Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4035

Eiser heeft verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van alle documenten over de planontwikkeling Perkpolder, de bouw van een jachthaven en/of woningen en/of horeca en/of een golfbaan en over deelname in of uittreding uit de vennootschap zoals Perkpolder Beheer B.V. , alsmede de daarmee bij de Provincie Zeeland samenhangende aanwezige financiële rapporten, r...

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4035 text/xml public 2026-06-02T09:00:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 23/11738 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4035 text/html public 2026-06-01T11:19:48 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4035 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 23/11738
Eiser heeft verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van alle documenten over de planontwikkeling Perkpolder, de bouw van een jachthaven en/of woningen en/of horeca en/of een golfbaan en over deelname in of uittreding uit de vennootschap zoals Perkpolder Beheer B.V. , alsmede de daarmee bij de Provincie Zeeland samenhangende aanwezige financiële rapporten, risico-analyses en juridische analyses/adviezen. Na een tussenuitspraak en een herstelbesluit is het beroep alsnog gegrond verklaard en moet het college van GS binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Het kan zich daarbij niet meer beroepen op vertrouwelijkheid vanwege een staatssteunprocedure bij de Europese Commissie. Er zijn dwangsommen opgelegd om te zorgen dat het college tijdig beslist.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 23/11738
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, GS. Samenvatting
1. Deze einduitspraak gaat over besluiten van GS tot het (gedeeltelijk) openbaar maken van stukken in de zin van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het niet eens met het feit dat GS niet alle gevraagde documenten openbaar heeft gemaakt.
1.1.
De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat aan de besluiten gebreken kleven en GS openbaarmaking van (delen van) de documenten niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 april 2020 – samengevat – verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van alle documenten opgesteld door (de griffier/notulist van) Gedeputeerde en/of het college van Gedeputeerden en/of Provinciale Staten over de planontwikkeling Perkpolder, de bouw van een jachthaven en/of woningen en/of horeca en/of een golfbaan en over deelname in of uittreding uit de vennootschap zoals Perkpolder Beheer B.V. , alsmede de daarmee bij de Provincie Zeeland samenhangende aanwezige financiële rapporten, risico-analyses en juridische analyses/adviezen opgesteld in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 april 2020.
2.1.
Met het besluit van 4 oktober 2021 heeft GS beslist op het Wob-verzoek en heeft zij verschillende documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 15 oktober 2021.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 19 april 2022 heeft GS wederom verschillende documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt en openbaarmaking van een groot deel (303 documenten) van de documenten integraal geweigerd. Het besluit van 19 april 2022 is door de rechtbank met de uitspraak van 15 september 2023 vernietigd.
2.3.
GS heeft met het besluit van 31 oktober 2023 opnieuw op het bezwaar beslist en documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het besluit heeft GS vervolgens – met het besluit van 20 februari 2024 (bestreden besluit I) – ingetrokken. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dat laatste besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens GS mr. P.R.A. Katsburg, [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] .
2.5.
In de tussenuitspraak van 25 juni 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank GS in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit I te herstellen.
2.6.
GS heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak op 2 september 2025 een besluit genomen (bestreden besluit II), waarmee een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Awb mede betrekking op dat besluit. GS heeft daarnaast de op het Woo-verzoek betrekking hebbende documenten, met inventarislijsten, en twee e-mails overgelegd met het verzoek om geheimhouding op grond van 8:29 van de Awb. Dat verzoek is toegewezen en eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven de stukken bij de beoordeling van de zaak te betrekken. Eiser heeft daarnaast nog schriftelijk gereageerd op de laatste stukken en heeft gezien het tijdsverloop en het procedeergedrag van GS de rechtbank gevraagd zelf in de zaak te voorzien door de documenten vrij te geven.
2.7.
De rechtbank heeft op 13 februari 2026 een regiezitting gehouden, mede omdat de stukken na de tussenuitspraak niet waren ingediend zoals dat was bepaald, ook niet nadat daarover op 7 januari 2026 opnieuw een brief was gestuurd. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens GS mr. P.R.A. Katsburg en [gemachtigde 1] .
2.8.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat aan de toen bestreden besluiten diverse gebreken kleven. Ten eerste heeft GS onvoldoende onderbouwd dat verschillende documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden omdat sprake zou zijn van een lopende staatssteunprocedure. Verder zijn er in verschillende documenten delen niet openbaar gemaakt onder verwijzing naar artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo, terwijl het niet in alle gevallen gaat om gegevens die beschermd moeten worden ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ten slotte zijn verschillende documenten slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt, zonder dat dit is onderbouwd met een weigeringsgrond. De rechtbank heeft GS in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken te herstellen.
3.2.
De rechtbank zal hierna, per geconstateerd gebrek, beoordelen of GS de geconstateerde gebreken heeft hersteld na de tussenuitspraak.

Integraal geweigerde documenten (303 documenten op de inventarislijsten van 19 april 2022 en 19 februari 2026)

4. GS heeft openbaarmaking van in totaal 303 documenten integraal geweigerd. Openbaarmaking van deze documenten is allereerst geweigerd omdat er een staatssteunprocedure zou lopen bij de Europese Commissie over het project Perkpolder. Daarnaast is per document een aanvullende weigeringsgrond gegeven. Deze weigeringsgronden zijn opgenomen op de nieuwe inventarislijst van 19 februari 2026 die is gebaseerd op de inventarislijst van 19 april 2022.

Staatssteunprocedure
4.1.
GS heeft met het besluit van 20 februari 2024 (bestreden besluit I) gesteld dat de documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo. Hierin is opgenomen dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties. Er is volgens GS namelijk sprake van een lopende staatssteunprocedure bij de Europese Commissie met betrekking tot het project Perkpolder. Een deel van de betreffende documenten zijn momenteel onderdeel van die staatssteunprocedure. Daarnaast betreffen het documenten waarbij de informatie op dusdanige wijze is verweven, dat het niet valt uit te sluiten dat de Europese Commissie aanvullende documenten opvraagt die vallen onder het Woo-verzoek.
4.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat GS onvoldoende had gemotiveerd dat sprake is van een lopende staatssteunprocedure bij de Europese Commissie. Daarnaast heeft GS niet onderbouwd dat de betreffende documenten deel uitmaken van de documenten die onder de Commissie berusten.
4.3.
Na de tussenuitspraak heeft GS twee e-mails overgelegd om nader te onderbouwen dat de documenten niet openbaar gemaakt konden worden omdat sprake zou zijn van een lopende staatssteunprocedure. Daarnaast heeft GS de 303 documenten overgelegd met het verzoek om geheimhouding op grond van 8:29 van de Awb.
4.4.
Eiser heeft in zijn zienswijze gesteld dat GS er niet in is geslaagd om de gebreken te herstellen. Voor zover GS is overgegaan tot openbaarmaking van negen documenten, zijn deze ten onrechte grotendeels weggelakt in het belang van de economische of financiële belangen van het bestuursorgaan. Verder is openbaarmaking van de 303 documenten ten onrechte integraal geweigerd. Eiser verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en over te gaan tot openbaarmaking van de documenten.
4.5.
Op grond van artikel 30 van de Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Verordening) mogen de Europese Commissie (de Commissie) en de lidstaten, alsmede hun ambtenaren en overige personeelsleden, met inbegrip van de door de Commissie aangewezen onafhankelijke deskundigen, de informatie die zij bij de toepassing van de Verordening hebben verkregen en die onder de geheimhoudingsplicht valt, niet openbaar maken.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat GS nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat de documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden omdat sprake is van een lopende staatssteunprocedure bij de Commissie. Uit de overgelegde e-mails volgt alleen dat door de Commissie vragen zijn gesteld die mogelijk in het vervolg gaan leiden tot een staatssteunprocedure. De enkele omstandigheid dat sprake is van de mogelijke aanloop naar een dergelijke procedure is onvoldoende om openbaarmaking van de documenten integraal te weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo. GS heeft bovendien niet onderbouwd dat de 303 documenten deel uitmaken van de documenten die onder de Commissie zouden berusten en dat deze documenten onder de geheimhouding in de zin van artikel 30 van de Verordening vallen.
4.7.
Het argument dat zekerheidshalve documenten niet openbaar zijn gemaakt, omdat ze mogelijk onder de geheimhoudingsplicht van het Europese recht vallen of in de toekomst worden opgevraagd door de Commissie, houdt ook geen stand. Hoofdregel van de Woo is dat documenten openbaar wordt gemaakt. Het past daarbij niet om documenten zekerheidshalve niet openbaar te maken. Een beroep op de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo moet goed onderbouwd worden. Dat betekent dat gemotiveerd moet worden dat een document hieronder valt. Dat is onvoldoende gebeurd.
4.8.
Nu GS ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om het beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo te onderbouwen en daar nog steeds niet in is geslaagd, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere conclusie dan dat openbaarmaking van de 303 documenten niet integraal kan worden geweigerd met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo.

Overige weigeringsgronden
4.9.
Op zowel de oude, als de nieuwe, inventarislijst zijn de 303 documenten en de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder b (economische en financiële belangen van de Staat), onder e (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en onder g (het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken personen) en artikel 11, eerste lid, (persoonlijke beleidsopvattingen) van de Wob opgenomen. Per document is aangevinkt welke van de hiervoor genoemde weigeringsgrond van toepassing is.
4.10.
De rechtbank overweegt dat er ten onrechte weigeringsgronden uit de Wob zijn opgenomen. De Wob is per 1 mei 2022 ingetrokken en vervangen door de Woo. GS kon de openbaarmaking van de documenten enkel weigeren op grond van weigeringsgronden genoemd in de Woo. Dit is een gebrek aan de bestreden besluiten. De weigeringsgronden zijn – op artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob na – vrijwel één op één overgenomen in de Woo. De rechtbank gaat ervanuit dat GS heeft bedoeld openbaarmaking te weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b (economische en financiële belangen van de Staat), onder e (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.2 (persoonlijke beleidsopvattingen) van de Woo.
4.11.
Verder is het enkel verwijzen naar een weigeringsgrond onvoldoende om te motiveren dat openbaarmaking van de documenten in redelijkheid geweigerd kon worden. Het betreffen namelijk geen absolute weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Woo, maar relatieve weigeringsgronden. Dit betekent dat het bestuursorgaan een afweging moet maken tussen het vooropgesteld belang van de openbaarheid en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Openbaarmaking van de documenten is oorspronkelijk geweigerd met het besluit van 19 april 2022. Voor zover met dit besluit een motivering voor de weigering is gegeven, is dat besluit vernietigd met de uitspraak van 15 september 2023. Met de bestreden besluiten is geen enkele motivering voor de weigering van openbaarmaking gegeven. Dit betekent dat GS met de bestreden besluiten geen afweging heeft gemaakt tussen het vooropgesteld belang van openbaarheid en het door de uitzondering beschermde belang. Ook dit is een gebrek aan de bestreden besluiten.

Voorlopige conclusie
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat GS onvoldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de 303 integraal geweigerde documenten achterwege kon blijven. Het beroep is om die reden gegrond.

Gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten

5. Op de nieuwe inventarislijst van 19 februari 2026 zijn ook de documenten opgenomen die (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt met het vernietigde besluit van 19 april 2022. In die documenten zijn enkele gegevens weggelakt, maar is niet opgenomen welke weigeringsgrond daarvoor van toepassing is. In de tussenuitspraak is overwogen dat uit de uitspraak van 15 september 2023 volgt dat voor zover het persoonsgegevens betreffen openbaarmaking daarvan terecht is geweigerd, maar dat de overige weglakkingen niet akkoord zijn bevonden. Dit is bijvoorbeeld het geval in onder meer de documenten met nummer 471, 472, 474 en 499 op de inventarislijst. In deze documenten zijn bedragen weggelakt, wat evident geen persoonsgegevens zijn. De rechtbank heeft GS met de tussenuitspraak de mogelijkheid geboden om dit gebrek te herstellen. GS heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Het beroep is ook op dit punt gegrond.

Negen documenten besluit 31 oktober 2023

6. Met het besluit van 31 oktober 2023 heeft GS besloten om negen documenten (gedeeltelijk) openbaar te maken. Het betreffen vijf “AVA-oplegnotities” en vier “AVA-verslagen”. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat – met de intrekking van dat besluit met het besluit van 20 februari 2024 – de weggelakte passages in de documenten niet (langer) met een weigeringsgrond zijn onderbouwd. Met het besluit van 2 september 2025 heeft GS alsnog gemotiveerd waarom de documenten slechts gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt.
6.1.
GS heeft verschillende passages weggelakt op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c (bedrijfs- en fabricagegegevens), tweede lid, onder b (economische en financiële belangen van de overheid) en onder e (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer). De rechtbank zal hierna beoordelen of openbaarmaking van de passages geweigerd kon worden per weigeringsgrond.
6.2.
De betreffende documenten zijn ouder dan vijf jaar. Artikel 5.3 van de Woo bepaalt dat het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie motiveert waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dat het algemeen belang van openbaarheid.

Economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen
6.3.
In alle AVA-documenten zijn passages weggelakt omdat het belang van openbaarmaking daarvan niet zou opwegen tegen het economische of financiële belang van GS.
6.4.
Uit de vaste rechtspraak volgt dat economische of financiële belangen betrekking hebben op de onderhandelingspositie van een bestuursorgaan.

Een beroep op deze weigeringsgrond is echter in beginsel slechts mogelijk voor de duur van het onderhandelingsproces. Onder omstandigheden kan eveneens de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten. Dat kan het geval zijn als uit de verzochte informatie kan worden afgeleid hoe dat bestuursorgaan zich tijdens onderhandelingen opstelt en onder welke voorwaarden het bereid is te contracteren. Daarnaast geldt sinds inwerkingtreding van de Woo een extra motiveringsplicht als er sprake is van informatie die meer dan 5 jaar oud is. Daarvan is in dit geval sprake.
6.5.
GS heeft onderbouwd dat de informatie betrekking heeft op de garantstelling van € 3,3 miljoen die de provincie heeft afgegeven bij uittreding uit het project dat nu nog loopt.
6.6.
Eiser heeft betoogd dat GS openbaarmaking van de informatie niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het gaat om milieu-informatie die veel ouder dan vijf jaar is. Ieder spoor van enige afweging van belangen ontbreekt.
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat GS openbaarmaking van de informatie heeft kunnen weigeren in het belang van haar economische en financiële belangen. Het gaat om informatie die betrekking heeft op de onderhandeling tussen de betrokken bestuursorganen bij het project en verschillende privaatrechtelijke partijen. Openbaarmaking van deze informatie kan de privaatrechtelijke verhouding tussen de betrokken partijen negatief beïnvloeden. Het gaat om een lopend project waar GS voorheen bij betrokken was. Hoewel GS is uitgetreden uit het project, is sprake van een garantstelling die is afgegeven door GS.

Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
6.8.
In het 14e, 15e, 17e en 23e AVA-verslag zijn een aantal namen van ambtenaren en andere natuurlijke personen weggelakt omdat het belang van openbaarmaking niet zou opwegen tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
6.9.
Volgens vaste rechtspraak verzet het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het Woo-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.
6.10.
GS heeft onderbouwd dat in de documenten namen en andere persoonsgegevens zijn aangetroffen. Het gaat niet om personen die wegens de aard van hun functie in de openbaarheid treden of om anderszins publieke personen.
6.11.
De rechtbank is van oordeel dat GS openbaarmaking van de namen heeft kunnen weigeren in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Het betreft namen van natuurlijke personen en ambtenaren van de gemeente Hulst en de provincie Zeeland. Het gaat daarbij niet om personen die wegens hun functie in de openbaarheid treden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarheid in dit geval zwaarder weegt. Het feit dat de documenten meer dan vijf jaar oud zijn, maakt bovendien ook niet dat het weigeren van openbaarmaking niet is gerechtvaardigd. Er is namelijk sprake van een lopend project.

Bedrijfs- en fabricagegegevens
6.12.
In het 14e AVA-verslag zijn vier bedragen weggelakt die afkomstig zijn van een offerte omdat sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens die door een rechtspersoon vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
6.13.
Volgens vaste rechtspraak dient de weigeringsgrond naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, als en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt.
6.14.
GS heeft onderbouwd dat er informatie is weggelakt die vertrouwelijk aan haar is verstrekt door Perkpolder Beheer B.V.
6.15.
Eiser heeft betoogd dat de informatie ten onrechte niet openbaar is gemaakt op grond van de weigeringsgrond. Op geen enkele manier valt in te zien hoe de stukken zouden kwalificeren als bedrijfsgeheimen waar concurrenten hun voordeel mee zouden kunnen doen. Bovendien gaat het om zeer oude informatie. Het enkele feit dat het project nog gaande is, maakt niet dat openbaarmaking nog altijd achterwege moet blijven.
6.16.
De rechtbank is van oordeel dat GS de bedragen terecht niet openbaar heeft gemaakt omdat sprake is van bedrijfsgegevens. De bedragen in de offertes betreft informatie waaruit bij openbaarmaking derden wetenswaardigheden kunnen afleiden en inzichten kunnen krijgen in de financiële bedrijfsvoering van de betrokken rechtspersonen. Dat de informatie meer dan vijf jaar oud is, maakt dat niet anders. Het betreft hier namelijk een absolute weigeringsgrond. GS had om die reden geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarin openbaarmaking is geweigerd.
7.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om bij een gegrond beroep zelf over te gaan tot het vrijgeven van de documenten. De rechtbank ziet daartoe geen mogelijkheid, alleen al omdat daarmee aan derden de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze daarover wordt ontnomen. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. GS moet daarom een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
7.2.
Verder bepaalt de rechtbank, mede gelet op het langdurige tijdsverloop van dit geschil en de zeer moeizame informatieverstrekking door GS, met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb dat het college een dwangsom van € 1.000,- verbeurt voor elke week waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7.3.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet GS aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt bestreden besluit I en II voor zover daarin openbaarmaking is geweigerd;

- draagt GS op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag en het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

- bepaalt dat GS aan eiser een dwangsom van € 1.000,- verbeurt voor elke week waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- draagt GS op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

In de tussenuitspraak is opgenomen dat het circa 301 documenten betreffen. Na de tussenuitspraak is vastgesteld dat het om 303 documenten gaat.

Zie bijvoorbeeld: Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2982.

Zie bijvoorbeeld: ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1404.

Zie bijvoorbeeld: ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:3571.

Artikel delen