ECLI:NL:RBZWB:2026:5210
Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen,
Verzoek machtiging uithuisplaatsing afgewezen omdat jeugdige in detentie zit, het gezinshuis hem niet terug wil nemen en er nu geen alternatief is
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 July 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5210
text/xml
public
2026-07-03T11:49:14
2026-06-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-13
C/02/447277 / JE RK 26-670
Uitspraak
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Middelburg
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5210
text/html
public
2026-07-03T11:45:13
2026-07-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:5210 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-05-2026 / C/02/447277 / JE RK 26-670
Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen,
Verzoek machtiging uithuisplaatsing afgewezen omdat jeugdige in detentie zit, het gezinshuis hem niet terug wil nemen en er nu geen alternatief is
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447277 / JE RK 26-670
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Ondanks behoorlijke oproeping is de vader niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 3 september 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 september 2024 en tot 3 juni 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 30 mei 2025 verlengd tot 3 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 11 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19
februari 2025 en tot 3 juni 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 mei 2025, hersteld bij beschikking van 25 november 2025,
is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 3 juni 2025
en tot 3 december 2025.
2.5.
Bij beschikking van 7 juli 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in
een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 juli 2025 en tot 7
oktober 2025.
2.6.
Bij beschikking van 23 september 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te
plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 oktober
2025 en tot 18 november 2025.
2.7.
Bij beschikking van 14 november 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te
plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 18
november 2025 en tot 7 januari 2026.
2.8.
Bij beschikking van 22 januari 2026 is het verzoek van de GI om zonder
voorafgaand horen van belanghebbende te beslissen op het verzoek van de GI afgewezen en
is het verdere verzoek aangehouden tot de zitting van 3 februari 2026.
2.9.
Bij beschikking van 3 februari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 juni 2026.
2.10.
[minderjarige] verblijft op basis van deze machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek verwijst de GI naar de overgelegde stukken. De GI heeft ook een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. Dit verzoek kan door de recente ontwikkelingen niet langer worden gehandhaafd. De GI heeft dit ter zitting toegelicht. Twee weken geleden is er door het gezinshuis een nepwapen en drugs aangetroffen bij [minderjarige] . [minderjarige] zit sindsdien in detentie. Het gezinshuis heeft kenbaar gemaakt dat [minderjarige] niet meer welkom is. Hierdoor is er op dit moment geen plek om te verblijven voor [minderjarige] . De GI zal de komende periode op zoek moeten naar een nieuwe plek voor [minderjarige] . Op het moment dat er een nieuwe plek is gevonden zal een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing worden verzocht. Na dit incident zijn de zorgen over [minderjarige] weer toegenomen. Naast zijn woonplek, is ook de dagbesteding van [minderjarige] weggevallen. Ook heeft [minderjarige] hulpverlening nodig. Hier staat [minderjarige] niet voor open. Tot slot geeft de GI aan dat de vader het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
[minderjarige] leek zich de afgelopen periode mede door middel van therapie positief te hebben ontwikkeld op het gebied van emotieregulatie, impulsbeheersing en inzicht in zich eigen gedrag en de gevolgen hiervan. Na de gesloten plaatsing in [accommodatie] van juli 2025 tot januari 2026 heeft [minderjarige] deze vaardigheden kunnen toepassen in een gezinshuis die hem een veilige en stabiele omgeving gaf. Dit leek tot voor kort goed te gaan. Recentelijk zijn er drugs en een nepwapen bij [minderjarige] gevonden waardoor hij nu in detentie zit. Waarschijnlijk was hij hier al een tijd mee bezig. Dit maakt dat de zorgen over [minderjarige] weer zijn toegenomen. [minderjarige] heeft op dit moment geen verblijfplek als hij vrijkomt, zijn dagbesteding is weggevallen en er is op dit moment geen hulpverlening voor [minderjarige] ingezet. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt gedreigd. Gebleken is dat de positieve ontwikkeling van [minderjarige] ’s gedrag kwetsbaar is. Zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling vraagt blijvend om begeleiding, nabijheid en duidelijke kaders. Het is daarom belangrijk dat de GI betrokken blijft om zicht te blijven houden op [minderjarige] . Het is belangrijk dat [minderjarige] verdere stappen gaat maken op het gebied van verantwoordelijkheidsgevoel en impulscontrole. De GI zal samen met [minderjarige] en de jeugdreclassering moet bekijken wat de vervolgstappen voor [minderjarige] zullen zijn. Ook moet de GI het contact tussen [minderjarige] en de vader blijven monitoren.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
5.6.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing nu niet verlengd kan worden omdat [minderjarige] op dit moment in detentie zit en er nu geen woonplek beschikbaar is voor [minderjarige] . Hierdoor kan de machtiging niet ten uitvoer worden gelegd.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 3 juni 2026 en tot 3 december 2026;
6.2.
wijst de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.