Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5447

Kort geding. Schorsing voorlopige omgangsregeling. Vordering afgewezen bij gebrek aan belang ivm eindbeslissing in bodemprocedure in de vorm van vastlegging definitieve zorgregeling waardoor voorlopige regeling is komen te vervallen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5447 text/xml public 2026-07-08T14:49:17 2026-06-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-21 C/02/446788 / KG ZA 26-177 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5447 text/html public 2026-07-08T14:48:44 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:5447 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-05-2026 / C/02/446788 / KG ZA 26-177
Kort geding. Schorsing voorlopige omgangsregeling. Vordering afgewezen bij gebrek aan belang ivm eindbeslissing in bodemprocedure in de vorm van vastlegging definitieve zorgregeling waardoor voorlopige regeling is komen te vervallen.

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

zaaknummer: C/02/446788 / KG ZA 26-177

Vonnis in kort geding van 21 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. T. van Riel te Breda.

Partijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4-2.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- een medewerker namens de Raad;

- twee medewerkers van Stichting Jeugdbescherming Brabant (op afstand, via een audiovisuele verbinding).
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in deze zaak, het verzoek van de Raad (in de zaak met kenmerk C/02/445894 / JE RK 26-410) en de verzoeken in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C/02/422607 / FA RK 24-2326) zijn die drie zaken gelijktijdig op zitting behandeld. In alle zaken wordt bij separate beschikking/vonnis beslist.

2. De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de volgende op dit moment nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
2.2.
De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bekend onder zaaknummer C/02/422607 / FA RK 24-2326.
2.4.
Bij beschikking van 12 november 2024 in voormelde bodemprocedure heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] vervolgens erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
2.6.
Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank, bij voormelde beschikking van 12 november 2024 in genoemde bodemprocedure partijen naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de (definitieve) beslissingen op de overige verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een omgangs- c.q. zorgregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.
2.7.
Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen, dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat partijen in onderling overleg een nadere uitbreiding zullen regelen.
2.8.
Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang met elkaar twee dagen per week van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.
2.9.
Bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.10.
Bij beschikking van vandaag (21 mei 2026) heeft de rechtbank in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure eindbeslissingen gegeven op de voorliggende verzoeken. Verkort weergegeven heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:

- partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige 2] ;

- de kinderen in het kader van de zorgregeling iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man zullen verblijven;

- de vrouw de man iedere maand moet informeren over de ontwikkeling van de kinderen.

3. De vorderingen
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de in rechte voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de kinderen,

zoals opgenomen in voormeld kortgedingvonnis van 1 december 2025, te schorsen totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist,

II. althans een zodanige beslissing te nemen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.
3.2
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen, onder veroordeling van de vrouw in de aan de zijde van de man gemaakte kosten van deze procedure.
4De beoordeling 4.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de hiervoor onder 2.10. genoemde beschikking van vandaag (21 mei 2026) eindbeslissingen zijn gegeven op de verzoeken van partijen die nog voorlagen in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure. Eén van die beslissingen houdt de vastlegging in van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur.
4.2
Met die eindbeslissing in de bodemprocedure tussen partijen is de bij vonnis van 1 december 2025 door de voorzieningenrechter voorlopig bepaalde omgangsregeling tussen de man en de kinderen komen te vervallen. Bij de vorderingen van de vrouw om die voorlopige – inmiddels vervallen – regeling te schorsen, bestaat daarom geen belang meer.
4.3
Bij gebrek aan belang zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in deze kortgedingprocedure afwijzen.
4.4
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, zoals de man heeft verzocht. In procedures van familierechtelijke aard is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Daarvan wordt alleen maar afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn, bijvoorbeeld een partij die misbruik maakt van zijn of haar procesbevoegdheid. De omstandigheid dat de vorderingen van de vrouw in dit kort geding worden afgewezen, is onvoldoende om te concluderen dat zij misbruik heeft gemaakt van haar procesbevoegdheid. De voorzieningenrechter zal daarom het uitgangspunt hanteren en de proceskosten compenseren.
4.5
De voorzieningenrechter hoopt dat partijen in de toekomst geen (kortgeding)procedures meer zullen (hoeven) aanspannen in verband met (de uitvoering van) de zorgregeling tussen de man en de kinderen. De (juridische) strijd tussen ouders is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Inmiddels heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen met hulpverlening invulling weten te geven aan een vorm van gezamenlijk ouderschap waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duurzaam, positief en onbelast contact met beide ouders kunnen hebben.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham als griffiers.




Artikel delen