Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:3932

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Overweging over internationale bevoegdheid vanwege langdurig verblijf minderjarige in België middels een machtiging tot uithuisplaatsing. Hoofdverblijf is echter nog steeds in Nederland.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:3932 text/xml public 2026-05-28T11:59:41 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-10 C/02/444703 / JE RK 26-211 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3932 text/html public 2026-05-28T11:58:21 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3932 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/444703 / JE RK 26-211
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Overweging over internationale bevoegdheid vanwege langdurig verblijf minderjarige in België middels een machtiging tot uithuisplaatsing. Hoofdverblijf is echter nog steeds in Nederland.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/444703 / JE RK 26-211

Datum uitspraak: 10 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , (België)

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. A.H. van Haga uit 's-Gravenhage.

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam,
1Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 25 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;

het e-mailbericht van de moeder van 12 maart 2026;

de brief van de GI van 19 maart 2026;

de brief van mr. Haga van 19 maart 2026;

het bericht met bijlage van mr. Haga van 24 maart 2026;

de brief van mr. Pool van 25 maart 2026.
1.2.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten 2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 de ondertoezichtstelling [minderjarige] verlengd met ingang van 15 maart 2026 tot 15 april 2026. Tevens is verlengd de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de moeder) met ingang van 15 maart 2026 tot 15 april 2026.
2.3.
Op grond voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de moeder in [plaats] (België).
3Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt daarnaast om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de orde is nog het resterende deel van de verzoeken voor de duur van elf maanden.
4De mening van [minderjarige] 4.1.
heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij het goed vindt zoals het nu gaat. Zij is graag bij beide ouders en kan het ook goed vinden met de partner van de vader. Wel vindt zij het vervelend dat er gedoe is over buitenlandse vakanties. Verder heeft zij verteld dat het goed gaat op school.
5De standpunten 5.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat zij verzoekt de maatregelen te verlengen, in ieder geval totdat er een uitspraak is in de zaak over het hoofdverblijf en de zorgregeling. De GI begrijpt de wens van de vader dat [minderjarige] zo snel mogelijk terug bij hem komt wonen. De resultaten van de hulpverlening van [hulpverlening] zijn positief. Het traject is gericht op het krijgen van zicht op de opvoedsituaties en op het vormgeven van parallel solo ouderschap. [hulpverlening] geeft echter aan dat er geen grote stappen kunnen worden gezet zolang het hoofdverblijf en de zorgregeling niet definitief is bepaald.

[minderjarige] blijft herhalen dat zij duidelijkheid wil en dat zij wil dat beide ouders evenveel in haar leven zijn en dat deze gezamenlijk gedragen afspraken met elkaar kunnen maken. Realiteit is dat [minderjarige] de afgelopen jaren al een aantal keer is verhuisd van de vader naar de moeder en andersom en dat dit veel onrust met zich heeft meegebracht/meebrengt. Zij beweegt zich op dit moment letterlijk en figuurlijk in twee leefwerelden. In het kader van de uithuisplaatsing zijn er met de vader en diens partner afspraken gemaakt die gelden als [minderjarige] bij de vader is. Afgesproken is dat de partner dan ook aanwezig en/of bereikbaar is voor [minderjarige] als zij bij de vader is. De voorwaarden die betrekking hebben op verbaal of fysiek geweld, onveilig of onvoorspelbaar gedrag zijn voor iedere ouder altijd geldend. Sinds [hulpverlening] is betrokken bij het gezin, zijn er geen signalen meer over spanningen in het gezin van de vader. Wel wordt van [minderjarige] teruggehoord dat zij soms alleen thuis is omdat de vader dan aan het werk is. De zorgen omtrent de samenwerking van tussen de vader en de moeder zijn onverminderd. Gelet op de jarenlange kwetsbare situatie tussen de ouders en het patroon waarin conflicten dermate escaleren dat het belang van [minderjarige] uit het oog wordt verloren, wenst de GI de huidige situatie in stand te laten. De GI vindt dat er zo snel als mogelijk duidelijkheid moet komen voor [minderjarige] . Voor nu is een machtiging uithuisplaatsing echter nog noodzakelijk. Als deze machtiging er niet is, kan de vader feitelijk op elk moment het verblijf van [minderjarige] in België stopzetten.
5.2.
Door en namens de vader is aangevoerd dat de vader geen verweer voert tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Binnen de ondertoezichtstelling dienen er nog doelen te worden behaald. De ouders gaan de problemen niet met elkaar kunnen oplossen. De vader wil dat de ondertoezichtstelling met een jaar wordt verlengd maar refereert zich op dat punt aan het oordeel van de kinderrechter. De vader is het echter niet eens met de eventuele verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in afwachting van de beslissing in de zaak over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken ten aanzien van [minderjarige] .

