Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5445

Informele rechtsingang. Wijziging zorgregeling, ouders voorlopige zorgregeling overeengekomen. Die regeling ambtshalve vastgelegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5445 text/xml public 2026-07-08T14:55:17 2026-06-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-21 C/02/446133 / FA RK 26-1384 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5445 text/html public 2026-07-08T14:54:55 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5445 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-05-2026 / C/02/446133 / FA RK 26-1384
Informele rechtsingang. Wijziging zorgregeling, ouders voorlopige zorgregeling overeengekomen. Die regeling ambtshalve vastgelegd.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/446133 / FA RK 26-1384

datum uitspraak: 21 mei 2026

beschikking op de vraag van de minderjarigen door middel van een informele rechtsingang

[minderjarige 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,

wonende in [plaats 1] ,

en

[minderjarige 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,

wonende te [plaats 1] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. N. van Vliet

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. Th. Kremers

De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda/Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1Het verloop van de zaak 1.1
Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.2
De kinderrechter heeft op 25 maart 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over hune-mailbericht.
1.2
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders (en de Raad) uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Hierbij zijn verschenen: de ouders en hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
Op 17 april 2026 heeft [minderjarige 2] nog een brief aan de kinderrechter gestuurd.
2De feiten 2.1
De ouders zijn op [datum 1] 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 2] . Binnen dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum 2] 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel uitmaken van de beschikking.
2.3.
Partijen hebben vervolgens de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.

In het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens

in de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks
20.00
uur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat

wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en/of vaker bij vader en/of moeder te willen

verblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel

uitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de

man gaan.
2.4.
Tussen de ouders is een procedure aanhangig bij deze rechtbank bekend onder het nummer met kenmerk C/02/430176 / FA RK 24-6047. In deze procedure heeft de man verzocht om de zorgregeling te wijzigen en is door de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten. Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopig vastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. De man heeft in die procedure vervolgens verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.
3De vraag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 3.1
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen de kinderrechter feitelijk om de (voorlopige) zorgregeling te wijzigen en [minderjarige 1] vraagt daarnaast om haar hoofverblijf te wijzigen. Zij wil dat haar hoofdverblijf bij haar vader zal zijn.
3.2
[minderjarige 1] geeft, samengevat, aan dat zij het liefst bij haar vader wil gaan wonen. Zij heeft het bij haar moeder niet altijd fijn en dat komt omdat zij niet goed kan opschieten met de nieuwe vriend van haar moeder. Hij heeft haar een keer met de platte hand in haar gezicht geslagen, nadat zij ruzie had met [minderjarige 2] . En hij heeft haar ook een keer tegen een muur aan geduwd en hard tegen haar geschreeuwd. De vriend van haar moeder is 2 meter lang en zij voelde zich op dat moment heel erg geïntimideerd. Verder praat de vriend van haar moeder ook slecht over haar vader en daar heeft [minderjarige 1] ook veel last van. Een week op week af regeling vindt [minderjarige 2] op dit moment goed, maar zij wil uiteindelijk bij haar vader gaan wonen.
3.3
[minderjarige 2] geeft, samengevat, aan dat zij graag meer bij haar vader wil zijn. Zij twijfelt nog wel over welke zorgregeling zij precies wil. [minderjarige 2] wil uiteindelijk waarschijnlijk tot een week op week af regeling te komen, maar zij wil dat dan wel rustig opbouwen. Dus bijvoorbeeld eerst een halve week en een week in de maand naar haar vader gaan. Zij is namelijk bang dat zij een directe verandering naar een week op week af regeling niet aan kan. Verder vindt [minderjarige 2] het belangrijk dat zij bij een nieuwe zorgregeling naar haar handbaltrainingen en wedstrijden kan blijven gaan. Zij speelt topklasse handbal en het is ook een heel leuk team. Als zij een keer niet naar de training of een wedstrijd kan, dan wil zij dat haar vader daar met haar overlegt voordat zij wordt afgemeld. Verder wil [minderjarige 2] ook als zij bij haar vader is met haar vrienden kunnen afspreken.
4De standpunten 4.1
De moeder en haar advocaat geven aan dat er voor de komende periode een nieuwe zorgregeling is overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus meer contact hebben met de vader. Er is afgesproken dat [minderjarige 1] om de week een hele week bij de man verblijft (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27) en [minderjarige 2] een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader zal zijn. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] , die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is 8 jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hootp dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.
4.2
De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .
4.3
De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .
5De beoordeling van de kinderrechter 5.1
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.

De vraag van [minderjarige 1] over het wijzigen van haar hoofdverblijf
5.2
De kinderrechter gaat geen (ambtshalve) beslissing nemen over de vraag van [minderjarige 1] om haar hoofdverblijf te wijzigen. De vader heeft inmiddels in de procedure die tussen ouders loopt ook verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Het bepalen van het hoofdverblijf hoort wat de kinderrechter betreft meer thuis in de procedure tussen de ouders dan in het kader van een informele rechtsingang.

De vragen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het wijzigen van de zorgregeling
5.3
De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. [hulpverlening] is nu gestart met een hulpverleningstraject. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en dus ook een definitieve zorgregeling. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader.
5.4
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de overeengekomen regeling voorlopig vaststellen en deze zaak aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum. Van de advocaten van de ouders wordt verwacht dat zij de kinderrechter uiterlijk op die datum schriftelijke informeren over de resultaten, dan wel stand van zaken omtrent de zorgregeling en het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . Het rapport van [hulpverlening] zal worden ingebracht in de hiervoor vermelde tussen de ouders aanhangige procedure.
5.5
De beslissing over de voorlopige zorgregeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als eventueel hoger beroep wordt ingesteld.
5.6
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen ieder een brief met een uitleg van de beslissingen van de kinderrechter.

Beste [minderjarige 1] ,

Jij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.

Jij geeft aan dat jij het liefst bij je vader wil wonen en dat je hem in ieder geval vaker wil zien. Je ouders hebben samen een regeling voor de komende maanden afgesproken, waarbij jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.

Voor wat betreft het hoofdverblijf, gaat de kinderrechter nu geen beslissing nemen. Tussen je ouders loopt er een juridische procedure en de kinderrechter vindt de vraag over waar jij je hoofdverblijf moet hebben beter in die procedure passen. Uiteindelijk zal daar dus een beslissing over genomen worden, maar eerst zal worden bekeken hoe de uitgebreidere contacten met je vader gaan verlopen.

Je ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.

Met vriendelijke groet,

De kinderrechter.

Beste [minderjarige 2] ,

Jij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 17 april 2026 heb jij nog een aanvullende e-mail gestuurd. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.

Jij geeft aan dat je meer contact wil met je vader, maar dat je nog niet precies weet hoe je dat het liefste wilt. Je ouders hebben samen afspraken gemaakt de komende maanden, waarbij ze hebben afgesproken dat jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.

Je ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.

Met vriendelijke groet,

De kinderrechter.
6De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
6.1
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige 1] om het hoofdverblijf van haar bij de vader te bepalen;
6.2
bepaalt ambtshalve dat de bij beschikking van 10 juni 2025 vastgestelde voorlopige contactregeling wordt gewijzigd en bepaalt dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopig zal plaatsvinden:

- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);

- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader;
6.3
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.4
houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot 25 augustus 2026 pro forma, in afwachting van een schriftelijke reactie van de advocaten van de ouders zoals staat beschreven in rechtsoverweging 5.4;
6.5
houdt iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.

Mededeling van de griffier:

Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:

a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;

b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;

c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;

d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Artikel delen