeder stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. Het is belangrijk voor [minderjarige] om te blijven werken aan het contact met de vader, maar de vader komt gemaakte afspraken niet na. De moeder vraagt zich af hoe lang het gedwongen kader in deze situatie nog passend is, maar zij is van mening dat voortzetting in het vrijwillig kader op dit moment nog niet mogelijk is.
4.2.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat er wel afspraken zijn gemaakt, maar dat hij hierbij niet serieus wordt genomen. Er is afgesproken dat eens per drie weken contact tussen de vader en [minderjarige] zou plaatsvinden, maar de vader heeft verder niets gehoord. Wanneer de vader wel naar afspraken komt, wordt hij niet toegelaten. De vader doet zijn best. Als de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd, is van belang dat alles duidelijk naar de vader wordt gecommuniceerd. De vader geeft aan dat de moeder door de jeugdbescherming wordt gemanipuleerd en bang gemaakt.
5De beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er geen zorgen bestaan om de manier waarop [minderjarige] bij de moeder opgroeit, maar dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] voornamelijk gelegen is in het onvoorspelbare en instabiele gedrag van de vader richting [minderjarige] en de moeder. Wanneer de vader een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] wil spelen, is het van belang dat [minderjarige] op structurele basis een veilige en voorspelbare omgang met haar vader kan hebben. Daarvoor is nodig dat de vader stappen zet richting stabilisatie van zijn leefomstandigheden en zich bewust is van zijn handelen en het effect daarvan op [minderjarige] en de moeder. De vader heeft daar ter zitting echter weinig blijk van gegeven. Belangrijk is dat de vader bereikbaar is voor de GI, zich begeleidbaar opstelt, zich aan gemaakte afspraken houdt en geen uitspraken doet die zorgen voor angst bij [minderjarige] en de moeder. De verdere betrokkenheid van de GI is nog nodig om regie te voeren en de situatie te monitoren, zicht te hebben op de veiligheid van [minderjarige] en te onderzoeken of en wanneer een overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk is. De kinderrechter acht dit binnen het vrijwillig kader nog niet mogelijk.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom verlengen voor de duur van zes maanden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 29 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.