Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBROT:2026:7681

Afwijzing aanvraag overname private schulden

Rechtbank Rotterdam 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:7681 text/xml public 2026-07-06T08:53:43 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-16 ROT 24/9486 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proces-verbaal NL Rotterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7681 text/html public 2026-07-01T10:16:48 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:7681 Rechtbank Rotterdam , 16-04-2026 / ROT 24/9486
Afwijzing aanvraag overname private schulden

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/9486

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [woonplaats] , eiser
en
De minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: [naam 2] ).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
1.2.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser is slachtoffer in de toeslagenaffaire. Hij heeft op 30 december 2023 een aanvraag gedaan voor compensatie van vijf schulden bij de ABN AMRO en een schuld BMW Financial Services Nederland. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.

3. Eiser betoogt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn schulden en verwijst hiervoor naar artikel 3:2 Awb. Door dit na te laten is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid.
3.1
De rechtbank is van oordeel dat het niet op de weg van de minister lag om bij schuldeisers zoals ABN AMRO te informeren naar de schulden van eiser. Dat zou ook niet zomaar kunnen. De minister heeft aan eiser bij brief van 20 juni 2024 (de ontvangstbevestiging van het bezwaar van eiser) aan eiser aangegeven wat hij nodig heeft om te beoordelen of een schuld voor compensatie in aanmerking komt. Daarmee heeft de minister eiser geholpen om de vereiste informatie aan te leveren. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat deze brief hem heeft geholpen om de informatie op te vragen. De minister heeft daarmee zorgvuldig gehandeld.

4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vervolgens ook contact heeft opgenomen met ABN AMRO en dat de bank heeft aangegeven dat eiser een schuld heeft bij hen, maar dat die schuld niet opeisbaar is. ABN AMRO kon daarom geen verklaring van de opeisbaarheid afgeven, aldus eiser.
4.1
Om voor compensatie van een afgeloste schuld in aanmerking te komen, bestaan er kort gezegd drie voorwaarden en een van die voorwaarden is dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Dat was bij eisers schulden bij ABN AMRO niet het geval en ook van eisers schuld bij BMW is dat niet gebleken.

Omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan voor de compensatie voor afbetaalde schulden, heeft de minister een juiste beslissing genomen. De regeling waar het hier om gaat, is niet bedoeld als compensatie voor schade, maar is bedoeld om mensen te helpen die te maken hebben met invorderingsmaatregelen door schuldeisers. Dat is bij eiser niet het geval.

Het bestreden besluit is daarom begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

5. Eiser voert verder aan dat het onevenredig is om aan hem geen compensatie toe te kennen voor de afgeloste schulden. In het geval van eiser is er geen sprake van onevenredigheid. Het gaat (gelukkig) goed met eiser en er is voor eiser geen schrijnende situatie. Er daarom geen disbalans tussen het doel dat wordt nagestreefd met de regeling die aan de orde is in deze zaak en de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.
Conclusie en gevolgen
6. Omdat de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Dit staat in artikel 4.1 lid 2 onderdeel a van de Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel delen