ECLI:NL:RBZWB:2026:3926
Vervangende toestemming ID-kaart
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:3926
text/xml
public
2026-05-28T12:02:11
2026-05-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-10
C/02/442642 / FA RK 25-6254
Uitspraak
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Breda
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3926
text/html
public
2026-05-28T12:01:19
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3926 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/442642 / FA RK 25-6254
Vervangende toestemming ID-kaart
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442642 / FA RK 25-6254
Datum uitspraak: 10 april 2026
beschikking betreffende vervangende toestemming identiteitskaart
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , hierna toe noemen: [minderjarige 2] .
Als informant is in de procedure betrokken:
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 2 december 2025 ontvangen verzoek van de vrouw, met bijlagen;
- de op 9 december 2025 ontvangen nadere stukken van de vrouw.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 13 maart 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de man.
1.3
Alhoewel correct opgeroepen is de vrouw niet verschenen. De GI heeft zich – met bericht van verhindering – afgemeld voor de zitting.
2De feiten
2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Met de beschikking van deze rechtbank van 24 december 2024 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 maart 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] ;- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] .
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.5
Met de beschikking van 14 november 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 14 november 2025 en tot 14 november 2026.
3Het verzoek en de standpunten
3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om aan haar – ter vervanging van de toestemming van de man – toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel de vrouw daar herhaaldelijk om heeft verzocht, weigert de man zijn medewerking te verlenen aan het aanvragen van de identiteitskaarten.
3.2
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De man wenst geen toestemming te verlenen voor het aanvragen van een identiteitskaart voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man ziet daartoe op het moment geen noodzaak. De minderjarigen hebben pas vanaf hun veertiende een identiteitsbewijs nodig. Voor het ontvangen van zorg is enkel een zorgpas voldoende. Daarnaast vreest de man dat de vrouw de identiteitskaarten zal gebruiken om met de minderjarigen naar het buitenland te emigreren. Dit is altijd de wens van de vrouw geweest en de man heeft vernomen dat de vrouw een buitenlandse vriend heeft. De man vindt dat de vrouw, wanneer zij in het bezit van de identiteitskaarten is, te makkelijk zonder zijn toestemming de grens over kan gaan.
Ondanks dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat zij voor 2027 niet met de minderjarigen naar het buitenland zullen gaan, heeft de vrouw in december 2025 gemaild met het verzoek om toestemming te verlenen voor een vakantie naar het buitenland in 2026. Wanneer [minderjarige 1] volgend jaar naar een andere school gaat, is de vader wel bereid om toestemming te geven voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] .
4De beoordeling
4.1
Op grond van artikel 38 lid 1 van de Paspoortwet kan het verzoek om vervangende toestemming voor een identiteitskaart en/of paspoort in een verzoekschriftenprocedure zonder bijstand van een advocaat worden ingediend. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
4.2
In artikel 34 lid 1 van de Paspoortwet is bepaald dat bij een aanvraag door of ten behoeve van een kind een verklaring van toestemming wordt overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens artikel 34 lid 2 van de Paspoortwet kan op verzoek van een ouder die het gezag uitoefent de toestemming van de andere ouder met gezag worden vervangen door een verklaring van een rechter. Op grond van lid 5 van artikel 34 van de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.3
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat voor hen een identiteitskaart kan worden aangevraagd. In het algemeen is het in het belang van een kind dat hij of zij en/of zijn ouder vrijelijk kan beschikken over een geldig identiteitsbewijs. Er kunnen zich immers situaties voordoen, waarbij om een identiteitsbewijs van het kind wordt gevraagd. Indien een kind dan niet geïdentificeerd kan worden, kan daarmee stagnatie in de zorg en opvoeding van het kind ontstaan. Dit is niet in het belang van de minderjarigen. Het kunnen beschikken over een geldig identiteitsbewijs – ook voordat de minderjarigen de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt – is niet slechts noodzakelijk voor een eventuele vakantie naar het buitenland, maar ook voor het verkrijgen van zorg in Nederland. De identificatieplicht in de zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geldt – anders dan de man stelt – voor iedereen, ook voor kinderen onder de veertien jaar.
4.4
Voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart voor een kind van twaalf jaar of ouder is echter geen toestemming van de gezaghebbende ouders nodig. Deze aanvraag kan een kind van twaalf jaar of ouder op grond van artikel 34 lid 6 Paspoortwet zelf doen. Voor [minderjarige 1] is dus de (vervangende) toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart niet aan de orde. Voor de aanvraag van een paspoort is dat anders, maar daarop ziet het verzoek van de vrouw niet. Voor zover het verzoek om vervangende toestemming de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige 1] betreft, is toewijzing van het verzoek dus niet nodig. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
4.5
Dit is anders ten aanzien van het verzoek om vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart voor [minderjarige 2] , omdat hij de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt. Gelet op voorgaande overweging onder 4.3 is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat voor hem een identiteitskaart kan worden aangevraagd. De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de vrouw toewijzen en aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - een verklaring van toestemming tot het aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart voor [minderjarige 2] verlenen.
4.6
Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het bezit van een identiteitskaart onverlet laat dat toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig blijft om met de minderjarigen naar het buitenland te reizen.
4.7
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen kan worden uitgevoerd.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - een verklaring van toestemming tot het aanvragen van een identiteitskaart voor de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] ;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.