ECLI:NL:RBZWB:2026:3954
Verlenging ondertoezichtstelling. Toewerken naar afronding van de ondertoezichtstelling.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 June 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:3954
text/xml
public
2026-06-03T15:02:22
2026-05-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-10
C/02/445985 / JE RK 26-429
Uitspraak
Rekestprocedure
NL
Breda
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3954
text/html
public
2026-06-03T15:02:09
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:3954 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-04-2026 / C/02/445985 / JE RK 26-429
Verlenging ondertoezichtstelling. Toewerken naar afronding van de ondertoezichtstelling.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445985 / JE RK 26-429
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] (België).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder (telefonisch) en een tolk (fysiek);
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 23 juni 2018 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 18 april 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 april 2025 tot 22 april 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] heeft een hoop meegemaakt in het verleden. Hij was onder meer gesloten geplaatst bij [zorginstelling] van 2 mei 2025 tot 6 februari 2026. Er was sprake van flinke gedragsproblemen, maar [minderjarige] heeft grote stappen gezet op de groep. Recent is [minderjarige] weer thuis bij zijn moeder gaan wonen en sinds vorige week gaat [minderjarige] ook weer naar school, [locatie] . [minderjarige] begon op school met halve dagen. Dit wordt opgebouwd naar hele dagen. De opbouw verloopt positief. [minderjarige] wil graag werken. De GI heeft hem geholpen bij het solliciteren. Ook heeft [minderjarige] zich aangemeld om te gaan voetballen.
4.2.
Met de moeder is besproken dat er geen ambulante ondersteuning voor haar in de thuissituatie komt, hetgeen ook niet het advies vanuit [zorginstelling] was, maar dat de moeder kan aangeven als zij toch wel ondersteuning wenst. De GI wil de komende periode op zoek naar een jongerenwerker die naast [minderjarige] komt te staan. Gezien het feit dat de ondertoezichtstelling vele jaren heeft gelopen wegens eerdere ernstige externaliserende problematiek, dat [minderjarige] recent - na een open en gesloten plaatsing – weer thuis bij zijn moeder is komen wonen en dat zijn schoolgang pas vorige week is opgestart, acht de GI het van belang dat de ondertoezichtstelling nog zes maanden doorloopt. Indien nodig, kan de juiste hulp worden ingezet en op deze wijze kan worden gekeken hoe [minderjarige] zich gaat ontwikkelen op zijn nieuwe school.
5De standpunten van belanghebbenden
5.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij had graag gewild dat de ondertoezichtstelling met een jaar zou worden verlengd in plaats van met zes maanden. [minderjarige] is een puber. De moeder vindt het fijn dat [minderjarige] weer thuis is en goed dat hij weer school gaat en het leuk vindt. De moeder wil ondersteuning van bijvoorbeeld een coach die praktische zaken kan regelen.
6De beoordeling
Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt nog steeds voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de ondertoezichtstelling. In het verleden was sprake van ernstige externaliserende problematiek bij [minderjarige] . De ondertoezichtstelling loopt al een lange periode en [minderjarige] heeft een lange tijd niet bij zijn moeder gewoond. Na een maandenlange gesloten plaatsing woont hij sinds 6 februari 2026 weer bij zijn moeder thuis. [minderjarige] heeft heel positieve stappen gezet in zijn ontwikkeling. Daarnaast gaat hij naar een nieuwe school, gaat hij voetballen en is hij op zoek naar werk. Gelet op de recente thuisplaatsing is het belangrijk dat er de komende maanden wordt meegekeken hoe het met [minderjarige] in de thuissituatie gaat. Er is in een korte periode veel veranderd voor [minderjarige] . De GI heeft aangegeven een jongerenwerker voor [minderjarige] te gaan zoeken. Op die manier heeft [minderjarige] iemand die naast hem staat en hem kan begeleiden bij praktische zaken, zoals het solliciteren voor een bijbaantje. De moeder heeft ook aangegeven het prettig te vinden als er iemand komt die helpt bij de praktische ondersteuning. Ook hierin heeft de GI de komende tijd nog een rol te spelen. De kinderrechter constateert naar aanleiding van hetgeen door de GI naar voren is gebracht dat het de bedoeling is dat de ondertoezichtstelling na de komende periode wordt afgesloten en dat er zal worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader.
6.4.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling met 6 maanden verlengen, zoals verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 april 2026 tot 22 oktober 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Felix, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.