Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5003

Vervangede toestemming erkenning met instemming moeder verleend. Vaststelling overeengekomen omgangsregeling. Aanhouding beslissing gezamenlijk gezag en hoofdverblijf.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5003 text/xml public 2026-07-02T14:57:14 2026-06-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-08 C/02/442772 FA RK 25-6318 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5003 text/html public 2026-07-02T14:56:54 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5003 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-05-2026 / C/02/442772 FA RK 25-6318
Vervangede toestemming erkenning met instemming moeder verleend. Vaststelling overeengekomen omgangsregeling. Aanhouding beslissing gezamenlijk gezag en hoofdverblijf.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/442772 FA RK 25-6318

Datum uitspraak: 8 mei 2026

beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag, hoofdverblijf en omgang

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. C.J. Forder uit Amsterdam,

tegen

[ouder] ,

hierna : de moeder,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. D. Boudrad uit Gilze.

Als belanghebbende ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022,

hierna: [minderjarige]

vertegenwoordigd door advocaat mr. Y.I.B. Grosfeld uit Breda in haar hoedanigheid van bijzondere curator.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

zal in de procedure worden gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-

Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te

adviseren.
<nr>1</nr>Het verdere procesverloop 1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 27 januari 2026 tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] en alle daarin vermelde stukken;

het op 17 maart 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator.

het op 10 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen.
1.2.
De rechtbank heeft daarnaast op 14 april 2026 een F9-formulier met een tweetal producties ontvangen van mr. Forder. Deze stukken zijn gelet op artikel 1.12 van het procesreglement Adoptie en overige (Boek 1)zaken niet uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend en zullen daarom (vooralsnog) buiten beschouwing worden gelaten.
1.3.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 15 april 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de moeder, met hun advocaten. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad.
<nr>2</nr>De nadere beoordeling
Inleiding
2.1.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. Grosfeld benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.
2.2.
Aan de rechtbank liggen, na de wijziging van het verzoek onder IV ter zitting, nog de verzoeken van de man voor om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] ;

II. hem met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten;

III. de hoofdverblijfplaats van [persoon] bij de moeder vast te stellen;

IV. afhankelijk van de beslissing over gezamenlijk gezag de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. een omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag tot zondag met de man zal doorbrengen of een andere regeling die naar het oordeel van de rechtbank in het belang is van [minderjarige] . Daarbij wordt verzocht vast te leggen dat de overdracht van [minderjarige] op vrijdag om 19:00 uur op station [plaats] zal zijn en op zondag om 19:00 uur wederom op het station [plaats] .
2.3.
Tevens ligt aan de rechtbank voor het zelfstandige verzoek van de moeder om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. mocht het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw

te bepalen onverhoopt worden afgewezen, dan verzoekt de vrouw hierbij

zelfstandig de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] bij haar vast te

stellen;

II. een zorg- en contactregeling vast te stellen inhoudende dat de minderjarige [minderjarige]

één keer per veertien dagen van vrijdag na school om 14.00 uur tot zondag 17.00

uur (inclusief reistijd) bij de man verblijft, waarbij het halen en brengen van de

minderjarige volledig voor rekening en verantwoordelijkheid van de man komt en het ophaalmoment op vrijdag plaatsvindt om 14.00 uur bij de school van [minderjarige] en

het overdrachtsmoment op zondag om 17.00 uur plaatsvindt bij de woning van de

vrouw;

III. althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
2.4.
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:

- De man en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren.

- De moeder is op 5 februari 2022 in [woonplaats 2] bevallen van [minderjarige] .

- Op de geboorteakte van [minderjarige] staat enkel de moeder als ouder vermeld.

- De man heeft [minderjarige] niet erkend.

- De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .

- De man, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.

De onderbouwing van de verzoeken van de man
2.5.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat niet in geschil is dat hij de verwekker is van [minderjarige] . De man en de moeder hebben de zwangerschap gepland en de man was aanwezig bij de geboorte. De man neemt zijn verantwoordelijkheid als ouder door [minderjarige] regelmatig te bezoeken en kinderalimentatie te betalen. De moeder staat niet onwelwillend tegenover de erkenning, maar verzet zich vanwege het wettelijke gevolg dat de man daarmee mede met het gezamenlijk gezag zou worden belast. Uit niets blijkt dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zal schaden en evenmin dat door erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang zal komen. In tegendeel, erkenning is in het belang van [minderjarige] , gezien de belangrijke rol die de man feitelijk en sociaal al in haar leven speelt. De man verzoekt daarnaast om samen met de moeder met het gezamenlijk gezag te worden belast. Van contra-indicaties voor gezamenlijk gezag is geen sprake. De man maakt deel uit van het leven van [minderjarige] en wenst bij te blijven dragen aan haar verzorging en opvoeding. Hij heeft de moeder altijd naar zijn mogelijkheden willen ondersteunen in de opvoeding van [minderjarige] . Hij was echter niet bekend met de verwachtingen die de moeder daarin van hem had. In een ouderschapsplan kunnen partijen afspraken zo concreet mogelijk vastleggen zodat duidelijk is wat zij in de toekomst van elkaar kunnen verwachten. Partijen geven momenteel uitvoering aan een omgangsregeling waarbij de man en [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag tot zondag omgang met elkaar hebben. De man erkent dat met de huidige regeling [minderjarige] op vrijdag pas laat bij de man thuis in [woonplaats 1] is en op zondag ook pas laat weer terug bij de moeder thuis in [woonplaats 2] is.

