Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4983

Provisionele voorziening. Raadsonderzoek + wijziging voorlopige omgangsregeling.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4983 text/xml public 2026-07-02T14:53:45 2026-06-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-07 C/02/445624 / FA RK 26-1115 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4983 text/html public 2026-07-01T12:26:44 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4983 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-05-2026 / C/02/445624 / FA RK 26-1115
Provisionele voorziening. Raadsonderzoek + wijziging voorlopige omgangsregeling.

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/445624 / FA RK 26-1115

datum uitspraak: 7 mei 2026

beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 17 februari 2026 ontvangen verzoek;

- het F9-formulier met bijlagen van mr. Kalle van 20 april 2026;

- het op 20 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 23 april 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. De vrouw was via beeldbellen aanwezig.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
2.2
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk

gezag over [minderjarige] uit.
2.4
Bij beschikking van 4 juli 2024 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat de man

en de minderjarige [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot wekelijkse omgang met elkaar op

zaterdag 09.00 uur en dinsdag 17.00 uur gedurende 1 à 1,5 uur in de thuissituatie van de

vrouw en dat partijen vanaf 15 augustus 2024 deze regeling in duur zullen uitbreiden op een

wijze in nader onderling overleg met elkaar en de betrokken hulpverlening te bepalen.

Tevens zijn partijen bij deze beschikking verwezen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve

van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in

de regio Zeeland. In afwachting van de eindrapportage van de van de in te zetten

zorgaanbieder dan wel de nadere berichtgeving van partijen omtrent het gewenste

procesverloop is iedere verdere beslissing met betrekking tot gezag, omgang en

kinderalimentatie aangehouden.
2.5
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft de rechtbank - onder wijziging van de

aangehechte beschikking van 4 juli 2024 - ouders en hun minderjarige kind voor een

(jeugd)hulptraject ten behoeve van de in de beschikking van 4 juli 2024 genoemde resultaten

verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten Maassluis, Vlaardingen en

[woonplaats 2] . Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de

woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder. In afwachting

van de eindrapportage van de van de in te zetten zorgaanbieder dan wel de nadere

berichtgeving van partijen omtrent het gewenste procesverloop is iedere verdere beslissing

met betrekking tot gezag, omgang en kinderalimentatie aangehouden.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1
De man verzoekt, bij wijze van provisionele voorzieningen, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de eerder voorlopig vastgestelde zorgregeling bij beschikking van 4 juli 2024 met zaaknummer C/02/413635 te wijzigen, en

- te bepalen dat er een voorlopige omgangsregeling zal gelden tussen de man en

[minderjarige] van een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 16.00 uur waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en haar ook weer ophaalt;

- dan wel een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank in het

belang van de minderjarige acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling<?linebreak?> 4.1
Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
4.2
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3
De rechtbank stelt vast dat aan het vereiste genoemd in artikel 223 Rv is voldaan, zodat de man in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek.
4.4
De man verzoekt de rechtbank de bij beschikking van 4 juli 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling te wijzigen, nu hij [minderjarige] al veertien maanden niet meer heeft gezien. De man stelt in dit kader dat de vrouw – zonder toestemming van de man – is verhuisd naar [woonplaats 2] , waardoor de voorlopige omgangsregeling niet meer kon worden uitgevoerd. Ook voorafgaand aan de verhuizing van de vrouw was het voor de man erg moeilijk om [minderjarige] te zien. Het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] is door de vrouw stil komen te liggen. Partijen hebben geen nadere afspraken kunnen maken over de omgang tussen [minderjarige] en de man. Hij heeft geen vertrouwen meer in [hulpverlening] . Het is van groot belang voor [minderjarige] dat het contact met de man op korte termijn wordt hersteld. De man stelt daarom voor dat er eens per twee weken op een zaterdag omgang zal zijn vanaf 10:00 uur tot 16:00 uur waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en ophaalt, maar heeft ter zitting toegelicht dat omgang op een zondag fijner zou zijn. Deze voorlopige omgangsregeling kan eerst worden opgebouwd, waarbij de man begrijpt dat de vrouw de eerste contactmomenten aanwezig zal zijn maar hij het ook belangrijk vindt dat wordt toegewerkt naar langere contactmomenten met [minderjarige] zonder dat de vrouw daarbij aanwezig is.
4.5
De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek van de man af te wijzen. De vrouw vindt het belangrijk dat [minderjarige] contact heeft met de man en is in het belang van [minderjarige] bereid haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van een (voorlopige) omgangsregeling, maar niet op de wijze zoals door de man is verzocht. De omgangsmomenten die [minderjarige] en de man tot nu toe met elkaar hebben gehad zijn namelijk zeer beperkt geweest en zij hebben al langere tijd geen contact gehad. Dit doordat de man er in februari 2025 zelf voor heeft gekozen geen uitvoering meer te geven aan de voorlopige omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 4 juli 2024. Sindsdien heeft de man geen contact opgenomen met de vrouw en ook op de verjaardagen van [minderjarige] heeft de vrouw niks van hem vernomen. Daar komt bij dat de man de omgangsmomenten voor februari 2025 regelmatig heeft afgezegd, om uiteenlopende redenen. Zij heeft [hulpverlening] stopgezet omdat zij daar geen vertrouwen meer in had. De vrouw is van mening dat de voorlopige omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 4 juli 2024 als uitgangspunt dient te gelden. De vrouw gunt [minderjarige] namelijk contact met de man, maar de man dient eerst te laten zien dat hij verantwoordelijkheid neemt en de afspraken over de omgang nakomt. Deze omgang dient in het belang van [minderjarige] stapsgewijs te worden opgebouwd en er moet worden bezien hoe [minderjarige] op het contact met de man reageert. [minderjarige] kent de man namelijk niet meer en is in de veronderstelling dat de nieuwe partner van de vrouw haar vader is. De vrouw vindt het daarom belangrijk dat zij de eerste omgangsmomenten in de buurt blijft.
4.6
De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat [minderjarige] contact heeft met de man. Omdat er al lange tijd geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de man, is het van belang dat het contact langzaam wordt opgebouwd. De Raad adviseert in eerste instantie twee korte contactmomenten tussen de man en [minderjarige] op een neutrale plek en waarbij de vrouw aanwezig is. Vervolgens kunnen er een aantal contactmomenten plaatsvinden waarbij de vrouw alleen bij het begin en het einde van het contactmoment aanwezig is en de man in de tussentijd alleen is met [minderjarige] . Deze omgangsmomenten dienen in de omgeving van [woonplaats 2] plaats te vinden, zodat wordt voorkomen dat [minderjarige] lang moet reizen. Ook voor de vrouw is dit van belang omdat zij nog niet zo lang geleden is bevallen van een te vroeg geboren baby. Vervolgens kan worden toegewerkt naar een dagdeel en vanaf dan zou de omgang ook kunnen plaatsvinden in de omgeving van de man. Daarna kan worden toegewerkt naar een dag en vervolgens naar een weekend. De Raad verwacht dat een periode van drie à vier maanden passend is om hier naartoe te werken. Omdat de communicatie over de omgang naar verwachting lastig zal worden tussen partijen, adviseert de Raad hierin een casusregisseur te betrekken. Daarnaast acht de Raad het passend dat in de komende periode een raadsonderzoek wordt verricht. Dit onderzoek had eigenlijk al gestart moeten zijn omdat het UHA-traject niet is geslaagd. Zo is [hulpverlening] al lang geleden gestopt. Tijdens het raadsonderzoek kan worden onderzocht wat een passende definitieve contactregeling is, waarbij direct kan worden bezien hoe de opbouw van de voorlopige omgangsregeling is verlopen.
4.7
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat het ingezette hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod niet van de grond is gekomen en dat [minderjarige] en de man inmiddels al langere tijd geen contact met elkaar hebben gehad. Ook is gebleken dat tussen partijen sprake is van een gebrek aan onderling vertrouwen en dat partijen weliswaar van mening zijn dat er contact moet zijn tussen de man en [minderjarige] , maar verschillen van visie over de opbouw van de omgangsregeling. De rechtbank is gelet op de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting van oordeel dat een onderzoek door de Raad ten behoeve van de bodemprocedure naar het gezag en de definitieve omgangsregeling is geïndiceerd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad zal verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:

- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?
4.8
Aan de Raad wordt verzocht om het raadsrapport in te brengen in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C/02/413635 / FA RK 23-4189). De advocaten van partijen wordt verzocht in de bodemprocedure melding te maken van het thans te starten raadsonderzoek.
4.9
Partijen zijn het erover eens dat het contact tussen de man en [minderjarige] spoedig dient te worden hervat. Ter zitting is afgesproken dat de eerste omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] plaats zullen vinden voor de duur van anderhalf uur, op een neutrale locatie en in het bijzijn van de vrouw. In geschil is hoe dit contact vervolgens moet worden opgebouwd. De rechtbank zal het advies van de Raad hierin volgen. Dit betekent dat de bij beschikking van 4 juli 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling wordt gewijzigd en de man en [minderjarige] voorlopig - totdat er in de bodemprocedure is beslist – gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- Op zondag 3 mei, 10 mei, 17 mei en 24 mei 2026 van 10:00 tot 11:30 uur. Deze vier omgangsmomenten vinden plaats in het bijzijn van de vrouw en op een neutrale locatie in de omgeving van de vrouw. Bij goed weer zal de omgang plaatsvinden in een speeltuin en bij slecht weer in een buiten speeltuin.

- Op zondag 31 mei en 7 juni 2026 van 10:00 tot 13:00 uur, waarbij de vrouw in

beginsel bij het begin en het eind van het contactmoment aanwezig is. Als het voor

de vrouw nog niet voldoende vertrouwd voelt, kan zij nog de hele tijd in de buurt

aanwezig blijven. Deze omgangsmomenten vinden plaats op een neutrale locatie in

de omgeving van de vrouw.

- Op zondag 14 juni en 21 juni 2026 van 10:00 tot 14:00 uur. Deze omgangsmomenten vinden plaats op een neutrale locatie in de omgeving van de vrouw.

- Op zondag 28 juni, 5 juli, 12 juli en 19 juli 2026 van 10:00 tot 14:00 uur, afwisselend in de omgeving van de man en de omgeving van de vrouw. De omgangsmomenten van 5 juli en 19 juli 2026 vinden plaats in de omgeving van de vrouw. De omgangsmomenten van 28 juni en 12 juli 2026 vinden plaats in de omgeving van de man, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en aan het einde van de omgang ophaalt.

- De daaropvolgende omgangsmomenten vinden plaats eenmaal per veertien dagen op zondag van 10:00 tot 16:00 uur bij de man, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw.
4.10
De rechtbank overweegt dat de vrouw tijdens de zitting heeft toegezegd dat zij voorafgaand aan het eerste omgangsmoment aan [minderjarige] zal uitleggen dat de man haar vader is en dat zij hem binnenkort zal gaan zien. De rechtbank verwacht van de vrouw dat zij deze toezegging gestand zal doen. Verder vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de vrouw zich op korte termijn zal wenden tot het wijkteam van de gemeente, zodat een casusregisseur bovengenoemde omgangsregeling kan opvolgen en een aanspreekpunt zal zijn voor partijen. Het is de rechtbank namelijk gebleken dat het maken van onderlinge afspraken tussen partijen over het contact tussen de man en [minderjarige] moeizaam kan verlopen en betrokkenheid van een casusregisseur is dan ook wenselijk. Omdat op dit moment niet te voorspellen is hoe [minderjarige] zal reageren op de omgang met de man, is het aan partijen en eventueel de casusregisseur – als partijen er samen niet uitkomen - om te beslissen vanaf welk moment de vrouw niet meer bij de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de man aanwezig zal zijn.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1
wijzigt de bij beschikking van 4 juli 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling en bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze zoals in rechtsoverweging 4.9 is omschreven;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Rotterdam, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaaknummer C/02/413635 / FA RK 23-4189 een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 4.7 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk 28 augustus 2026 PRO FORMA dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure.

Deze beschikking is gegeven door De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen