ECLI:NL:RBZWB:2026:4676
Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning. Geen spoedeisend belang.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 June 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4676
text/xml
public
2026-06-04T09:01:06
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-21
BRE 26/1869
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Breda
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4676
text/html
public
2026-06-04T08:57:16
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4676 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-05-2026 / BRE 26/1869
Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning. Geen spoedeisend belang.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1869
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
1. [vereniging 1]uit [plaats 1] ,
2. [vereniging 2]uit [plaats 2] ,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner)
hierna gezamenlijk aangeduid als verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] uit [woonplaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van de door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 23 februari 2026 voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit aan de [straat] in [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] , [sectie] , [nummer 1] tegenover [adres] (bestreden besluit).
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat hij van oordeel is dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft op 17 december 2025 een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit.
2.1.
Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de periode van 23 februari 2026 tot en met 22 februari 2028, of drie maanden na oplevering van de hoofdwoning. Deze vergunning is verleend voor de volgende activiteit:
- Buitenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken
2.2.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en hebben een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
Verzoekers hebben ook bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen de omgevingsvergunning van 3 maart 2026 voor het bouwen van een woning op het kadastraal perceel [woonplaats] , [sectie] , [nummer 1] , aan de [straat] , tijdelijk [nummer 2] , in [woonplaats] . Het verzoek tegen die omgevingsvergunning is bij de rechtbank geregistreerd onder het kenmerk: BRE 26/1868. Deze uitspraak gaat daar niet over.
2.4.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 samen met zaaknummer BRE 26/1868 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [vertegenwoordiger] namens verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, [gemachtigde] namens het college, en vergunninghoudster.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat voeren verzoekers aan?
3. Verzoekers voeren aan dat zowel de bouw van de tijdelijke woonunit als de bewoning daarvan leiden tot onomkeerbare gevolgen, namelijk tot verstoring van aanwezige beschermde diersoorten (steenuilen, kerkuil, vleermuizen, groene spechten en bonte spechten). Bovendien zouden nog containers naast de tijdelijke woonunit moeten worden gezet. Dit alles leidt tot verstoring, verjaging, en achterlating van jongen. Verzoekers wijzen verder op de verstoring van archeologische waarden als onomkeerbaar element. Ten slotte bestaat de verplichting om de inbreuk die de tijdelijke woonunit maakt op de natuur vooraf te compenseren, maar dat is niet gebeurd.
Spoedeisend belang
4. Vergunninghoudster heeft naar aanleiding van het verzoek en de eerste beoordeling van de spoedeisendheid voorafgaand aan de zitting aan de griffier telefonisch toegelicht dat haar gezin inmiddels woont in de tijdelijke woonunit en dat de twee bijbehorende containers zijn geplaatst en de parkeerplaats is gerealiseerd.
4.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
4.2.
Naar oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt daarvoor vast dat niet ter discussie staat dat de woonunit al was gerealiseerd op het moment dat verzoekers het verzoekschrift indienden op 23 maart 2026. Gelet op de toelichting van vergunninghoudster, stelt de voorzieningenrechter verder vast dat het bestreden besluit inmiddels volledig is uitgevoerd omdat de containers naast de tijdelijke woonunit (en de parkeerplaats) ook zijn gerealiseerd. Het schorsen van de omgevingsvergunning kan dus geen verder uit te voeren bouwwerkzaamheden voorkomen. Anders dan verzoekers stellen, ziet de rechtbank ook geen reden om spoedeisend belang aan te nemen vanwege de bewoning van de tijdelijke woonunit. De voorzieningenrechter acht aannemelijker dat de inmiddels voltooide plaatsing van de tijdelijke woonunit van (mogelijk) grotere invloed is geweest dan het laten bewonen van de woonunit. De voorzieningenrechter laat daarbij in deze uitspraak in het midden of daadwerkelijk sprake is van verstoring van aanwezige diersoorten (of de archeologie) als gevolg van de vergunde activiteiten, zoals gesteld door verzoekers. Deze procedure leent zich, gelet op de door partijen ingebrachte rapporten, niet voor beantwoording van die vraag en kan aan de orde komen in de bezwaarprocedure. Indien al sprake zou zijn van verstoring, dan komt deze verstoring de voorzieningenrechter niet zodanig voor dat het woonbelang van vergunninghoudster en haar gezin daarvoor moet wijken.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 21 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze omgevingsvergunning heeft het kenmerk: [kenmerk 1] .
Deze omgevingsvergunning heeft het kenmerk: [kenmerk 2] .