ECLI:NL:RBZWB:2026:4713
text/xml
public
2026-06-25T11:52:17
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-28
C/02/445907 FA RK 26-1258
Uitspraak
Rekestprocedure
NL
Breda
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4713
text/html
public
2026-06-25T09:15:58
2026-06-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4713 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-04-2026 / C/02/445907 FA RK 26-1258
provisionele voorziening
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445907 FA RK 26-1258
28 april 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de man]
,
feitelijk verblijvende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Z. Gademan,
en
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Klootwijk.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 6 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brieven van mr. Gademan van 24 maart 2026 en 17 april 2026, waarvan eerstgenoemde met bijlage;
- de brief van mr. Klootwijk van 17 april 2026.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/445908 FA RK 26-1259. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling en een informatie- en consultatieregeling ter beoordeling voor.
1.3. Er heeft geen zitting plaatsgevonden.
2De feiten
2.1
Uit de stellingen en overgelegde stukken blijkt dat tussen partijen het volgende vast staat:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025 (hierna: [minderjarige] );
- [minderjarige] is door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- [minderjarige] is ingeschreven in de BRP op het adres van de vrouw.
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling;
- vaststelling van een informatie- en consultatieregeling.
4De beoordeling
4.1
Bij brief van 17 april 2026 is namens de man bericht dat partijen het volgende zijn overeengekomen:
- Tijdelijke zorgregeling:
De man en [minderjarige] zullen wekelijks op vrijdag gedurende een aantal uurtjes contact met elkaar hebben in de woning van de vrouw, in overleg door partijen nader overeen te komen, met de optie om met ingang van vrijdag 15 mei 2026 buiten met [minderjarige] te gaan wandelen in de wandelwagen.
- Tijdelijke onderhoudsbijdrage:
Ingaande 1 april 2026 zal de man voorlopig een kinderalimentatie aan de vrouw voor [minderjarige] voldoen van € 290,= per maand. Nu de man over april slechts € 100,= betaald heeft, dient de man over april nog € 190,= na te betalen. Partijen zijn overeengekomen dat de man deze nabetaling in vijf maandelijkse termijnen van € 38,= zal doen; de eerste termijn uiterlijk op 1 mei 2026, de tweede uiterlijk op 1 juni 2026, enzovoort.
- UHA-traject:
Beide partijen hebben zich bereid verklaard deel te nemen aan een UHA-traject en verzoeken de rechtbank partijen hiernaar te verwijzen. Aangezien er ook een bodemzaak loopt, kan er vanuit het UHA-traject in deze bodemzaak gerapporteerd worden aan de rechtbank.
De man verzoekt de gemaakte afspraken vast te leggen in een beschikking en de zaak schriftelijk af te doen.
4.2
Bij brief van 17 april 2026 is namens de vrouw aangegeven dat de tussen partijen bereikte overeenstemming correct is verwoord namens de man. Ook de vrouw verzoekt de afspraken vast te leggen in een beschikking en stelt dat er geen zitting hoeft plaats te vinden.
4.3
De overeenstemming van partijen over de voorlopige zorgregeling en de voorlopige kinderalimentatie komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
4.4
De rechtbank zal partijen en [minderjarige] verder, conform het verzoek van beide partijen, via het UHA voor hulpverlening verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 22 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.5
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het
kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.6
Partijen hebben verder aangegeven dat zij samen met een zorgaanbieder willen gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn
van het kind; (lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar. De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1).
4.7
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/445908 FA RK 26-1259. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.8
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
4.9
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.10
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.11
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/445908 FA RK 26-1259 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door partijen komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
4.12
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.13
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.14
Partijen zijn geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag] 2025, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere vrijdag gedurende een aantal uren in de woning van de vrouw, in overleg door partijen nader overeen te komen, met dien verstande dat de man de mogelijkheid heeft om met ingang van vrijdag 15 mei 2026 buiten met [minderjarige] te gaan wandelen in de wandelwagen;
5.2
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige met ingang van 1 april 2026 wordt vastgesteld op € 290,= (tweehonderdnegentig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de man de in april 2026 ontstane alimentatieachterstand van € 190,= in vijf maandelijkse termijnen van € 38,= zal aflossen, de eerste termijn uiterlijk op 1 mei 2026, de tweede uiterlijk op 1 juni 2026, enzovoort;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
verwijst partijen en genoemde minderjarige voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de onder rechtsoverweging 4.5 en 4.6 genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal partijen en de minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.5
verzoekt het loket om uiterlijk op 10 november 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure met kenmerk C/02/445908 FA RK 26-1259 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.6
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.7
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.8
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure met kenmerk C/02/445908 FA RK 26-1259 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.11 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.10
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. de Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.