ECLI:NL:RBROT:2026:7534
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen voor toeslagjaar 2011. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag voor de toeslagjaren 2009 en 2010 terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond.
Rechtbank Rotterdam 29 June 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7534
text/xml
public
2026-06-29T11:57:52
2026-06-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Rotterdam
2026-06-12
ROT 25/2680
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7534
text/html
public
2026-06-29T11:22:04
2026-06-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBROT:2026:7534 Rechtbank Rotterdam , 12-06-2026 / ROT 25/2680
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen voor toeslagjaar 2011. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag voor de toeslagjaren 2009 en 2010 terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2680
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie aangevraagd voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012, maar slechts compensatie ontvangen voor toeslagjaar 2011. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag voor de toeslagjaren 2009 en 2010 terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 27 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 maart 2023 gegrond verklaard en compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2011.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft op 14 mei 2025, 7 april 2026 en 24 april 2026 nadere gronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een nader verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2005 en [geboortedatum 2] 2008. Eiseres heeft op 20 augustus 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht. De jaren waarvoor compensatie is aangevraagd zijn, in afstemming met eiseres, beperkt tot de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 27 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2009 tot en met 2012 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie op de grond van vooringenomen handelen of hardheid. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen alsnog compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2011. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiseres gericht tegen de beoordeling van de jaren 2009, 2010 en 2012 ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die naar aanleiding van de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten.
6. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van haar beroepsgronden.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
7. Eiseres stelt dat zij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat zij niet over alle relevante gegevens beschikt. Zij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiseres dat het persoonlijk dossier, het SAS-rapport, documenten uit de recent ontdekte datakluis met 64 miljoen bestanden en het document ‘afgehandelde zaken’ ten onrechte niet zijn overgelegd. Inzage in het SAS-rapport is volgens eiseres nodig om te kunnen vaststellen of alle relevante toeslagjaren zijn beoordeeld. In het ‘Informatie- en beoordelingsformulier’ staat in de tijdlijn van toeslagjaar 2009 bij 25 maart 2009: ‘XML, wijziging’. De aanduiding ‘wijziging’ wijst er volgens eiseres op dat al eerder (in ieder geval in het jaar 2008) sprake is geweest van kinderopvangtoeslag.
7.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiseres zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op haar betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de beoordeling van het recht op compensatie moet kunnen worden getoetst aan de hand van de stukken die daarop betrekking hebben.
7.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van het recht op compensatie, ontbreken.
7.2.1.
De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de toeslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2012 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de compensatie, ontbreken. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar missen, zouden kunnen leiden tot een andere beoordeling.
7.2.2.
Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling overweegt de rechtbank het volgende. Voor toekenning van een O/GS-tegemoetkoming is vereist dat aan de aanvrager een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Het moet dus vaststaan dat eiseres een verzoek om een betalingsregeling heeft gedaan en dat dat verzoek is afgewezen wegens de O/GS-kwalificatie. Niet is gebleken dat eiseres een dergelijk verzoek heeft gedaan. Dat eiseres een verzoek om een betalingsregeling heeft gedaan is naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk. De Dienst Toeslagen heeft onweersproken gesteld dat slechts een bedrag van € 327,- is teruggevorderd, te weten over het jaar 2009. Met de Dienst Toeslagen is de rechtbank van oordeel dat het onwaarschijnlijk is dat eisers hiervoor een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd.
7.2.3.
Ten aanzien van het SAS-rapport overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de enkele vermelding ‘XML, wijziging’ in de tijdlijn van toeslagjaar 2009 onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat al in eerdere jaren sprake is geweest van kinderopvangtoeslag. Uit de beschikbare SAS-overzichten en RKT-bestanden blijkt dat eiseres voor het eerst kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd in maart 2009, ingaande 1 april 2009. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen onweersproken gesteld dat als eiseres al in 2008 kinderopvangtoeslag ontving, ten aanzien van toeslagjaar 2009 in december 2008 al een voorschotbeschikking genomen had moeten zijn. Een dergelijke beschikking ontbreekt en is ook niet opgenomen in de tijdlijn over 2009. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de vermelding ‘wijziging’ in de tijdlijn vermoedelijk een administratieve fout betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. De vermelding ‘wijziging’ biedt daarom onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat ook het jaar 2008 of een eerder deel van 2009 in de beoordeling had moeten worden betrokken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit het Informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat de beoordeling, in afstemming met eiseres, is beperkt tot de jaren 2009 tot en met 2012. Als er in 2008 ook kinderopvangtoeslag was toegekend, had het meer voor de hand gelegen dat eiseres direct al bij de aanvraag had gevraagd om ook het jaar 2008 in de beoordeling te betrekken. Het SAS-rapport is daarom geen op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010?
8. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen voor de toeslagjaren 2009 en 2010 ten onrechte geen compensatie heeft toegekend.
2009
9. Eiseres voert aan dat voor het toeslagjaar 2009 ten onrechte geen compensatie is toegekend op de grond van vooringenomenheid. Volgens eiseres blijkt de vooringenomenheid uit het feit dat zij gedurende lange tijd met een terugvordering geconfronteerd is geweest, terwijl de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling werd uitbetaald. Daarnaast had zij bezwaar gemaakt tegen de verlaging van de kinderopvangtoeslag. Eiseres wijst erop dat het meer dan twee jaar heeft geduurd voordat op haar bezwaar is beslist en de situatie uiteindelijk is hersteld. Volgens eiseres heeft deze langdurige onzekerheid ertoe geleid dat de schuld lange tijd boven haar hoofd heeft gehangen, wat volgens haar als vooringenomen handelen moet worden aangemerkt.
9.1.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank kan zich voorstellen dat het belastend voor eiseres is geweest dat de bezwaarprocedure lang heeft geduurd en dat zij daardoor lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd. Op zichzelf is dat echter onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
2010
10. Eiseres betoogt dat voor het toeslagjaar 2010 ten onrechte geen compensatie is toegekend op de grond van vooringenomenheid of een te harde toepassing van het wettelijk systeem. De Dienst Toeslagen heeft in november 2013 en december 2013 (bijna drie jaar na afloop van toeslagjaar 2010) bedragen van € 1.042,- en € 708,- aan de kinderopvanginstelling betaald. Deze bedragen hadden betrekking op toeslagjaar 2010. De Dienst Toeslagen had die bedragen niet naar de kinderopvanginstelling maar naar eiseres moeten overmaken. Eiseres had de opvangkosten namelijk deels zelf voldaan. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen vooraf met haar had moeten afstemmen naar welk rekeningnummer deze bedragen moesten worden overgemaakt.
10.1.
De rechtbank ziet in de nabetalingen aan de kinderopvanginstelling geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomen handelen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem. De Dienst Toeslagen heeft terecht opgemerkt dat het in beginsel aan eiseres is om eventuele wijzingen in een rekeningnummer aan de Dienst Toeslagen door te geven. Niet in geschil is dat eiseres dat niet heeft gedaan. Voor zover eiseres al moet worden gevolgd in haar standpunt dat de Dienst Toeslagen, gelet op het tijdverloop (tussen het aflopen van toeslagjaar 2010 en de nabetalingen) had moeten checken of het rekeningnummer nog correct was, is het enkele feit dat de Dienst Toeslagen dat niet heeft gedaan hoogstens onzorgvuldig geweest. Dat geeft eiseres echter geen recht op compensatie op grond van de Wht.
Heeft de Dienst Toeslagen in strijd met artikel 6.7 van de Wht gehandeld?
11. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wht heeft verzonden. Volgens eiseres is haar daardoor ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om voorafgaand aan het primaire besluit een zienswijze in te dienen. Eiseres stelt dat dit in strijd is met artikel 6.7 van de Wht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
11.1.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Ten tijde van het nemen van het besluit van 27 maart 2023 luidde artikel 6.7, eerste lid, van de Wht anders dan momenteel het geval is. Uit de toenmalige tekst van artikel 6.7 van de Wht en de toelichting op de wetswijziging van 15 juli 2023 volgt dat de Dienst Toeslagen destijds alleen een vooraankondiging moest sturen bij een voorgenomen toekenning van compensatie. De verplichting om ook bij een voorgenomen afwijzing een vooraankondiging te sturen, is pas met de wetswijziging van 15 juli 2023 ingevoerd. Nu in het geval van eiseres sprake was van een voorgenomen afwijzing, was de Dienst Toeslagen ten tijde van het nemen van het besluit van 27 maart 2023 niet verplicht een vooraankondiging te verzenden. Van strijd met artikel 6.7 van de Wht of het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, r.o. 11.2.
Kamerstukken II 2022/23, 36352, nr. 3, p. 81.