Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4044

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de bankkosten in verband met zijn beschermingsbewind.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4044 text/xml public 2026-06-02T09:00:42 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 25/5468 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4044 text/html public 2026-06-01T11:00:59 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4044 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 25/5468
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de bankkosten in verband met zijn beschermingsbewind.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/5468
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.N.G. Brok),

en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, Baanbrekers. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de bankkosten in verband met zijn beschermingsbewind. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Baanbrekers onterecht de bijzondere bijstand heeft afgewezen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De goederen van eiser zijn sinds 22 januari 2020 onder bewind gesteld. Op 12 maart 2025 heeft eiser per e-mail een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de maandelijkse bankkosten van de beheerrekening in verband met zijn beschermingsbewind. Op 3 april 2025 is door de inkomensconsulente per e-mail medegedeeld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Op 14 april 2025 heeft eiser hiertegen bezwaar ingesteld. In overleg is dit bezwaarschrift als een nieuwe aanvraag aangemerkt, omdat het discutabel was of er met de e-mail van de inkomensconsulente sprake was van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Baanbrekers heeft deze aanvraag met het besluit van 6 mei 2025 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De Adviescommissie Bezwaarschriften heeft op 19 mei 2025 geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 op het bezwaar van eiser is Baanbrekers, in afwijking van het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser mr. M.N.G. Brok, de [bewindvoerder] en namens Baanbrekers [gemachtigde] . Eiser was niet aanwezig.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan deel uit.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit

4. Aan het bestreden besluit heeft Baanbrekers ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de maandelijkse bankkosten van de beheerrekening, omdat de kosten zich niet voordoen en daarmee niet aan alle vereisten van artikel 35, eerste lid, van de Pw wordt voldaan. Volgens Baanbrekers worden de maandelijkse bankkosten van de beheerrekening gedekt door het honorarium dat de bewindvoerder maandelijks ontvangt, alsmede het afzonderlijke tarief van € 12,50 of € 25,00 per jaar, dat de bewindvoerders volgens de richtlijnen van het Kwaliteitsbureau CBM in rekening mogen brengen bij hun cliënten. De kosten komen daarmee naar het oordeel van Baanbrekers voor rekening van de bewindvoerder zelf, waar de bewindvoerder reeds voor gecompenseerd wordt. Anders dan de voornoemde bedragen, waar wel bijzondere bijstand voor verstrekt kan worden, doen zich geen kosten voor.

Het standpunt van eiser

5. Eiser stelt dat personen die onder bewind zijn gesteld altijd twee bankrekeningen nodig hebben die door de bewindvoerder worden geopend. Namelijk een zogenoemde leefgeldrekening en een beheerrekening. Naast de kosten voor het voeren van het bewind, mag de bewindvoerder ook één keer per jaar een bedrag in rekening brengen voor de extra bankkosten die banken bij bewindvoerders in rekening brengen. Dit bedrag bedraagt € 12,50 voor een eenpersoonshuishouden en € 25,00 voor een meerpersoonshuishouden. Deze regeling is in het leven geroepen doordat de bankkosten die door de banken bij bewindvoerders in rekening worden gebracht enorm zijn gestegen. Deze regeling geldt totdat een nieuwe beloningsregeling is ingevoerd. Naast deze kosten, brengen banken ook ‘gewone’ bankkosten in rekening op elke rekening die de onderbewindgestelde heeft. Dat betekent dat zowel van de leefgeldrekening als van de beheerrekening maandelijkse bankkosten worden afgeschreven. Voor die laatst genoemde bankkosten van de beheerrekening is door eiser bijzondere bijstand aangevraagd.
5.1
Eiser voert aan dat de bankkosten van de beheerrekening zich wel degelijk voordoen, aangezien deze kosten elke maand door de bank in rekening gebracht worden oftewel van de beheerrekening worden afgeschreven. Ter onderbouwing heeft eiser de afschriften overgelegd in productie 8. Dat de bankkosten volgens Baanbrekers voor rekening van de bewindvoerder zelf moeten komen omdat deze gedekt zouden worden door het honorarium volgt eiser niet, aangezien de bankkosten van de beheerrekening van belanghebbende worden afgeschreven. Daarnaast ziet de vergoeding van € 12,50 of € 25,00 euro, die Baanbrekers aanhaalt, op de extra bankkosten die een bewindvoerder zelf aan de Rabobank moet betalen. Dit zijn kosten voor het mogen onderbrengen van al zijn beheerrekeningen bij de Rabobank. Het gaat daarbij dus om andere kosten.
5.2
Verder voert eiser aan dat de kosten noodzakelijk zijn, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en dat de financiële draagkracht ontbreekt.

