Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4103

provisionele voorziening, verwijzing UHA

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4103 text/xml public 2026-06-04T09:00:08 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-13 C/02/445844 / FA RK 26-1230 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4103 text/html public 2026-06-03T16:42:53 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4103 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-04-2026 / C/02/445844 / FA RK 26-1230
provisionele voorziening, verwijzing UHA

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/445844 / FA RK 26-1230

datum uitspraak: 13 april 2026

beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof in Goes,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. A.L. Slager in Goes.

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 8 november 2024 ontvangen verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening, met bijlagen;

- het op 19 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 25 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
2De feiten 2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4
Bij beschikking van 7 juni 2024 heeft deze rechtbank bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: het contact tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , zal onder regie van de via de gemeente in te zetten professionele hulpverlening worden hersteld, en indien de draagkracht van de minderjarige dit toelaat zal door middel van begeleide omgang worden toegewerkt naar een onbegeleide zorgregeling tussen de minderjarige en de man, waarbij de

minderjarige eenmaal in de veertien dagen in het weekend bij de man verblijft van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, met verdeling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte, één en ander met inachtneming van hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 4.2.
3Het verzoek en de standpunten 3.1
De man verzoekt, bij wijze van provisionele voorzieningen, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op zaterdag van 09:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man naar de vrouw terugbrengt, dan wel op een zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie juist acht;

- een informatie- en consultatieregeling vast te stellen inhoudende dat de vrouw de man één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht dient te

informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van [minderjarige] met twee kleurenfoto's

van [minderjarige] en de vrouw de man dient te raadplegen bij het nemen van nemen van

belangrijke beslissingen over [minderjarige] en het vermogen van [minderjarige] .
3.2
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1
Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
4.2
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek, zoals hierboven vermeld, samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.5
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, gelet op de overgelegde stukken en dat wat is besproken op de zitting, voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.

Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.6
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is naar voren gekomen dat de man [minderjarige] sinds februari 2023 niet meer heeft gezien. Door en namens de man is naar voren gebracht dat partijen in 2024 afspraken hebben gemaakt over het hervatten van het contact tussen de man en [minderjarige] . Deze afspraken zijn vastgelegd in de beschikking van 7 juni 2024. Vervolgens is in augustus 2024 IPT en ouderschapsbemiddeling gestart, maar deze trajecten zijn zonder positief resultaat afgerond. De man acht het in het belang van [minderjarige] , en van hemzelf, dat zo spoedig mogelijk duidelijke afspraken worden gemaakt en stappen worden gezet in het hervatten van het contact tussen de man en [minderjarige] . Door en namens de vrouw is toegelicht dat ook zij het van belang acht dat er contact plaatsvindt tussen [minderjarige] en de man, maar dit contact moet op een zorgvuldige en verantwoorde wijze worden opgebouwd. Omdat [minderjarige] rondom de videobelmomenten met de man in september 2024 ander gedrag vertoonde, vindt de vrouw het belangrijk dat de resultaten van het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] bij [psychologiepraktijk] worden afgewacht voordat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt hersteld. Op die manier kan vervolgens met behulp van de hulpverlening gericht worden gewerkt aan contactherstel met de man, in kleine stappen en afgestemd op de behoeften van [minderjarige] . De vrouw acht het noodzakelijk dat passende hulpverlening wordt ingezet om dit proces te begeleiden. Hoewel de man het liefst zou zien dat het contact met [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn onder begeleiding wordt hersteld, begrijpt hij ook dat hier middels de inzet van hulpverlening aan moet worden gewerkt. Partijen zijn het er aldus over eens dat hulpverlening is geïndiceerd. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.7
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.8
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);

- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.9
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/445838 FA RK 26-1228. Voor het doorlopen van dit hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op dinsdag 1 september 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen.
4.10
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen één week na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of de zitting op de nader te noemen datum in de bodemprocedure nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de minderjarige.
4.11
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.12
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in voornoemde bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.13
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.14
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.15
De advocaten van partijen worden verzocht in de bodemprocedure melding te maken van genoemde verwijzing naar het zorgloket.
4.16
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Hulpverlening
4.16
Mede gelet op de mogelijke wachttijden bij het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland, hebben partijen tijdens de zitting afgesproken dat zij - vooruitlopend op het in te zetten (jeugd)hulptraject - de gemeente zullen benaderen of eerdere inzet van ouderschapsbemiddeling met een kindtraject en het opstarten van omgangsbegeleiding mogelijk is, rekening houdend met de resultaten van het diagnostisch onderzoek van [psychologiepraktijk] . Op die manier proberen partijen de hulpverlening zo snel mogelijk te laten starten. De Raad heeft toegezegd hierover telefonisch contact op te nemen met de gemeente.

Voorlopige zorgregeling
4.17
De rechtbank ziet, met de Raad, in de huidige situatie geen mogelijkheid om vooruitlopend op het in te zetten hulpverleningstraject een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Daartoe dient eerst de uitkomst van het diagnostisch onderzoek van [psychologiepraktijk] te worden afgewacht zodat er meer duidelijkheid wordt verkregen over de zorgen rondom het gedrag van [minderjarige] . Vervolgens kan met behulp van de in te zetten hulpverlening worden onderzocht welke vorm van contact met de man in het belang van [minderjarige] is. Het verzoek van de man zal in zoverre worden afgewezen.

Bodemprocedure
4.18
Omdat de rechtbank het belangrijk vindt om zicht te houden op de voortgang zal de bodemprocedure op korte termijn worden behandeld. De verzoeken in de bodemprocedure zullen op [datum] 2026 om [tijdstip] worden behandeld tenzij door de advocaten wordt aangegeven dat deze zitting gelet op het resultaat van het (jeugd)hulptraject (nog) niet nodig is.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en de minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk dinsdag 1 september 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445838 FA RK 26-1228 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.3
verzoekt partijen in de bodemprocedure melding te maken van genoemde verwijzing naar het zorgloket;
5.4
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.5
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.6
verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van voornoemde bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.12 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.7
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.8
bepaalt dat de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445838 FA RK 26-1228 wordt behandeld op de zitting van mr. Dijkman van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op [datum] 2026 om [tijdstip];
5.9
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445838 FA RK 26-1228 voor de zitting van [datum] 2026 om [tijdstip];
5.10.
wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen