ECLI:NL:RBZWB:2026:6709
text/xml
public
2026-08-03T08:00:24
2026-07-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-07-24
BRE 26/1794 V
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
NL
Breda
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6709
text/html
public
2026-07-30T08:57:45
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:6709 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-07-2026 / BRE 26/1794 V
Verzet ongegrond
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1794 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 op het verzet van
[opposante]
, uit [plaats] , opposante
(gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026 in het geding tussen
opposante
(gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van 6 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen van opposante gegrond heeft verklaard.
1.1.
Opposante heeft op 11 juni 2026 tegen de uitspraak een verzetschrift ingediend.
1.2.
Opposante heeft aangegeven dat zij op zitting wil worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben online deelgenomen: opposante en opposante haar gemachtigde. Het UWV was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 6 mei 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere beslistermijn dan twee weken aangewezen, vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. Het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV ligt daaraan ten grondslag. Aangezien de termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, heeft de rechtbank een beslistermijn van vier maanden en daarnaast een dwangsom aan het UWV opgelegd.
3.1.
Opposante voert tegen de uitspraak aan dat er aan de kant van het UWV geen sprake is van overmacht. Er is immers geen sprake van een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden die buiten het toedoen van het UWV liggen. Opposante stelt dat het capaciteitsprobleem uitsluitend bij het UWV zelf ligt. Ook heeft het UWV het probleem deels zelf in de hand gewerkt, omdat het UWV sinds 1 januari 2026 het beleid voert dat een ingebrekestelling, het instellen van direct beroep, het opleggen van een dwangsom of het verstrijken van de beslistermijn niet meer leidt tot het naar voren halen van de betreffende zaak.
3.2.
Omdat het UWV in de beroepszaak niet kan aangeven wanneer er een beslissing op het bezwaar kan worden genomen, is het voor de rechtbank feitelijk onmogelijk om vast te stellen welke beslistermijn onnodig lang en onrealistisch kort is. Volgens opposante moet er bij deze stand van zaken worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn van twee weken. Voor een verlengde termijn is derhalve in beginsel geen plek. Zij verwijst naar de uitspraak van 3 juni 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
3.3.
Opposante acht het meer dan redelijk dat de termijn genoemd in artikel 8:55d van de Awb wordt verlengd naar twee maanden te rekenen vanaf de verzending van de uitspraak van 6 mei 2026.
3.4.
Tijdens de zitting heeft opposante haar verzetschrift verder toegelicht. Zij heeft verteld dat het lange wachten haar zeer frustreert. Zij wil graag worden gezien als een mens en niet als een nummertje. Opposante heeft twee kleine kinderen en zij weet nu niet waar zij aan toe is. De onzekerheid waarin zij leeft, heeft een invloed op haar weerstand.
De beoordeling van de verzetrechter
4. De verzetrechter begrijpt dat niet in geschil is dat het beroep gegrond is. Opposante is het niet eens met de duur van de rechterlijke beslistermijn, zij wil dat er een kortere termijn aan het UWV wordt opgelegd.
4.1.
De verzetrechter overweegt dat de stelling van opposante, dat de problemen bij het UWV liggen, niet af doet aan het feit dat het onrealistisch en onzorgvuldig is om een kortere termijn dan vier maanden op te leggen. Een kortere termijn is in de buitenzittingszaak niet aan het UWV opgelegd, omdat het op voorhand al duidelijk is dat deze termijn niet gehaald gaat worden. De verzetrechter merkt op dat de situatie momenteel – hoe ongewenst ook – een gegeven is waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen beslistermijn. De termijn om alsnog een beslissing te nemen mag niet lang of onrealistisch kort zijn. De door de rechtbank opgelegde termijn van vier maanden doet naar oordeel van de verzetrechter recht aan de reële mogelijkheid om op het bezwaar te beslissen en aan het belang van opposante om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Ook ziet de verzetsrechter geen reden om van de opgelegde termijn af te wijken naar aanleiding van de aangevoerde uitspraak van de Afdeling, al is het maar omdat in die specifieke Wet hersteloperatie toeslag zaken ervoor gekozen is om de dwangsom op nihil te stellen. Het verzet slaagt niet.
4.2.
De verzetrechter begrijpt dat opposante eerder duidelijkheid zou willen over haar bezwaar, maar zoals hiervoor overwogen is dat op dit moment niet reëel. Het is bekend dat de rij van wachtende op een verzekeringsarts bij het UWV lang is en de verzetrechter kan voor de situatie van opposante geen uitzondering toestaan. De verzetrechter gaat ervan uit dat het UWV wel alles in het werk stelt om indien mogelijk eerder op het bezwaar van opposante te beslissen.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
ECLI:NL:RBZWB:2026:3972.
Opposante verwijst naar ECLI:NL:PHR:2013:BZ5793.
Opposante verwijst naar ECLI:EU:C:2025:326.
Opposante verwijst naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192 r.o.16.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346, rechtsoverweging 10.7.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 17.