ECLI:NL:RBROT:2026:7432
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat tussen partijen op 19 januari 2025 een betalingsregeling tot stand is gekomen voor het aflossen van de huurachterstand. Volgens eiseressen is gedaagde deze betalingsregeling niet meer nagekomen ondanks sommaties vanaf 1 november 2025. Eiseressen eisen betaling van het nog resterende bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en betaling van de procesko...
Rechtbank Rotterdam 8 July 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7432
text/xml
public
2026-07-08T08:56:17
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-06-12
12019556 CV EXPL 25-27166
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7432
text/html
public
2026-07-08T08:54:59
2026-07-08
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:7432 Rechtbank Rotterdam , 12-06-2026 / 12019556 CV EXPL 25-27166
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat tussen partijen op 19 januari 2025 een betalingsregeling tot stand is gekomen voor het aflossen van de huurachterstand. Volgens eiseressen is gedaagde deze betalingsregeling niet meer nagekomen ondanks sommaties vanaf 1 november 2025. Eiseressen eisen betaling van het nog resterende bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en betaling van de proceskosten. Gedaaagde is het niet eens met de eis en beroept zich op een afspraak die al vóór 19 januari 2025 tot stand is gekomen. Volgens die afspraak zou zij de openstaande huurachterstand niet meer hoeven in te lossen als zij de door haar gehuurde loods eerder zou verlaten. Kantonrechter oordeelt dat gedaagde aan de betalingsregeling is gebonden.
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12019556 CV EXPL 25-27166
datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres 1] , in haar hoedanigheid van testamentair vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
en
[eiseres 2] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
eiseressen,
gemachtigde: mr. R.C.H. Bruinier,
tegen
[gedaagde]
, die handelt onder de naam [bedrijf],
woonplaats: [woonplaats 3] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres 1] ’, ‘ [eiseres 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. [eiseres 1] en [eiseres 2] zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘eiseressen’.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 9 december 2025, met bijlagen;
het antwoord van [gedaagde] , met één bijlage;
de repliek, met bijlagen;
de reactie van [gedaagde] .
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat tussen partijen op 19 januari 2025 een betalingsregeling tot stand is gekomen voor het aflossen van de huurachterstand. Volgens eiseressen is [gedaagde] deze betalingsregeling niet meer nagekomen ondanks sommaties vanaf 1 november 2025. Eiseressen eisen betaling van het nog resterende bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en betaling van de proceskosten. [gedaagde] is het niet eens met de eis en beroept zich op een afspraak die al vóór 19 januari 2025 tot stand is gekomen. Volgens die afspraak zou zij de openstaande huurachterstand niet meer hoeven in te lossen als zij de door haar gehuurde loods eerder zou verlaten.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat eiseressen het gelijk aan hun zijde hebben. De eis wordt daarom toe gewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat is er gebeurd?
2.3.
[gedaagde] heeft op enig moment de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: [bedrijf] ) gehuurd. Eigenaren van [bedrijf] waren destijds [persoon A] en [eiseres 2] . Op 15 november 2023 is [persoon A] overleden. Zijn enig erfgenaam is de minderjarige [minderjarige] , die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door [eiseres 1] .
2.4.
Vanaf januari 2024 heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan.
2.5.
[eiseres 2] heeft in haar mail van 30 augustus 2024 aan [gedaagde] de factuur voor de maand september 2024 gestuurd met daarin opgenomen de huurachterstand. Voorts heeft zij daarin dringend verzocht de huurachterstand te voldoen. Ook in de daarna gestuurde mails met de maandelijkse factuur is telkens verzocht om met een plan te komen omdat de huurachterstand te hoog is opgelopen.
2.6.
Eiseressen hebben per aangetekende brief van 7 oktober 2024 en per mail van 18 oktober 2024 de huurovereenkomst tegen 1 december 2025 opgezegd.
2.7.
Bij brief van 30 december 2024 heeft de gemachtigde van eiseressen [gedaagde] gesommeerd om de huurachterstand, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten te voldoen.
2.8.
In reactie daarop heeft [gedaagde] per mail van 6 januari 2025 gereageerd. Daarin heeft zij onder meer aangegeven dat zij met betrekking tot de huurovereenkomst altijd contact heeft onderhouden met [eiseres 2] en [persoon B] en dat zij aan hen uitleg heeft gegeven over de oorzaak van de huurachterstand. Verder heeft zij aangegeven dat de huur nog niet zou zijn opgezegd, maar dat zij wel bezig is om de voorraad te verkopen zodat een oplevering mogelijk is. Ook geeft ze aan dat vanaf februari de lopende huur zal worden betaald, dat indien er meer mogelijkheden zijn ook de achterstand wordt ingelopen en dat het voor haar vreemd is dat het contact met [eiseres 2] en [persoon B] abrupt is verbroken en zij nu met een advocaat wordt geconfronteerd.
2.9.