Het standpunt van de vrouw
2.6.
De moeder bevestigt dat er geen discussie is over het biologisch vaderschap van de man. Zij heeft dan ook geen bezwaren tegen de erkenning. Ondanks de onderlinge verhoudingen is het van belang dat de man als juridische vader op de geboorte akte van [minderjarige] wordt vermeld. De moeder acht het echter niet in het belang van [minderjarige] dat partijen gezamenlijk met het gezag worden belast. De man is niet of nauwelijks betrokken bij belangrijke aspecten van de opvoeding, zoals bezoeken aan het consultatiebureau, schoolkeuzes of andere wezenlijke beslissingen. Hij toont weinig interesse in het dagelijks leven van [minderjarige] . Bij de man is een patroon van onvoorspelbaar en conflictueus gedrag zichtbaar. Dit patroon maakt dat de moeder geen vertrouwen heeft in een stabiele en veilige samenwerking, hetgeen wel noodzakelijk is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag. Daarnaast stelt de moeder voorop dat zij het belangrijk vindt dat er tussen [minderjarige] en de man contact plaatsvindt. Zij maakt zich wel veel zorgen over het lange reistraject voor [minderjarige] . Als [minderjarige] op vrijdag naar de man gaat is zij pas laat bij hem. De zondag staat praktisch in het teken van de terugkeer naar de moeder en [minderjarige] heeft daarna weinig tijd om tot rust te komen voordat zij maandag weer naar school gaat. Daarnaast merkt de moeder op dat zij over beperkte financiële middelen beschikt waardoor niet van haar verwacht kan worden dat zij structureel kosten maakt ten behoeve van de overdracht. Het ligt op de weg van de man om het halen en brengen van [minderjarige] voor zijn rekening te nemen.

Het standpunt van de bijzondere curator
2.7.
De bijzondere curator heeft in voormeld rapport van 17 maart 2026 en tijdens de zitting onder meer het volgende aangegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Dat staat daarmee voor de bijzondere curator afdoende vast. De moeder heeft geen bezwaar tegen de erkenning. De twijfels om het onderling te regelen lijken het meest te liggen op het vlak van controle en macht welke de man zou kunnen uitoefenen in het geval na erkenning ook gezag volgt. Echter, in het geval de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning verleent, betekent dit niet automatisch dat de man ook mede met het gezag wordt belast. De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat zij door de man wordt erkend. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt daarmee niet geschaad. Het verzoek ligt naar mening van de bijzondere curator voor toewijzing gereed.

Het advies van de Raad
2.8.
De Raad is het met de man en de moeder eens dat [minderjarige] de man zo vaak als mogelijk moet kunnen zien. Het is echter niet in het belang van [minderjarige] dat zij op vrijdag laat in de avond nog met de man naar [woonplaats 1] moet reizen. De Raad kan de omgangsregeling zoals partijen die ter zitting zijn overeengekomen ondersteunen.

Het oordeel van de rechtbank
2.9.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.

Vervangende toestemming erkenning
2.10.
Op grond van artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
2.11.
Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Hoewel de vrouw kan instemmen met een erkenning door de man van [minderjarige] zijn partijen niet in staat gebleken om dit gezamenlijk bij de gemeente te regelen. Dit betekent dat het verzoek van de man om hem, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen in beginsel moet worden toegewezen, tenzij er sprake is van een of beide in artikel 1:204, lid 3 BW genoemde weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat een erkenning de belangen van de moeder of de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden.
2.12.
De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook onweersproken toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Hij kan dit doen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

Omgangsregeling
2.14.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft bovendien het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
2.15.
Zolang de man [minderjarige] nog niet daadwerkelijk heeft erkend, is hij geen juridisch ouder van [minderjarige] als bedoeld is voormeld artikel. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de man en [minderjarige] in een nauwe en persoonlijke betrekking tot elkaar staan. [minderjarige] is geboren uit de relatie van partijen en deze relatie heeft tot juni 2023 geduurd. De man is de biologische vader van [minderjarige] en zij hebben momenteel eenmaal per twee weken een weekend omgang met elkaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man en [minderjarige] in een nauwe en persoonlijke betrekking tot elkaar staan. Dit betekent dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling omgang
2.16.
Voor wat betreft de omgangsregeling hebben de man en de moeder ter zitting overeenstemming bereikt in die zin dat de man en [minderjarige] recht hebben op omgang met elkaar eens per veertien dagen van vrijdag +/- 18:30 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de overdracht steeds op die tijdstippen op station [woonplaats 2] zal zijn. De advocaten van partijen hebben toegezegd bereid te zijn om te kijken of het lukt om nadere afspraken te maken.
2.17.
De rechtbank is van oordeel dat deze regeling in het belang van [minderjarige] is en zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Gezag en hoofdverblijf
2.18.
Op grond van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.19.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
2.20.
Aangezien de man, zolang de vervangende toestemming tot erkenning nog niet geëffectueerd is, nog geen juridische vader is, is hij op dit moment (nog) niet bevoegd om een verzoek tot gezamenlijk gezag en vaststellen hoofdverblijf in te dienen. De rechtbank zal de verzoeken om proceseconomische reden wel ontvangen, maar de beslissing daarop pro forma aanhouden, zulks in afwachting van bericht van (de advocaten van) partijen omtrent de stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop.
2.21.
Dit betekent dat als volgt wordt beslist.
<nr>3</nr>De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
3.2.
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
3.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige recht hebben op omgang met elkaar eens per veertien dagen van vrijdag +/- 18:30 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de overdracht steeds op die tijdstippen op station [woonplaats 2] zal zijn;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken over gezag en hoofverblijf aan tot 15 september 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van bericht van (de advocaten van) partijen over de stand van zaken en het door hen gewenste verdere procesverloop;
3.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026, in aanwezigheid van mr. van Noort, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:



In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

Artikel delen