Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4961

Vervangende toestemming vakantie, wijziging wisseldag en beheer paspoort

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4961 text/xml public 2026-07-02T11:55:22 2026-06-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06 C/02/442961 / FA RK 25-6412 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4961 text/html public 2026-07-01T12:15:57 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4961 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-05-2026 / C/02/442961 / FA RK 25-6412
Vervangende toestemming vakantie, wijziging wisseldag en beheer paspoort

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/442961 / FA RK 25-6412

datum uitspraak: 6 mei 2026

beschikking over vervangende toestemming, verdeling zorg- en opvoedingstaken, paspoort

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.M. Bongers in Wijk bij Duurstede,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna: [minderjarige 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 12 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 17 maart 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de op 27 maart 2026 van mr. Van Kerkhof ontvangen reactie op het verweerschrift, met bijlagen;

- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 1 april 2026. Bij die behandeling waren aanwezig partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 31 maart 2026 met de rechter gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter een korte samenvatting daarvan aan de aanwezigen voorgehouden, waarop zij hebben kunnen reageren.
2De feiten 2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3
De zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] delen partijen bij helfte. Het wisselmoment is op woensdagmiddag.
2.3
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen hebben samen het gezag over hen.
3De verzoeken en de standpunten 3.1
De man verzoekt hem ter vervanging van de instemming van de vrouw, toestemming te verlenen voor de reis en het verblijf van de man met de minderjarigen in Spanje (en eventuele transit bestemmingen) in de periode vanaf 9 augustus 2026 tot en met 23 augustus 2026, dan wel subsidiair een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie wenselijk voorkomt, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2
In reactie op het verweerschrift van de vrouw geeft de man aan dat hij instemt met de vakantieverdeling voor de zomervakantie 2026, zoals in het voorstel van de vrouw opgenomen onder randnummer 5, met dien verstande dat het wisselmoment plaats zal vinden op vrijdagavond om 19.30 uur. De man persisteert bij zijn verzoek, omdat hij vreest dat de vrouw alsnog niet haar toestemming zal verlenen.

De man verzet zich tegen het verzoek van de vrouw om de wisseldag tussen partijen (structureel) te verplaatsen naar vrijdagavond 19.30 uur. Volgens de man is de regeling, na zorgvuldig beraad en na advies van de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Brabant, door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vastgesteld. De man is het verder niet eens met het verzoek van de vrouw om de paspoorten van de minderjarigen in haar beheer te geven.

Volgens de man is de regeling, waarbij hij de paspoorten van de minderjarigen in beheer heeft en de vrouw de identiteitskaarten van de minderjarigen beheert, na veelvuldig gesteggel en bemoeienissen van de advocaten en jeugdbeschermer tot stand gekomen. Volgens de man ligt het op de weg van de vrouw om nieuwe identiteitskaarten voor de minderjarigen aan te vragen. De man verleent hiervoor zijn toestemming en zal bij de aanvraag van de identiteitskaarten de paspoorten van de minderjarigen tonen. De man is niet bereid om de paspoorten aan de vrouw mee te geven, omdat hij vreest dat hij de paspoorten niet meer terugkrijgt.
3.3
De vrouw vraagt om het verzoek van de man af te wijzen, dan wel hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen sprake is van een weigering om aan hem toestemming te verlenen voor een vakantie met de minderjarigen in het buitenland. Als de rechtbank het verzoek inwilligt, vraagt de vrouw om daaraan de voorwaarden te verbinden dat:

( a) de man vóór vertrek een volledig ingevuld toestemmingsformulier voor beide minderjarigen aan de vrouw verstrekt met volledige reis- en verblijfsinformatie;

( b) de minderjarigen tijdig vóór 24 augustus 2026 in Nederland zijn teruggekeerd;
3.4
De vrouw verzoekt zelfstandig:

- de vakantieregeling voor de zomervakantie 2026 als volgt vast te stellen:

 Week 1 en 2 bij de vrouw, met afgifte van de paspoorten;

 Week 3 bij de man, met afgifte van de paspoorten;

 Week 4 bij de vrouw, met afgifte van de paspoorten;

 Week 5 en 6 bij de man, met afgifte van de paspoorten;

met wisselmomenten op vrijdagavond om 19:30 uur;

te bepalen dat de paspoorten van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in beheer zijn van de ouder bij wie zij op het BRP-adres staan ingeschreven, in dit geval de vrouw, onder de verplichting om deze aan de andere ouder, de man, af te geven voor een vakantie naar het buitenland en in ieder geval dient het paspoort bij elke wissel tijdens de zomervakantie aan de andere ouder te worden overgedragen, alsmede op eerste verzoek van de andere ouder indien deze het paspoort nodig heeft om de kinderen te kunnen identificeren;

de wisseldag voor de reguliere zorgregeling met ingang van de zomervakantie 2026 te laten plaatsvinden op vrijdagavond om 19:30 uur;

het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten af te wijzen.
3.5
Volgens de vrouw heeft zij nooit geweigerd om in te stemmen met een vakantie in het buitenland, maar heeft zij eerst duidelijkheid willen hebben over de verdeling van de zomervakantie. Zij verwijt de man dat hij, zonder enige aanleiding, onderhavige procedure is gestart. De vrouw stemt uitdrukkelijk niet in met een wisseldag op zondag, omdat de minderjarigen al jaren in de vakanties op maandag wisselen. De vrouw vraagt om bij de verdeling van de vakantieweken te bepalen dat de paspoorten van de minderjarigen elke vakantie aan de andere ouder worden afgegeven. Volgens de vrouw weigert de man om de paspoorten van de minderjarigen aan haar af te geven, waardoor zij tegen praktische problemen aanloopt en niet in staat is om de minderjarigen te legitimeren als dat nodig is. Daarbij komt dat de vrouw de identiteitskaarten van de kinderen in het verleden is kwijtgeraakt en nieuwe identiteitskaarten wilde aanvragen bij de gemeente, maar dat de man daarvoor de paspoorten niet tijdelijk wil afgeven, tenzij hij gelijktijdig met de vrouw

meegaat naar het gemeentehuis. De vrouw acht deze voorwaarde gezien de verstandhouding

tussen partijen onredelijk. Volgens de vrouw is het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar bepaald en is het daardoor gebruikelijk en wenselijk dat zij de paspoorten van de minderjarigen in beheer heeft. De man heeft volgens de vrouw geen gerechtvaardigde reden om de paspoorten bij zich te houden.

De vrouw stelt verder om – gelet op de toekomst, waarin de minderjarigen naar de middelbare school zullen gaan – na de zomervakantie de minderjarigen structureel op vrijdagavond om 19.30 uur te laten wisselen. Volgens de vrouw was de wisseldag op woensdagmiddag destijds passend, omdat de minderjarigen toen nog in de kleuterklas zaten en op woensdag vrij waren. De wisseldag op woensdag levert nu structurele problemen op en ook de minderjarigen zelf geven aan het niet fijn te vinden om via school te wisselen. De minderjarigen hebben volgens de vrouw een aantal dagen nodig om te schakelen na een wissel, wat nu zorgt voor problemen met het huiswerk. Een volle week bij iedere ouder geeft de minderjarigen volgens de vrouw meer structuur, is duidelijker en overzichtelijker.
3.6
De Raad geeft aan dat voor middelbare scholieren doorgaans een wissel in de week lastiger is, omdat er meer moet worden nagedacht over het meenemen van schoolspullen. Deze minderjarigen gaan echter nog niet naar de middelbare school. De Raad adviseert om de regeling nu nog niet te wijzigen. Als een ouder aangeeft dat een wissel via school rust geeft, dan moet daar op worden gericht. Voor minderjarigen is een thuiswissel in het algemeen het fijnst, maar dan moeten de ouders daartoe wel in staat zijn, zonder met elkaar in conflict te komen. Wat betreft de paspoorten heeft de Raad het idee dat er een knoop moet worden doorgehakt.
4De beoordeling 4.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

Wisselmoment
4.2
De vrouw vraagt om de zorgregeling, zoals die is bepaald in de beschikking van het gerechtshof van 15 december 2022, in die zin te wijzigen dat de minderjarigen niet meer op woensdag, maar op vrijdag wisselen tussen partijen. De vrouw stelt dat er destijds voor de woensdag is gekozen, omdat de minderjarigen toen nog in de kleuterklas zaten en op die dag geen school hadden. Volgens de vrouw zijn er inmiddels gewijzigde omstandigheden, omdat de minderjarigen ouder zijn geworden, zij hinder hebben van de wissel midden in de schoolweek en het voor hen beter is om in het weekend te wisselen als zij straks naar de middelbare school gaan.
4.3
De man betwist dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die zouden moeten leiden tot een wijziging van de bestaande zorgregeling. Iedereen is gewend aan de huidige regeling. De man heeft niet gemerkt dat de minderjarigen hinder ondervinden van de wissel op woensdag en ook de gecertificeerde instelling, die tot voor kort betrokken was, heeft dat niet opgemerkt.
4.3
De rechtbank stelt vast dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door het gerechtshof is vastgesteld in de beschikking van 15 december 2022. Uit artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de zorgregeling en een door de ouders onderling getroffen (zorg)regeling kan wijzigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.4
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:377e BW. De rechtbank gaat ervan uit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het moment van de beschikking van het gerechtshof al niet meer in de kleuterklas zaten, aangezien zij nu in groep 7 zitten en deze beschikking van (iets meer dan) drie jaar geleden is. In de beschikking van het gerechtshof wordt ook steeds gesproken over het wisselen op woensdag na school, waaruit blijkt dat de minderjarigen toen ook al op woensdag naar school gingen. In die zin is – anders dan de vrouw stelt – geen sprake van een wijziging in omstandigheden. De rechtbank ziet in de motivering van de vrouw ook anderszins geen wijziging van omstandigheden. De vrouw loopt hierin vooruit op de overgang van de minderjarigen naar de middelbare school, maar dit is nu nog niet aan de orde. Uit de stukken en de kindgesprekken is ook niet naar voren gekomen dat partijen en/of de minderjarigen problemen ervaren bij de wissel op woensdag. De Raad ziet op dit moment eveneens geen aanleiding op grond waarvan de wisseldag gewijzigd zou moeten worden. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt afwijzen.

Vakantie
4.5
De man heeft tijdens de zitting verklaard dat hij instemt met de verdeling van de zomervakantie, zoals de vrouw deze heeft voorgesteld (behoudens het wisselen van de paspoorten tussen partijen, waarop hierna wordt ingegaan). Partijen spreken het volgende af. De minderjarigen zijn vanaf woensdag 8 juli 2026 uit school en in week 1 en week 2 van de zomervakantie bij de vrouw. Daarna gaan de minderjarigen op vrijdag 24 juli 2026 (week 3) naar de man gaan. Op vrijdag 31 juli 2026 wisselen de minderjarigen naar de vrouw (week 4). Vervolgens zijn de minderjarigen van vrijdag 7 augustus tot en met woensdag 26 augustus 2026 (week 5 en 6, met aansluitend de reguliere verdeling) bij de man. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, is het belang van de vrouw bij behandeling van haar verzoek op dit punt komen te vervallen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
4.6
De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij instemt met de reis (inclusief eventuele transitbestemmingen) en vakantie van de man met de minderjarigen naar Spanje van 9 tot en met 23 augustus 2026. De man zal de toestemmingsformulieren ingevuld naar de vrouw sturen (al dan niet via tussenkomst van de advocaten). De vrouw zegt toe dat zij de toestemmingsformulieren binnen een week getekend aan de man zal retourneren. De man zegt toe dat hij zondag 23 augustus 2026 tijdig terug is gekeerd met de minderjarigen in verband met de start van het nieuwe schooljaar. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, is het belang van de man bij behandeling van zijn verzoek komen te vervallen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Beheer paspoorten van de minderjarigen
4.7
Uit de stukken en hetgeen door partijen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is het volgende gebleken. Tussen partijen is er met tussenkomst van Jeugdbescherming Brabant afgesproken dat de vrouw de identiteitskaarten van de minderjarigen in beheer heeft en dat de man de paspoorten van de minderjarigen in beheer heeft. De identiteitskaarten van de minderjarigen zijn niet meer in het bezit van de vrouw. Zij doet nu het verzoek om de paspoorten van de minderjarigen in beheer te krijgen. De man stemt hier niet mee in.
4.8
De rechtbank ziet geen aanleiding om het beheer van de paspoorten van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen. Partijen hebben in oktober 2022 na tussenkomst van de jeugdbescherming de afspraak gemaakt dat de minderjarigen in het bezit zijn van twee identiteitsbewijzen, waarbij de paspoorten in beheer zijn van de man en de identiteitskaarten in beheer van de vrouw. Discussies over wie het identiteitsbewijs in beheer heeft worden hiermee voorkomen. De vrouw kan voor de minderjarigen een nieuwe identiteitskaart aanvragen, zodat beide ouders weer een identiteitsbewijs van de minderjarigen in beheer hebben. De man heeft de aanvraag daarvoor ondertekend en heeft toegezegd dat hij zo vaak als nodig voor de aanvraag van de identiteitskaarten naar het gemeentehuis zal komen om de paspoorten te tonen, waarbij hij ook eerder of later dan de vrouw naar het gemeentehuis kan gaan zodat ze elkaar niet treffen. Daarmee staat er niets in de weg aan een aanvraag voor nieuwe identiteitskaarten voor de minderjarigen. Er is dan geen belang om van de bestaande afspraken af te wijken. De vrouw kan met de identiteitskaarten de minderjarigen legitimeren in de situaties waar dat nodig is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt dan ook afwijzen.
4.9
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
wijst de verzoeken over en weer af;
5.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen