Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3791

Tussenuitspraak. Motiveringsgebrek. UWV in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3791 text/xml public 2026-06-02T17:00:20 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06 25/2821 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3791 text/html public 2026-06-01T11:45:57 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3791 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-05-2026 / 25/2821
Tussenuitspraak. Motiveringsgebrek. UWV in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/2821 WIA T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder
Procesverloop
1. Eiser heeft op 17 september 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 6 mei 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Lipman.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser is werkzaam geweest als productieplanner tot 14 mei 2021. Vervolgens heeft het UWV eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 30 november 2021 heeft eiser zich vanuit de WW ziekgemeld bij het UWV vanwege psychische klachten.
2.1.
De rechtbank moet beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 25 november 2023 terecht heeft vastgesteld op 33,45%. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is om de geduide functies te verrichten.

Medische beoordeling

3. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
3.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier van eiser bestudeerd, en hem psychisch geobserveerd en lichamelijk onderzocht tijdens het spreekuur van 16 januari 2024. In de rapportage van 12 februari 2024 heeft de verzekeringsarts gesteld dat eiser op medisch vlak bekend is met psychische stoornis door middelengebruik (cannabis) licht tot matig, een angststoornis en depressieve episode licht. Hij concludeert dat er bij onderzoek in feite weinig tot geen objectiveerbare zaken aan de orde zijn. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juli 2023. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren en Werktijden.
3.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier van eiser bestudeerd, kennisgenomen van het bezwaarschrift en eiser gesproken tijden de hoorzitting. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn er geen verzekeringsgeneeskundige gronden om tot een ander oordeel te komen dan de primaire verzekeringsarts. De gestelde diagnoses sluiten aan met wat bekend is over eiser vanuit het dossier. Er zijn volgens de verzekeringsarts b&b geen redenen om te veronderstellen dat de gestelde diagnoses incorrect zouden zijn.

- Afleiding door anderen (item 1.8.1)
3.3.
Eiser stelt dat de verzekeringsarts extra beperkingen moeten aannemen ten aanzien van afleiding door anderen (item 1.8.1), omdat eiser snel overprikkeld is en hij dit voornamelijk in drukkere omgevingen merkt.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling niet met medische informatie heeft onderbouwd. De verzekeringsarts b&b heeft in reactie op het beroepschrift gemotiveerd dat afleiding door anderen in beginsel niet medisch is gecontra-indiceerd. Dat is slechts anders als anderen eiser veelvuldig rechtstreeks storen, waardoor hij zijn werk moet onderbreken. De rechtbank acht van belang dat eiser volgens de verzekeringsarts b&b juist is aangewezen is op activiteiten in een omgeving waarin ook ten minste anderen in de buurt zijn zodat hij zich daar bij vragen of onzekerheid toe kan wenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts voldoende rekening gehouden met de betreffende klachten door een beperking op te nemen voor specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (item 1.8.3), waarmee eiser is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. De verzekeringsarts heeft volgens de rechtbank dan ook voldoende gemotiveerd waarom geen beperking aangenomen hoeft te worden ten aanzien van afleiding door anderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

- Productiepieken en deadlines (item 1.8.4)
3.5.
Daarnaast stelt eiser dat hij beperkt is ten aanzien van productiepieken en deadlines (item 1.8.4), omdat hij volgens de verzekeringsarts b&b beperkt zou zijn voor mentaal sterk stresserende activiteiten.
3.6.
De rechtbank volgt deze redenering niet, omdat de verzekeringsarts b&b in de rapportage (van 31 maart 2025) heeft opgenomen dat eiser beperkt is voor mentaal sterk stresserende activiteiten in de zin van een gevaar zettende omgeving. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een beperking ten aanzien van productiepieken en deadlines. Bovendien is hiermee in de FML reeds rekening gehouden door een beperking aan te nemen ten aanzien van werk zonder verhoogd persoonlijk risico, namelijk dat eiser niet kan werken in omstandigheden met verwondings- of ongevalsrisico, zoals op hoogtes/open water/verkeer/hete leidingen/open vuur/chemicaliën (item 1.8.6). Deze beroepsgrond slaagt niet.

- Sociaal functioneren (item 2.12)
3.7.
Eiser voert vervolgens aan dat meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van sociaal functioneren (item 2.12), omdat hij zoveel mogelijk andere mensen vermijdt in verband met vermijdende coping.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat eiser ook deze stelling niet met medische informatie heeft onderbouwd. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eiser het sociale contact kan aangaan en dat dit goed zou zijn voor hem; het vermijden van anderen werkt herstel belemmerend. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b geen aanleiding heeft hoeven zien om een extra beperking op te nemen ten aanzien van sociaal functioneren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

- Werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is (item 1.8.5)
3.9.
Ten slotte had volgens eiser een extra beperking aangenomen moeten worden ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is (item 1.8.5), omdat hij door verminderde aandriftverlies geen werk in een hoog handelingstempo kan uitvoeren. Eiser verwijst hiervoor naar de toelichting bij item 1.8.5 in de Basisinformatie Claim Beoordelings- en Borgingssysteem versie 6.0 (CBBS) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 februari 2015.
3.10.
Uit de rapportage van de verzekeringsarts blijkt dat sprake is van somberheidsklachten, verminderde eetlust en slapeloosheid. Bovendien heeft de verzekeringsarts de diagnose depressieve episode licht gesteld.
3.11.
De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat volgens de Basisinformatie CBBS bij een depressie het handelingstempo in het dagelijks leven niet per se verlaagd hoeft te zijn, maar dat in geval van aandriftverlies in werk geen hoog handelingstempo kan worden gerealiseerd. Zoals de CRvB in de door eiser aangehaalde uitspraak overweegt, volgt uit deze toelichting in de Basisinformatie CBBS dat in geval van een gebrek aan aandrift ervan uit moet worden gegaan dat door eiser in werk geen hoog handelingstempo kan worden gerealiseerd. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b in de reactie op het beroepschrift geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de stelling van eiser dat sprake is van aandriftverlies, en of er om die reden een extra beperking moet worden aangenomen ten aanzien van item 1.8.5. Gelet hierop acht de rechtbank de motivering van de verzekeringsarts b&b voor het niet opnemen van een beperking ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is, ontoereikend. Hiermee is sprake van een motiveringsgebrek. Het is aan het UWV om dit gebrek te herstellen, door de verzekeringsarts b&b alsnog te laten motiveren of op de datum in geding sprake was van aandriftverlies. De verzekeringsarts b&b dient vervolgens te beoordelen of er terecht geen beperking is aangenomen ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is (item 1.8.5), of dat hier alsnog een beperking voor moet worden aangenomen.

Arbeidskundige beoordeling

4. Over de arbeidskundige beoordeling zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen, omdat zij hiervoor mede afhankelijk is van de uitkomst van deze tussenuitspraak.
Conclusie en gevolgen
5. Uit wat de rechtbank in 3.11 heeft overwogen, volgt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals is opgenomen in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Als het UWV daarbij tot de conclusie komt dat de FML moet worden aangepast, moet er ook een herbeoordeling door de arbeidsdeskundige b&b plaatsvinden.
5.2.
De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
5.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het UWV dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
5.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:

- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

ECLI:NL:CRVB:2015:553.

Artikel delen