Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4584

8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt dat uit de stukken volgt dat belanghebbende in staat was om tijdig beroep in te stellen. Voor zover belanghebbende niet in staat was tijdig beroep in te stellen, is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende dit zo spoedig mogelijk alsnog zou hebben gedaan.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4584 text/xml public 2026-06-03T12:03:14 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 BRE 25/2064 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4584 text/html public 2026-06-03T12:02:47 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4584 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / BRE 25/2064
8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt dat uit de stukken volgt dat belanghebbende in staat was om tijdig beroep in te stellen. Voor zover belanghebbende niet in staat was tijdig beroep in te stellen, is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende dit zo spoedig mogelijk alsnog zou hebben gedaan.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/2064
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 september 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toetsingskader

3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

Is het beroep te laat ingediend?

4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 6 september 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 18 oktober 2024. Belanghebbende heeft op 17 april 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat het beroepschrift te laat is ingediend door zijn persoonlijke omstandigheden. Volgens belanghebbende is hij eind juli 2024 langdurig ziek geworden gedurende zijn verblijf in Kenia. Daarnaast had belanghebbende gedurende zijn verblijf in Kenia de afspraak met de inspecteur om te communiceren via telefoon en e-mail. Tegen de tijd dat hij weer in staat was e-mail te lezen en te reizen, was al uitspraak op bezwaar gedaan. Het voorgaande had - volgens belanghebbende - het gevolg dat op het moment van terugkomst in Nederland, de beroepstermijn zou zijn verstreken.
5.1.
De rechtbank constateert dat de beroepstermijn nog niet volledig was verstreken op het moment van terugkomst in Nederland. Bij bericht van 21 januari 2026 heeft de rechtbank verzocht om nader te specificeren wanneer belanghebbende is teruggekomen uit Kenia. Belanghebbende heeft op 1 maart 2026 een bericht verzonden met daarin het tijdspad. Uit dit tijdspad blijkt dat belanghebbende op 23 september 2024 is teruggekomen. Belanghebbende was dus in staat om tijdens de beroepstermijn een beroepschrift in te dienen. Voor zover belanghebbende niet in staat was tijdig een beroepschrift in te dienen, had het op zijn weg gelegen om zo spoedig mogelijk alsnog beroep in te stellen. Uit de hierboven genoemde feiten volgt dat belanghebbende zes maanden na het einde van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld. Belanghebbende heeft daarom niet zo spoedig als mogelijk beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt eveneens dat daarvoor geen sprake is van een geringe verwijtbaarheid of een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 27 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.

Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.

Artikel delen