ECLI:NL:RBZWB:2026:3923
Raadsonderzoek tbv bodemprocedure gelast. Meer of anders gevorderde afgewezen
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:3923
text/xml
public
2026-05-28T12:17:12
2026-05-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-10
C/02/444959 / KG ZA 26-72
Uitspraak
Kort geding
NL
Middelburg
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3923
text/html
public
2026-05-28T11:56:19
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3923 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/444959 / KG ZA 26-72
Raadsonderzoek tbv bodemprocedure gelast. Meer of anders gevorderde afgewezen
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/444959 / KG ZA 26-72
Vonnis in kort geding van 10 april 2026
in de zaak van
[de grootouders vaderszijde] ,
wonende te [plaats] ,
eisers,
advocaat: mr. S.J. Nijssen te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde,
advocaat: mr. M. El Khababi te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de grootouders vaderszijde en de vrouw worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de mondelinge behandeling op 27 maart 2026.
1.2
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vordering te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Uit het huwelijk van de vrouw en de heer [persoon] is het navolgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
2.2.
Op 2 juli 2025 heeft de vrouw een echtscheidingsprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt, bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/437355 / FA RK 25-3477.
2.3.
[de grootouders vaderszijde] zijn gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast.
2.4.
[minderjarige] is een tijd lang onder toezicht van de GI gesteld. Gedurende deze ondertoezichtstelling is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de grootouders vaderzijde verleend met ingang van 13 november 2020 en tot 1 maart 2023.
2.5.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.6.
Op 2 april 2026 hebben grootouders vaderszijde een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/446770 / FA RK 26-1717) strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] .
3Het geschil
3.1.
De grootouders vaderszijde vorderen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. - [minderjarige] is de ene week van maandagmiddag tot en met dinsdagmiddag bij opa en oma waarbij opa en oma [minderjarige] van school ophalen en wordt op dinsdagmiddag door vader opgehaald dan wel door opa en oma teruggebracht naar moeder;
- [minderjarige] is de andere week van vrijdagmiddag tot en met dinsdagmiddag bij opa en oma waarbij opa en oma [minderjarige] van school ophalen en opa en oma brengen [minderjarige] dinsdagmiddag terug naar moeder of vader haalt [minderjarige] bij opa en oma op;
- dan wel een regeling als de voorzieningenrechter in het belang van [minderjarige] acht.
II. Onder veroordeling van de vrouw in de kosten van de onderhavige procedure.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de vordering van de grootouders vaderszijde en concludeert tot afwijzing van de vordering van grootouders vaderszijde met veroordeling van grootouders vaderszijde in de proceskosten.
3.3.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling neemt de voorzieningenrechter in deze situatie het spoedeisend belang van de grootouders vaderszijde bij hun vordering aan.
4.2.
Dat sprake is van family life als bedoeld in artikel 8 EVRM en dat grootouders vaderszijde daarmee in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staan, is door partijen verder niet betwist en staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook vast.
4.3.
Door en namens grootouders vaderszijde is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Grootouders vaderszijde hebben sinds medio oktober 2020 en tot 1 maart 2023 voor [minderjarige] gezorgd. Ook nadat [minderjarige] terug thuis bij zijn ouders is geplaatst, zijn grootouders vaderszijde een zeer grote en belangrijke rol in het leven van [minderjarige] blijven innemen. Zij zijn belangrijke hechtingsfiguren voor [minderjarige] en zijn veilige haven. Tot 16 mei 2025 hebben partijen de volgende door de Raad geadviseerde regeling gevolgd waarbij [minderjarige] in week 1 van vrijdag tot dinsdagmiddag bij grootouders vaderszijde verbleef en in week 2 van maandagmiddag tot dinsdagmiddag. Daarna heeft de vrouw plotseling besloten dat [minderjarige] niet meer naar grootouders vaderszijde mocht en sindsdien is er geen contact meer geweest. Van het voorstel van de vrouw om te videobellen, zijn grootouders vaderszijde niet op de hoogte. Vanwege de procedure tussen de ouders hebben grootouders vaderszijde zich aanvankelijk afwachtend opgesteld, maar nu blijkt dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader moeizaam tot stand komt. Grootouders vaderszijde willen graag weer contact met [minderjarige] en achten dat ook in zijn belang. Hoe langer er wordt gewacht, hoe schadelijker het voor [minderjarige] is. Grootouders vaderszijde doen verder nadrukkelijk afstand van de stelling van de vrouw dat zij hardhandig met [minderjarige] zouden zijn omgegaan of hem zouden hebben geslagen.
4.4.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De vrouw betwist dat er sinds 1 maart 2023 een regeling is geweest, zoals door grootouders vaderszijde is gesteld. [minderjarige] ging in het verleden wel logeren bij grootouders vaderszijde, maar dat was in het weekend. De vrouw erkent dat grootouders vaderszijde belangrijk voor [minderjarige] zijn en staat niet afwijzend tegenover omgang tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] , maar gezien het verleden moet dit op een veilige en zorgvuldige manier gebeuren. De vrouw heeft serieuze zorgen over de veiligheid, nu grootouders vaderszijde voorheen hardhandig met [minderjarige] zijn omgegaan. Ook heeft de vrouw eerder videobelmomenten voorgesteld, maar dat wilden grootouders vaderszijde niet. Daar komt bij dat de vrouw het noodzakelijk vindt dat eerst het contact tussen [minderjarige] en zijn vader goed en stabiel verloopt en daar is nog geen sprake van. Tussen hen vindt op dit moment contact via videobellen plaats. Het verloop van de opbouw van het contact moet worden afgewacht en ook het Raadsonderzoek in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders loopt nog. Ook de casusregisseur vanuit [jeugdhulp] heeft in deze situatie geadviseerd om prioriteit te geven aan het herstellen en vormgeven van het contact met de vader van [minderjarige] . Het contact met grootouders vaderszijde kan op termijn mogelijk zijn, mits dit veilig en zonder spanningen van beide kanten kan verlopen. De vrouw stelt dat toekomstig contact tussen [minderjarige] en grootouders vaderszijde stapsgewijs moet worden opgebouwd, beginnend met videobellen en daarna begeleide omgang. Zij acht het van belang dat de regie over de duur en opbouw van de omgangsmomenten bij de betrokken hulpverlening komt te liggen. Dat er sinds 16 mei 2025 geen contact meer is, is omdat de vrouw samen met [minderjarige] vanwege de onveilige thuissituatie genoodzaakt was om te vluchten naar een geheime opvanglocatie. De grootouders vaderszijde lijken dit niet te erkennen en gaan voorbij aan de impact hiervan voor [minderjarige] . Sinds dat de vrouw en [minderjarige] bij de geheime opvanglocatie verblijven, gaat het beter met [minderjarige] en laat hij zowel op school als thuis een duidelijke vooruitgang in zijn ontwikkeling zien. Het is van groot belang dat deze ontwikkeling niet wordt verstoord door belangen van volwassenen. Het op dit moment forceren van fysieke omgang is niet in het belang van [minderjarige] .
4.5.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders aan de Raad de opdracht is gegeven een Raadsonderzoek met betrekking tot het contact tussen [minderjarige] en zijn vader ten behoeve van de bodemprocedure te doen. De Raad heeft toegezegd om met spoed, met voorkeur binnen één maand, met dat Raadsonderzoek te gaan starten, waarbij de Raad voorstelt om daarnaast en vooruitlopend op de door de grootouders vaderszijde nog in te dienen bodemprocedure ook een Raadsonderzoek te doen naar de mogelijkheden van contact tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] . Temeer nu grootouders vaderszijde belangrijke hechtingsfiguren voor [minderjarige] zijn en het van belang is dat deze hechtingsrelatie blijft bestaan. Verder stelt de Raad dat contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader parallel kan lopen met het contactherstel tussen de vrouw en grootouders vaderszijde. Gedacht kan worden aan een herstelgesprek onder begeleiding van een professional, waarbij de Raad een rol voor de casusregisseur ziet weggelegd.
Raadsonderzoek ten behoeve van bodemprocedure en herstelgesprek
4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat grootouders vaderszijde belangrijke hechtingsfiguren voor [minderjarige] zijn en dat het belangrijk is dat er contact tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] gaat plaatsvinden. De vraag is wat een passend moment is en hoe het contact eruit moet komen te zien. Grootouders vaderszijde willen het liefst zo snel mogelijk weer contact met [minderjarige] , maar de vrouw wil eerst dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader goed en veilig verloopt. Tijdens de mondelinge behandeling is verder duidelijk geworden dat de Raad nog niet is gestart met het raadsonderzoek dat de rechtbank in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders heeft verzocht te verrichten. De Raad heeft toegezegd binnen één maand na heden met het onderzoek te zullen starten. Partijen stemmen ermee in dat er naast het raadsonderzoek in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders ook een raadsonderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] en grootouders vaderszijde in de door hen op 2 april 2026 aanhangig gemaakte bodemprocedure komt. Dat betekent dat de Raad zowel onderzoek zal gaan doen naar het contact van [minderjarige] met zijn vader als naar het contact van [minderjarige] met grootouders vaderszijde. De voorzieningenrechter benadrukt hierbij dat het gaat om twee aparte raadsonderzoeken en dat de Raad twee rapporten, ieder in de eigen bodemzaak, moet indienen. De procedure tussen de ouders staat los van deze procedure. De Raad heeft aangegeven voor beide onderzoeken vier maanden nodig te hebben.
Verder hebben partijen toegezegd om met elkaar een herstelgesprek onder begeleiding van een (al betrokken) professional aan te gaan. De vrouw zal hierover de casusregisseur vanuit [jeugdhulp] benaderen. Het is de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat er bij beide partijen veel pijn zit en dat er spanningen zijn. Die pijn en spanningen moeten worden besproken en verwerkt, voordat er kan worden gedacht aan enige vorm van onbelast contact tussen [minderjarige] en grootouders vaderszijde. De voorzieningenrechter verwacht van beide partijen dat zij meewerken aan het herstelgesprek en zich zullen inspannen om de onderlinge verhoudingen en communicatie in het belang van [minderjarige] te normaliseren. Hierbij is het van groot belang dat grootouders vaderszijde een neutrale positie innemen ten opzichte van de situatie tussen de ouders en dat partijen over en weer geen verwijten naar elkaar maken. Het gaat in deze procedure om [minderjarige] en het contact tussen [minderjarige] en grootouders vaderszijde en niet om de ouders.
4.7.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter, zoals aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling, ten behoeve van en vooruitlopend op de op 2 april 2026 ingediende bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/446770 / FA RK 26-1717 strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] , de Raad verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
Welke omgangsregeling tussen grootouders vaderszijde en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
De Raad wordt verzocht het advies en de rapportage in te brengen in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/446770 / FA RK 26-1717.
Proceskosten
4.8.
De proceskosten tussen de grootouders vaderszijde en de vrouw zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.9.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/446770 / FA RK 26-1717 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens uiterlijk 11 augustus 2026 rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven in r.o. 4.6 vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Vork, griffier.