Per brief van 9 januari 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen gereageerd en daarin onder meer aangegeven dat eiseressen een andere visie op de feitelijke gang van zaken hebben, dat de huurovereenkomst wel degelijk is opgezegd, dat [gedaagde] per Whatsapp de ontvangst van de mail van 18 oktober 2024 heeft bevestigd en dat de huur zonder meer op 30 november 2025 eindigt. In deze brief is ook een voorstel voor een betalingsregeling opgenomen:
“1. De huurovereenkomst wordt beëindigd per 30 november 2025, één en ander met inachtneming van de opzegging van 7 oktober 2024. (…)
2. De verschuldigde huur over 2025 blijft ongewijzigd op een bedrag van € 2.000,- per maand (…)
3. Door u wordt voldaan de volledige vordering van cliënten. Deze bedraagt per 10 januari 2025:
hoofdsom (openstaande huurtermijnen t/m januari 2025 € 26.000,00
wettelijke vertragingsrente t/m 10 januari 2025 € 615,25
buitengerechtelijke kosten € 1.252,35
reeds voldaan €
(…) -/-
Totaal, behoudens rente p.m. € 19.367,60
4. De in punt 3 omschreven vordering van cliënten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 januari 2025 tot en met de dag van algehele voldoening, zal door u worden voldaan in maandelijkse termijnen van € 500,00. Deze termijnen dienen telkens uiterlijk te worden voldaan en zijn bijgeschreven op de eerste dag van elke maand, te beginnen op 1 februari 2025;
5. Als u het vorenstaande niet, dan wel niet volledig of niet tijdig, nakomt dan zal (…) de mogelijkheid om in deelbetalingen (…) te voldoen (…) vervallen. De (…) vordering (…) is dan ineens en direct opeisbaar. (…)”
2.10.
Per mail van 19 januari 2025 heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt akkoord te gaan met het voorstel van 9 januari 2025.
2.11.
[gedaagde] heeft [bedrijf] op 1 november 2025 opgeleverd. Het termijnbedrag voor de maand november 2025 heeft zij niet betaald.
2.12.
Bij brief van 6 november 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen aan [gedaagde] verzocht de termijn van de maand november 2025 van € 500,- alsnog te voldoen en er op gewezen dat bij niet tijdige betaling de restant vordering ineens en direct opeisbaar wordt.
2.13.
Bij brief van 18 november 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen [gedaagde] erop gewezen dat zij ondanks de brief van 6 november 2025 te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de betalingsregeling van 19 januari 2025 omdat zij de termijnbetaling van november 2025 niet heeft betaald en dat de vordering van eiseressen nu ineens en direct opeisbaar is. De gemachtigde heeft daarom verzocht om het nog openstaande bedrag vermeerderd met rente tot en met 25 november 2025 te betalen.
2.14.
[gedaagde] heeft op dit verzoek niet gereageerd.
[gedaagde] moet een bedrag van € 15.246,21 betalen
2.15.
[gedaagde] moet een bedrag van € 15.246,21 betalen omdat zij gebonden is aan de betalingsregeling van 19 januari 2025. Zij is aan de betalingsregeling gebonden omdat zij op 19 januari 2025 met deze betalingsregeling heeft ingestemd.
2.16.
Aan de afspraken die partijen in de betalingsregeling hebben gemaakt zijn partijen gebonden, tenzij een van hen een geslaagd beroep op vernietiging of ontbinding doet. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is geen grond voor vernietiging of ontbinding van de regeling.
2.17.
Voor zover het klopt dat [gedaagde] al vóór 19 januari 2025 met [eiseres 2] en [persoon B] heeft afgesproken dat als zij [bedrijf] eerder zou verlaten de openstaande huurachterstand niet verder zou hoeven te worden ingelost, kan zij zich niet meer op die afspraak beroepen omdat zij nadien met het voorstel van de gemachtigde van eiseressen heeft ingestemd, zonder een voorbehoud te maken ten aanzien van hetgeen zij met [eiseres 2] en [persoon B] heeft afgesproken. Daarmee is die eerdere afspraak komen te vervallen.
2.18.
Van [gedaagde] had verwacht mogen worden dat indien zij van mening was dat zij al een afspraak met [eiseres 2] en [persoon B] had gemaakt over het inlossen van de huurachterstand, zij hiervan melding zou maken bij de gemachtigde van eiseressen. Dat heeft zij niet gedaan. Zowel in de mail van 6 januari 2025 als in de mail van 19 januari 2025 is op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat er al sprake was van een eerdere afspraak met [eiseres 2] en [persoon B] .
2.19.
In de dagvaarding hebben eiseressen de vordering gespecificeerd en gesteld dat deze € 15.246,21 bedraagt. De kantonrechter gaat van de juistheid van deze specificatie uit omdat [gedaagde] deze niet heeft weersproken.
[gedaagde] moet rente betalen
2.20.
[gedaagde] moet rente betalen. Rente is verschuldigd als er sprake is van vertraging in het voldoen van een geldsom. Partijen hebben in de betalingsregeling hier ook afspraken over gemaakt.
Voorstel om € 2.000,- tegen finale kwijting te betalen
2.21.
[gedaagde] erkent dat er een openstaand bedrag is, maar stelt dat door de gemaakte kosten haar financiële middelen zijn uitgeput. Zij is bereid om tegen finale kwijting € 2.000,- ineens te betalen. Eiseressen hebben met dit voorstel niet ingestemd.
Hoe vervelend de financiële omstandigheden van [gedaagde] ook zijn, deze hebben niet tot gevolg dat zij het openstaande bedrag van € 15.246,21 niet hoeft te betalen. Wel kan [gedaagde] na dit vonnis contact opnemen met de gemachtigde van eiseressen om te bezien of een betalingsregeling tot de mogelijkheden behoort.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.22.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan eiseressen moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 732,00 aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.884,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.23.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eiseressen dat eisen en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan eiseressen te betalen € 15.246,21 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 14.367,60 vanaf 26 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van eiseressen worden begroot op € 1.884,47 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.