Uit het raadsonderzoek in die zaak is gebleken dat beide opvoedsituaties goed zijn. Ook [hulpverlening] en de GI hebben op dat punt geen zorgen en ook school geeft aan geen verschil te zien tussen de situatie dat [minderjarige] bij de vader verblijft met de situatie dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. De vader betwist de stellingen van de moeder. De partner van de vader is altijd beschikbaar voor [minderjarige] , [minderjarige] hoeft niet in de ijssalon te werken en zij gaat op tijd naar bed. Er zijn dus geen zorgen over de opvoedomgeving bij de vader. Ook betwist de vader dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Daarmee ontbreekt het aan de noodzaak voor een uithuisplaatsing en dus is er sprake van een inbreuk in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien dient er tijdens een uithuisplaatsing naar een thuisplaatsing toe te worden gewerkt en dit wordt nu door de GI nagelaten. Daarnaast kleeft voor de vader de onterechte betichting van kindermishandeling aan de uithuisplaatsing. Ook is hij bang dat een uithuisplaatsing bij de moeder in zijn nadeel werkt bij de zaak over het hoofdverblijf en de zorgregeling. De vader is, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard, bereid om in het geval de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet verlengt, de situatie te laten voor wat het is, in die zin dat [minderjarige] voorlopig bij de moeder blijft wonen. Hij acht het niet in het belang van [minderjarige] als voor de zitting op 10 april 2026 iets verandert. Mocht de kinderrechter wel een machtiging verlenen, dan dient deze in duur te worden beperkt. Als is bepaald waar [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft dan is het de vraag of een machtiging uithuisplaatsing nog nodig is.
5.3.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat er nog steeds gronden zijn voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De zorgen die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 13 november 2025 had zijn er nog steeds. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en om de afspraken tussen de ouders te kunnen waarborgen. De ouders zijn bezig met het vormgeven van parallel solo ouderschap en communiceren enkel per e-mail met elkaar. [minderjarige] heeft eerder zorgelijke uitlatingen gedaan over de vader die hebben geleid tot een spoeduithuisplaatsing. De veiligheidsafspraken die destijds gemaakt zijn, zijn inmiddels afgeschaald. Dat er nu een ruimere zorgregeling is, heeft te maken met het vormgeven van het parallel solo ouderschap. De moeder maakt zich echter zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Zo zou [minderjarige] mee moet helpen in de nieuwe ijssalon van de vader, soms langere tijd alleen thuis zijn en zou zij laat naar bed gaan. Ook zou de partner van de vader niet of onvoldoende beschikbaar zijn voor [minderjarige] . De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is dus noodzakelijk. De moeder kan zich, gelet op de zitting op 10 april 2026 , wel voorstellen dat de machtiging voor een korte duur wordt verlengd, bijvoorbeeld voor vier tot zes maanden. Mocht de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen, dan dient nadrukkelijk in de beschikking te worden opgenomen dat de vader de situatie status quo laat. Het zou zeer zorgelijk zijn als [minderjarige] niet meer naar school kan gaan in België en dat zij het contact met de moeder verliest.
6De beoordeling
Internationaal privaatrecht (IPR)
6.1.
Vanwege het feit dat de moeder de Belgische en Braziliaanse nationaliteit heeft en zij in België woont en [minderjarige] middels de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder in België verblijft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
6.2.
De kinderrechter heeft in dat kader de GI en de (advocaten van) de ouders verzocht zich uit te laten over de bevoegdheid. Zij hebben zich kort gezegd allen op het standpunt gesteld dat de kinderrechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, nu [minderjarige] met een maatregel met een tijdelijk karakter in België verblijft en zij haar gewone verblijfplaats nog steeds in Nederland is.
6.3.
De kinderrechter overweegt dat op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter Verordening), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek te beoordelen, nu [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] bij de moeder in België verblijft met een machtiging tot uithuisplaatsing, een kinderbeschermingsmaatregel die naar haar aard tijdelijk is. Gebleken is dat er nog geen duidelijkheid is over het hoofdverblijf van [minderjarige] en over de verdeling van de zorg en opvoedingstaken. Op dit moment staat [minderjarige] nog ingeschreven op het adres van de vader in Nederland waardoor zij hulpverlening vanuit en in Nederland ontvangt. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft [minderjarige] in deze omstandigheden een grotere sociale binding met Nederland dan met België en is haar dus gewone verblijfplaats op dit moment in Nederland.
