ECLI:NL:RBROT:2026:7532
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen, maar stelt dat er stukken ontbreken en is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de compensatie. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en de hoogte van compensatie juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Rechtbank Rotterdam 29 June 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7532
text/xml
public
2026-06-29T11:56:51
2026-06-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-06-12
ROT 25/388
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7532
text/html
public
2026-06-29T11:15:22
2026-06-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:7532 Rechtbank Rotterdam , 12-06-2026 / ROT 25/388
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen, maar stelt dat er stukken ontbreken en is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de compensatie. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en de hoogte van compensatie juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/388
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen, maar stelt dat er stukken ontbreken en is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de compensatie. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en de hoogte van compensatie juist heeft vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 3 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 februari 2022 gegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft op 14 mei 2025, 7 april 2026 en 21 april 2026 nadere gronden ingediend. Verweerder heeft gereageerd met een nader verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft drie kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2000, [geboortedatum 2] 2001 en [geboortedatum 3] 2005. Ze heeft op 2 juni 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 28 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid. De Dienst Toeslagen heeft eiseres een compensatie ter hoogte van € 87.015,- toegekend. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd tot een bedrag van € 111.061,-. Met het besluit van 28 februari 2022 had de Dienst Toeslagen namelijk te weinig compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2011. Daarnaast is met het bestreden besluit vergoeding toegekend voor juridische hulp in de jaren 2008 tot en met 2011. Als gevolg van deze wijzigingen zijn verschillende compensatiecomponenten verhoogd.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die naar aanleiding van de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend, bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten. Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag indien aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De O/GS-tegemoetkoming blijft achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar.
6. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
7. Eiseres stelt dat zij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat zij niet over alle relevante gegevens beschikt. Zij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiseres dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft nagelaten het SAS-rapport, documenten uit de recent ontdekte datakluis met 64 miljoen bestanden en het document ‘afgehandelde zaken’ over te leggen. Eiseres beroept zich op een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgens haar volgt dat de Dienst Toeslagen gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
7.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiseres zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op haar betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de compensatieberekening moet kunnen worden getoetst als die in geschil is. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening aan de bestuursrechter overleggen.
7.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening, ontbreken. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Het dossier bevat voorts een schermafbeelding waaruit blijkt dat eiseres geen FSV-registratie op haar naam heeft staan. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kan de juistheid van de compensatieberekening worden getoetst. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar missen, zouden kunnen leiden tot een andere beoordeling. Het door eiseres genoemde arrest van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak stond vast dat het bestuursorgaan niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd en spitste het geschil zich toe op de vraag of het hof op grond van artikel 8:31 van de Awb aan die schending voorbij mocht gaan. Dat is een andere rechtsvraag dan die in deze zaak aan de orde is. Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling overweegt de rechtbank nog het volgende. Voor alle toeslagjaren waarvoor eiseres compensatie heeft aangevraagd, is compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid. Op grond van artikel 2.6, vierde lid, van de Wht blijft de O/GS-tegemoetkoming achterwege indien voor hetzelfde berekeningsjaar recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. De vraag of aan eiseres een O/GS-tegemoetkoming toekomt kan dus niet tot een andere beoordeling leiden. Stukken die uitsluitend zien op de O/GS-beoordeling, zijn om die reden geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van compensatie juist vastgesteld?
8. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen bij de berekening van de compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010 is uitgegaan van te lage bedragen. De Dienst Toeslagen heeft bij de berekening immers ten onrechte als uitgangspunt genomen het voorschotbedrag zoals dat was vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correctie. Eiseres verwijst naar artikel 2.2, onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht, waaruit volgens haar volgt dat de compensatie (ook) kan bestaan uit een bedrag vanwege het (destijds) niet toekennen van een kinderopvangtoeslag. Om vast te kunnen stellen welk bedrag destijds niet is toegekend, moet volgens eiseres alsnog worden vastgesteld op welk bedrag aan kinderopvangtoeslag eiseres recht had. Dat bedrag is destijds nooit berekend, omdat er een nihilstelling heeft plaatsgevonden. Dit betekent, volgens eiseres, dat voor het jaar 2009 had moeten worden uitgegaan van een bedrag van € 25.429,- in plaats van € 22.868,-. Voor het jaar 2010 had moeten worden uitgegaan van een bedrag van € 21.364,89 in plaats van € 14.626,-.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 2.2, onder a, van de Wht bepaalt, voor zover relevant, dat de compensatie bestaat uit (i) een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of (ii) het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht bepaalt vervolgens dat het bedrag aan compensatie gelijk is aan (i) het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of (ii) het bedrag dat als gevolg van de beschikking is teruggevorderd. In zowel 2009 als 2010 deed de situatie zich voor dat een voorschotverlening is beëindigd (situatie ii uit artikel 2.2, onder a, van de Wht) en het voorschotbedrag vervolgens is teruggevorderd. Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). De Dienst Toeslagen heeft in de berekening dus terecht als uitgangspunt genomen de voorschotbedragen zoals die zijn vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Indien eiseres van mening is dat de werkelijke geleden schade hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, staat voor haar de mogelijkheid open om op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht te verzoeken om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571.
ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, r.o. 11.2.