ECLI:NL:RBROT:2026:6460
text/xml
public
2026-06-24T11:44:51
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-03-20
12014539 CV EXPL 25-26725
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6460
text/html
public
2026-06-24T11:44:03
2026-06-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:6460 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 12014539 CV EXPL 25-26725
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12014539 CV EXPL 25-26725
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de vennootschap onder firma [naam] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: G.J. Baijens,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 december 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de rolbeslissing van 16 januari 2026;
de akte van [eiseres] , met bijlagen.
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op basis waarvan [eiseres] werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit het vervangen van een cv-ketel. Voor deze werkzaamheden heeft [eiseres] een factuur van € 3.379,45 aan [gedaagde] gestuurd.
2.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] deze factuur, ondanks meerdere sommaties en een aangeboden betalingsregeling, niet heeft betaald. Zij eist dan ook betaling van dit bedrag (€ 3.379,45), vermeerderd met de rente tot aan de dagvaarding (€ 148,33) en de incassokosten (€ 462,95). In totaal komt dit neer op een bedrag van € 3.990,73. Tot slot eist [eiseres] betaling van de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van betaling en de proceskosten.
2.3.
[gedaagde] betwist de hoogte van de vordering niet en is bereid deze terug te betalen. [gedaagde] heeft in haar antwoord aangegeven dat haar maandelijkse inkomen van € 1.410,- destijds onvoldoende was om meer dan € 100,- per maand aan [eiseres] te voldoen. [gedaagde] gaf wel aan dat zij vanaf 9 februari 2020 een hoger bedrag zou kunnen terugbetalen, omdat zij vanaf dat moment volledig loon zou ontvangen.
Consumentenkoop en aanneming van werk
2.4.
In de rolbeslissing van 16 januari 2026 heeft de kantonrechter [eiseres] gevraagd om te verduidelijken of de overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan op afstand, buiten de verkoopruimte of op een andere wijze. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, heeft de kantonrechter [eiseres] in de gelegenheid gesteld toe te lichten welke informatie tijdens het bestelproces aan [gedaagde] is verstrekt en welke informatie [gedaagde] op een duurzame gegevensdrager heeft ontvangen.
2.5.
[eiseres] heeft in haar akte gesteld dat bij het sluiten van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst sprake is geweest van de persoonlijke aanwezigheid van de handelaar en consument op een andere plaats dan de verkoopruimte van de handelaar. Zodoende is volgens [eiseres] sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Uit de door [eiseres] overgelegde producties blijkt dat [gedaagde] op 5 februari 2025 contact heeft opgenomen met [eiseres] vanwege een storing aan haar cv-ketel. [eiseres] is een dag later bij [gedaagde] langsgegaan en heeft daar vastgesteld dat de cv-ketel moest worden vervangen. Vervolgens is [eiseres] op 11 februari 2025 opnieuw bij [gedaagde] langsgegaan om de cv-ketel te vervangen. Op diezelfde datum heeft [gedaagde] de opdracht voor de uit te voeren werkzaamheden ondertekend. Een dag later heeft [eiseres] de factuur en de algemene voorwaarden aan [gedaagde] toegezonden.
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst die zowel elementen van een consumentenkoop als van aanneming van werk bevat. De overeenkomst is enerzijds aan te merken als een consumentenkoop, omdat [eiseres] (voor de wet een handelaar) zich heeft verbonden roerende zaken, waaronder de cv-ketel, aan [gedaagde] (voor de wet een consument) te leveren en [gedaagde] zich in ruil daarvoor heeft verbonden tot betaling van de koopprijs. De overeenkomst bevat ook alle elementen van de overeenkomst van aanneming van werk, aangezien [eiseres] deze roerende zaken bij [gedaagde] heeft geïnstalleerd, zodat zij een werk van stoffelijke aard tot stand heeft gebracht, waarvoor [gedaagde] in beginsel moet betalen. Op grond van de wet zijn op zulke gemengde overeenkomsten zowel de regels van consumentenkoop als aanneming van toepassing.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieverplichtingen
Algemeen
2.7.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l aanhef en onder a, b, c, d en f BW. Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Schending informatieplicht: de totale prijs
2.8.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 6:230l aanhef en onder c van het BW. Dit artikel vereist dat de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moet geven over de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. [eiseres] heeft gesteld dat zij aan deze verplichting heeft voldaan, omdat de prijs voor de te verrichten werkzaamheden ter plaatse zou zijn vermeld. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] hiermee hebben ingestemd en de overeenkomst ter plaatse hebben ondertekend. Dit standpunt gaat echter niet op omdat de op 11 februari 2025 ondertekende overeenkomst de prijs exclusief belastingen vermeldt. Daarmee is artikel 6:230l aanhef en onder c van het BW geschonden.
2.9.
Het gaat om een essentiële schending van een informatieverplichting die voldoende ernstig is, zodat de betalingsverplichting wordt verminderd. Bij de vermindering van de betalingsverplichting van de consument heeft de kantonrechter de sanctierichtlijn toegepast die door de rechtbanken is opgesteld. Op basis daarvan wordt de betalingsverplichting van [gedaagde] verminderd met 20%, zodat een bedrag van € 2.703,56 aan hoofdsom overblijft (80% x € 3.379,45).
Oneerlijke bepalingen
2.10.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van bol.com oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. De kantonrechter moet oneerlijke bepalingen vernietigen. [eiseres] mag die bepaling dan niet gebruiken en ook geen beroep meer doen op aanvullend recht.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten betalen
2.11.
De incassokosten van € 462,95 worden afgewezen. Volgens de wet kan alleen aanspraak worden gemaakt op vergoeding van die kosten als de schuldenaar vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na de aanmaning (artikel 6:96 lid 6 BW). In het exploot van 2 juli 2025, waardoor [eiseres] [gedaagde] heeft aangemaand, is zij gesommeerd om te betalen “binnen veertien dagen na vandaag, dan wel binnen vijftien dagen nadat dit sommatie exploot is bezorgd”. Het betreft dus twee verschillende termijnen, waarvan de eerste niet voldoet aan de wet. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt dit met zich mee dat de aanmaning in zijn geheel niet voldoet aan de wet. Overigens voldoet ook de bepaling van artikel B.2 van de algemene voorwaarden niet aan de wet, omdat daarin onder meer staat dat administratiekosten en incassokosten in rekening mogen worden gebracht als niet binnen veertien dagen na factuurdatum wordt betaald. Die bepaling is daarom oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.12.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet rente betalen
2.13.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [eiseres] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW. Gelet op het afgewezen deel van de hoofdsom wordt de rente toegewezen over € 2.703,56. De rente wordt toegewezen vanaf 27 februari 2025, de datum van verzuim.
Geen betalingsregeling
2.14.
Uit het verweer van [gedaagde] volgt dat zij het verschuldigde bedrag in termijnen van € 100,- zou willen betalen. Daarvoor moet [eiseres] namelijk toestemming geven en dat heeft [eiseres] niet gedaan (artikel 6:29 BW). [gedaagde] kan wel contact opnemen met de gemachtigde van [eiseres] om te vragen of [eiseres] alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.354,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.703,56 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 27 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.354,78;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
67789
Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
De Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten (verkort: de sanctierichtlijn) is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68