6.4.
Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.
6.5.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
6.6.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.7.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.8.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.9.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [hulpverlening] is met de ouders bezig om het parallel solo ouderschap vorm te geven. Dit wordt echter bemoeilijkt door de voortdurende onduidelijkheid over waar [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben en over hoe het contact met de andere ouder eruit komt te zien. Dit zorgt niet alleen voor onzekerheid bij [minderjarige] , maar ook voor onrust en spanningen tussen de ouders en daar heeft [minderjarige] dan weer veel last van. En hoewel de vader stelt dat de oudercommunicatie enigszins is verbeterd, blijkt dat het de ouders nog niet lukt om samen te werken met betrekking tot bijvoorbeeld het maken van afspraken over de verdeling van de zomervakantie, buitenlandse vakanties, de gemeentelijke inschrijving van [minderjarige] en over het halen en brengen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn dan ook pas deels of nog helemaal niet behaald.
6.10.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders gelet op hun moeizame samenwerking samen niet zal lukken om afspraken te maken en de problemen te lossen.
6.11.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Aangezien de kinderrechter niet vooruit wil lopen op de beslissing in de zaak over het hoofdverblijf en de zorgregeling en de gevolgen daarvan voor de ondertoezichtstelling, zal zij deze verlengen voor de duur van twee maanden en het verzoek voor het overige aanhouden in afwachting van die beslissing.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.12.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.13.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter acht het vooralsnog in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat haar plaatsing bij de moeder in België wordt voortgezet en dat deze wordt gewaarborgd met een machtiging tot uithuisplaatsing in afwachting van de zitting op 10 april 2026 en de daaropvolgende beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling. De kinderrechter verwacht dat, als de machtiging tot uithuisplaatsing niet zou worden verlengd, dit voor [minderjarige] onnodig veel onrust en onduidelijkheid met zich mee brengt. Het zal bij haar veel vragen oproepen, waaronder de vraag wat dit betekent voor haar hoofdverblijf en er is een reëel risico dat zij daarvan overstuur zal raken. Bovendien kan de kinderrechter ondanks de toezegging van de vader om de situatie te laten voor wat deze is, niet uitsluiten dat de vader aan een afwijzende beslissing gevolgen voor de huidige geldende zorgregeling en afspraken over [minderjarige] van zal verbinden. Ook dit zou zorgen voor veel onrust.
6.14.
De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige] bij de ouder met gezag (de moeder) verlengen. Aangezien de kinderrechter ook bij deze beslissing niet vooruit wil lopen op de beslissing in de zaak over het hoofdverblijf en de zorgregeling en de gevolgen daarvan voor de machtiging tot uithuisplaatsing, zal zij deze verlengen voor de duur van twee maanden en het verzoek voor het overige aanhouden in afwachting van die beslissing.

Aangehouden beslissingen
6.15.
De rechtbank verzoekt de GI om de rechtbank uiterlijk op na te melden pro forma data schriftelijk te berichten over de actuele stand van zaken en over het gewenste verdere procesverloop, een en ander onder gelijktijdige toezending aan (de advocaten van) de ouders.

Uitvoerbaar bij voorraad
6.16.
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.17.
Dit betekent dat als volgt zal worden beslist.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 15 april 2026 tot 15 juni 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag (de moeder) met ingang van 15 april 2026 tot 15 juni 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de behandeling van het verzoek verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag (de moeder) aan tot 19 mei 2026 PRO FORMA, in afwachting van nader schriftelijk bericht van de GI zoals overwogen onder rechtsoverweging 6.15;
7.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen