Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:6692

BPM.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:6692 text/xml public 2026-08-04T08:49:04 2026-07-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-21 BRE 23/11400 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6692 text/html public 2026-08-04T08:48:38 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:6692 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-07-2026 / BRE 23/11400
BPM.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 23/11400
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.855 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] . [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Porsche 911 3.0 Carrera T met VIN [nummer] (de auto), en een bedrag van € 5.542 aan Bpm voldaan.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 126.597. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 14.458.
3.1.
Bij de aangifte heeft belanghebbende tevens de inkoopfactuur overgelegd. De inkoopfactuur vermeldt een bedrag van € 73.000 inclusief omzetbelasting.
3.2.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd met gebruikmaking van de forfaitaire afschrijvingstabel. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 276 g/km.
Motivering
4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast.

Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

CO2-uitstoot
4.2.
Subsidiair heeft belanghebbende betoogd dat de auto een CO2-uitstoot had van 244 g/km in plaats van 276 g/km, waardoor de bruto historische bpm € 37.426 zou bedragen en op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel de verschuldigde bpm € 11.416 zou bedragen.
4.3.
De rechtbank overweegt dat in het kentekenregister wordt vermeld dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 276 g/km. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 volgt dat wanneer de CO2-uitstoot van het te registreren motorvoertuig vaststaat, voor de heffing van bpm de CO2-uitstoot een gegeven kenmerk is. Niet gesteld of gebleken is dat de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot op een later moment is gewijzigd. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 276 g/km. De rechtbank is daarom van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.4.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 augustus 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 27 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twaalf maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.

Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561.

Zie artikel 9, dertiende lid, van de Wet Bpm in samenhang met artikel 6a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm.

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.

Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.

Artikel delen