Bijzondere bijstand

6. Volgens vaste rechtspraak dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Waar gaat het in deze zaak over?

7. Partijen zijn niet verdeeld over de noodzakelijkheid en de bijzonderheid van de kosten. Ook staat niet ter discussie dat de kosten niet uit bestaande middelen kunnen worden voldaan. Ter zitting is gebleken dat partijen het eens zijn dat de kosten van de beheerrekening van eiser worden afgeschreven. Echter, partijen verschillen van mening of de kosten zich voordoen. Volgens Baanbrekers is dat niet het geval en moeten de kosten worden voldaan uit het extra bedrag van € 12,50 dat de bewindvoerder aan eiser in rekening mag brengen wegens gestegen bankkosten. De bewindvoerder betwist dat het bedrag van € 12,50 bedoeld is voor de bankkosten van de onderbewindgestelde zelf. Hij voert aan dat het bedrag van € 12,50 ziet op kosten die de bewindvoerder zelf maakt op grond van de mantelovereenkomst met de bank.

8. De rechtbank stelt vast dat de kosten maandelijks worden afgeschreven van de beheerrekening van de onderbewindgestelde (eiser). De kosten doen zich dus voor. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze kosten moeten worden voldaan uit de vergoeding van € 12,50 die de bewindvoerder in rekening mag brengen. Naar het oordeel van de rechtbank moet dus de vraag worden beantwoord of sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 Pw.

9. Dit betekent dat Baanbrekers een onjuiste wettelijke grondslag heeft gehanteerd bij de afwijzing van de aanvraag. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

10. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

Voorliggende voorziening?

11. Omdat Baanbrekers zich beroept op het bestaan van een andere regeling waaruit de kosten moeten worden voldaan, is het aan Baanbrekers om te motiveren waarom in het concrete geval deze voorliggende voorziening een beletsel vormt voor (bijzondere) bijstandsverlening. Deze andere regeling betreft een (tijdelijke) richtlijn van het Kwaliteitsbureau CBM. Ter zitting is gebleken dat er momenteel niet meer informatie is over de richtlijn van het kwaliteitsbureau CBM, dan enkel het feit dat daarin staat tot welk bedrag de bewindvoerder maximaal mag doorbelasten vanwege de gestegen bankkosten, namelijk € 12,50 voor een eenpersoonshuishouden en €25,00 voor een meerpersoonshuishouden. Eiser heeft toegelicht dat deze richtlijn op de site van de rechtspraak heeft gestaan maar deze verwijderd is. Baanbrekers bevestigt dat hierover niets meer te vinden is. Wat volgens de (tijdelijke) richtlijn van het kwaliteitsbureau CBM onder het bedrag van €12,50 of €25,00 valt, is momenteel dus niet te achterhalen. De rechtbank acht echter van belang dat de Regeling beloning CBM ziet op de vergoeding die de bewindvoerder jaarlijks bij de onderbewindgestelde in rekening mag brengen. In de (tijdelijke) richtlijn is dat bedrag verhoogd met € 12,50/€ 25,00. De uitleg die de bewindvoerder geeft, namelijk dat dit bedrag ziet op kosten die de bewindvoerder zelf maakt en mag doorbelasten, komt dan niet onaannemelijk voor. Dat standpunt vindt ook steun in de tarievenkaart op de website van Aegis, de branchevereniging voor bewindvoering, zoals die op zitting met partijen is besproken. Het is dan aan Baanbrekers om te motiveren dat in dit bedrag ook de kosten die eiser zelf maakt, zijn begrepen. Daarin is Baanbrekers niet geslaagd. In dit verband is nog van belang dat standpunt van Baanbrekers er op neerkomt dat de bewindvoerder de bankkosten die worden afgeschreven op de beheerrekening van de onderbewindgestelde zou moeten verrekenen met de kosten die hij aan de onderbewindgestelde zelf in rekening brengt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onlogisch. Dat Baanbrekers haar standpunt niet nader kan onderbouwen omdat de achtergrond van de (tijdelijke) richtlijn niet (meer) te achterhalen is, komt volgens de rechtbank, in lijn met het standpunt van de Adviescommissie Bezwaarschriften, voor rekening en risico van Baanbrekers.

12. Uit het voorgaande volgt dat de afwijzing van de aanvraag evenmin gebaseerd kon worden op het bestaan van een voorliggende voorziening. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen dus niet in stand worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat Baanbrekers een onjuiste wettelijke grondslag heeft gehanteerd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende kosten onder een voorliggende voorziening vallen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan Baanbrekers op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat eiser en Baanbrekers beide hebben aangegeven een principiële uitspraak over dit onderwerp te wensen en dus één van beide ongeacht de uitkomst van deze procedure in hoger beroep gaat.
13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat Baanbrekers een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Baanbrekers hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet Baanbrekers het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Baanbrekers moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2025;

- draagt Baanbrekers op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat Baanbrekers het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt Baanbrekers tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
Participatiewet

Artikel 15, eerste lid

Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Artikel 35, eerste lid

Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag (…) de studietoeslag (…), het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm (…). Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:153

Artikel delen