ECLI:NL:RBZWB:2026:7149
Echtscheiding met nevenvoorzieningen; hoofdverblijf dochter en zorgregeling aangehouden
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 September 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7149
text/xml
public
2026-09-03T08:46:38
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-07-03
C/02/427883 FA RK 24-4896
Uitspraak
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Middelburg
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7149
text/html
public
2026-09-03T08:45:52
2026-09-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:7149 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-07-2026 / C/02/427883 FA RK 24-4896
Echtscheiding met nevenvoorzieningen; hoofdverblijf dochter en zorgregeling aangehouden
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/427883 FA RK 24-4896
Datum uitspraak: 3 juli 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.A. Broekman- de Feijter te Terneuzen,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. de Houck te Terneuzen
Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen: de Raad.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 22 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- de brief van mr. Broekman-de Feijter van 12 februari 2025;
- de brief van de Raad van 12 februari 2026 met het raadsrapport van 12 februari 2026;
- de brief van mr. Broekman-de Feijter van 26 maart 2026;
- de brief van de griffier van 9 april 2026 aan partijen over het verdere procesverloop;
- het F9-formulier d.d. 17 april 2026 van mr. De Houck;
- het F9-formulier d.d. 20 april 2026 van mr. Broekman-de Feijter;
- het F9-formulier van mr. Broekman-de Feijter van 2 juni 2026 met bijlage;
- het F9-formulier van 2 juni 2026 van mr. De Houck;
- het op 18 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Broekman-de Feijter van 18 juni 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van 22 juni 2026 van mr. Broekman-de Feijter met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van GI.
1.3. Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft zijn mening kenbaar gemaakt tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige 2] heeft een brief geschreven. De rechter heeft tijdens de zitting samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek en via de brief naar voren hebben gebracht en partijen hebben hierop kunnen reageren.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2011 te [plaats 1] .
2.2.
Uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016.
De minderjarigen verblijven bij de man.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast.
2.4.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.5.
Bij beschikking van 29 augustus 2025 zijn tussen partijen voorlopige voorzieningen getroffen.
2.6.
Bij beschikking van 23 oktober 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van GI met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026.
2.7.
De GI heeft op 19 juni 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] .
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt thans, na wijziging van haar initiële verzoeken, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de echtscheiding uit te spreken in het op [datum] 2011 te [plaats 2] , gemeente Terneuzen, tussen partijen gesloten huwelijk met alle wettelijke gevolgen van dien;
II. het convenant d.d. 26/29 mei 2026 aan de beschikking te hechten;
III. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] bij de man zal zijn;
IV. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn, althans dit verzoek aan te houden en te bepalen dat het door de GI uitgewerkte opbouwschema d.d. 19 juni 2026 voor de contactmomenten tussen [minderjarige 2] en de vrouw wordt uitgevoerd:
woensdag 24 juni 2026 haalt moeder [minderjarige 2] uit school. [jeugdorganisatie] sluit aan om 17:00 uur en brengt [minderjarige 2] om 19:00 uur terug naar vader;
woensdag 1 juli 2026 haalt moeder [minderjarige 2] uit school. [jeugdorganisatie] sluit aan om 18:00 uur en brengt [minderjarige 2] om 19:00 uur terug naar vader;
woensdag 8 juli 2026 haalt moeder [minderjarige 2] uit school. [jeugdorganisatie] heeft in de avond een beeldbelmoment met moeder. Moeder brengt [minderjarige 2] de volgende dag naar school;
vrijdag 17 juli 2026 haalt [jeugdorganisatie] [minderjarige 2] om 16:00 uur op bij vader en brengt [minderjarige 2] naar moeder. [jeugdorganisatie] sluit een uur aan. Maandag 20 juli 2026 sluit [jeugdorganisatie] om 18:00 uur aan bij moeder en brengt [minderjarige 2] om 19:00 uur naar vader;
woensdag 29 juli 2026 haalt [jeugdorganisatie] [minderjarige 2] om 16:00 uur bij vader op en brengt haar naar moeder. [jeugdorganisatie] sluit een half uur aan. Vrijdag 31 juli 2026 sluit [jeugdorganisatie] om 15:00 uur een uur aan. Op maandag 3 augustus 2026 sluit [jeugdorganisatie] met het avondeten aan. Woensdag 5 augustus 2026 sluit [jeugdorganisatie] om 15:00 uur aan en brengt [minderjarige 2] om 16:00 uur naar vader;
vrijdag 14 augustus 2026 haalt [jeugdorganisatie] [minderjarige 2] om 16:00 uur op bij vader en brengt haar naar moeder. [jeugdorganisatie] sluit een half uur aan. Dinsdag 18 augustus 2026 sluit [jeugdorganisatie] in de ochtend en uur aan. Vrijdag 21 augustus 2026 sluit [jeugdorganisatie] om 15:00 uur aan en brengt [minderjarige 2] om 16:00 uur naar vader;
vrijdag 28 augustus 2026 haalt moeder [minderjarige 2] op uit school. [jeugdorganisatie] sluit op dinsdag 1 september in de middag een uur aan. Vrijdag 4 september 2026 brengt moeder [minderjarige 2] naar school. [minderjarige 2] gaat vanuit school naar vader.
V. te bepalen dat de man de vrouw maandelijks per e-mail dient te informeren over de gezondheid, schoolresultaten en sociale ontwikkeling (sport, vriendjes/vriendinnetje) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
VI. als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] wordt vastgelegd bij de vrouw: te bepalen dat de man € 325,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] (voorlopig) bij de man zal zijn: te bepalen dat de man € 175,- per maand dient bij te dragen in de verblijfskosten van [minderjarige 2] bij de vrouw, althans een regeling voor de kosten van [minderjarige 2] vast te stellen die passend kan worden geacht.
3.2.
De man heeft verweer gevoerd en heeft bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man te bepalen.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, in het navolgende ingegaan.
4De beoordeling
Echtscheiding
4.1.
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken in het tussen partijen op [datum] 2011 te [plaats 2] , gemeente Terneuzen gesloten huwelijk. Zij heeft daartoe gesteld dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De man erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en voert geen verweer tegen het uitspreken van de echtscheiding.
Ouderschapsplan
4.2.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
4.3.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen voldoende aannemelijk is geworden dat van de vrouw redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overlegt dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 Rv. De rechtbank verklaart de vrouw derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding.
4.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, gelet op het voorgaande, als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
4.6.
De vrouw verzoekt de rechtbank de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst het verzoek af. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Hoofdverblijf [minderjarige 1]
4.7.
Partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] bij de man te bepalen. De rechtbank zal dit verzoek als op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich daartegen verzet.
Informatieregeling
4.8.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de vrouw maandelijks per e-mail dient te informeren over de gezondheid, schoolresultaten en sociale ontwikkeling (sport, vriendjes/vriendinnetje) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat hij instemt met het verzoek van de vrouw, mits de vrouw niet reageert op de informatie die de man de vrouw per e-mail toestuurt. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal dienovereenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Convenant
4.9.
Partijen hebben afspraken gemaakt in een convenant. De vrouw verzoekt het convenant aan de beschikking te hechten. De man stemt in met dit verzoek. De rechtbank hecht het convenant daarom aan deze beschikking.
Hoofdverblijf en zorgregeling [minderjarige 2]
4.10.
Tussen partijen is in geschil bij welke ouder [minderjarige 2] haar hoofdverblijf dient te hebben en op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan de zorgregeling van [minderjarige 2] .
4.11.
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar initiële verzoeken, te bepalen dat de door de GI in de aanwijzing van 19 juni jl. opgenomen regeling voor de contactmomenten tussen [minderjarige 2] en de vrouw wordt uitgevoerd.
4.12.
De vrouw voert hiertoe, samengevat en voor zover relevant, het volgende aan. Het gaat goed met haar. Zij betreurt het dat de gebeurtenissen uit het verleden steeds opnieuw naar voren worden gebracht door de man. De vrouw ziet [minderjarige 2] al voor een langere periode elke week en dit verloopt goed. Vanaf februari 2026 vinden de begeleide bezoekmomenten van [minderjarige 2] plaats in de woning van de vrouw en er wordt door de omgangsbegeleider structureel positief gerapporteerd. De vrouw en [minderjarige 2] hebben ook al een onbegeleid contactmoment gehad en dat is ook goed verlopen. Volgens de vrouw is het verloop van het door haar verzochte en ook het door de GI opgestelde opbouwschema dan ook niet te snel en zij wil zoveel mogelijk contact met [minderjarige 2] . Zij heeft een voorkeur voor het door de GI opgestelde opbouwschema. Een uitbreiding van de zorgregeling is tevens de wens van [minderjarige 2] . De vrouw maakt geen bezwaar tegen meer evaluatiemomenten.
4.13.
De man verzoekt om afwijzing van de door de vrouw verzochte zorgregeling nu hij zich niet kan vinden in het tempo van het door de GI uitgewerkte opbouwschema. Hij voert daartoe samengevat het volgende aan. Hij vindt dat er te snel grote stappen gezet worden in dit opbouwschema nu er zoveel weken begeleide omgang tussen de vrouw en [minderjarige 2] is geweest en er volgens het schema binnen een maand naar een co-ouderschapsregeling wordt gegaan. Het stappenplan is door de GI niet onderbouwd en het is ook niet met de man besproken. De man overweegt bezwaar te maken tegen de aanwijzing van de GI. Er is tussen partijen in het verleden veel gebeurd waardoor de man angstig is richting de vrouw. Zo is er in het verleden sprake geweest van psychische problematiek bij de vrouw. De man maakt zich hierom veel zorgen. Deze zorgen zijn niet weggenomen enkel door het goede verloop van de begeleide contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] . Ook maakt de man zich zorgen om [minderjarige 2] . [minderjarige 2] heeft structuur en voorbereiding nodig en dat wordt in het verzochte opbouwschema niet geboden. De man kan zich wel vinden in het initiële verzoek van de vrouw over de zorgregeling, waarin het tempo voor het opbouwen van de zorgregeling lager ligt.
4.14.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De Raad erkent de zorgen die de man heeft over de vrouw en deze zorgen zijn ook gegrond; dit staat ook in het Raadsrapport. Maar we zijn inmiddels twee jaar verder. Als het beter gaat met de vrouw dan moet dat binnen de ondertoezichtstelling duidelijk gemaakt worden. De Raad meent dat er een uitbreiding in de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] moet komen nu er tot nu toe positieve resultaten zijn van de contactmomenten en dat de vrouw en [minderjarige 2] ook aan een uitbreiding toe zijn. Er worden wel grote stappen gemaakt in het opbouwschema van de GI maar met meer evaluaties kan dit rooster worden geprobeerd. De man moet in die evaluaties worden meegenomen en [minderjarige 2] moet worden geïnformeerd over het rooster. Het is duidelijk dat er regie door de GI gevoerd moet gaan worden.
4.15.
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven te horen wat er nodig is. Er moet meer regie worden gevoerd. Het schema is gemaakt en er moet de komende tijd inzichtelijk worden gemaakt waar de GI ziet dat het goed gaat in de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] en waaruit blijkt dat de zorgen minder worden.
4.16.
De rechtbank oordeelt als volgt. Gezien de gebeurtenissen uit het verleden begrijpt de rechtbank de zorgen van de man over de vrouw. Tegelijkertijd is het de rechtbank tijdens de zitting en uit de stukken gebleken dat de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] goed verlopen en zijn de gebeurtenissen waarnaar de man verwijst van een aantal jaren geleden. Op basis van het Raadsadvies zoals in r.o. 4.14. is weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat het door de GI uitgewerkte opbouwschema, met in achtneming van het hierna volgende, kan worden uitgevoerd. Nu de omgang tussen de vrouw en [minderjarige 2] tot voor kort alleen begeleid heeft plaatsgevonden en zonder overnachting, en [minderjarige 2] volgens het schema van de GI eind juli reeds een hele week bij de vrouw zal verblijven met overnachtingen, is de rechtbank met de man van oordeel dat deze uitbreiding te snel gaat. Ter zitting is gebleken dat de man moet worden meegenomen in het verloop van het opbouwschema. De rechtbank vindt het van belang dat er genoeg evaluatiemomenten zullen plaatsvinden waarin de man wordt meegenomen, waardoor de man meer vertrouwen krijgt in de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] . Verder is het van belang dat [minderjarige 2] wordt geïnformeerd over de uitbreiding van de zorgregeling. De rechtbank zal daarom het schema van de GI vertragen en daarin, zoals ook door de Raad is geadviseerd, evaluatiemomenten opnemen.
4.17.
De rechtbank zal bepalen dat er de komende periode contacten tussen de vrouw en [minderjarige 2] zullen zijn conform het opbouwschema d.d. 19 juni jl van de GI met in achtneming van de volgende afwijkingen danwel aanvullingen:
evaluatiemoment tussen 1 juli 2026 en 8 juli 2026;
woensdag 8 juli 2026 haalt moeder [minderjarige 2] uit school. [jeugdorganisatie] heeft in de avond een beeldbelmoment met moeder. Moeder brengt [minderjarige 2] de volgende dag naar school;
evaluatiemoment tussen 8 juli 2026 en 17 juli 2026;
vrijdag 17 juli 2026 haalt [jeugdorganisatie] [minderjarige 2] om 16:00 uur op bij vader en brengt [minderjarige 2] naar moeder. [jeugdorganisatie] sluit een uur aan. Zaterdag 18 juli 2026 brengt [jeugdorganisatie] [minderjarige 2] om 19:00 uur naar vader. [minderjarige 2] zal dus één nacht bij moeder overnachten;
vanaf 31 juli 2026 ligt het verdere verloop van het opbouwschema volledig in handen van de GI. Het is aan de GI om evaluatiemomenten in te plannen. In beginsel slaapt [minderjarige 2] , afhankelijk van de evaluatiemomenten, één nacht of een heel weekend – van vrijdag tot en met zondag – bij moeder;
vanaf 4 september 2026: afhankelijk van de evaluatiemomenten kan eerst vanaf dat moment worden uitgebreid naar een week-op-week-af regeling. Voorwaarde voor deze uitbreiding is dat er voldoende positieve evaluaties zijn. De GI dient dan te bepalen hoe de regeling tot de zitting ten aanzien van de ondertoezichtstelling die in oktober 2026 zal worden gehouden dient te zijn.
4.18.
De rechtbank zal, nu er eerst zicht moet komen op hoe de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 2] verlopen, de beslissing met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige 2] aanhouden en verwijzen teneinde dit verzoek gelijktijdig te behandelen met de ondertoezichtstelling op de nog te plannen zitting in oktober 2026. De GI wordt verzocht ruim tijdig voorafgaand aan die zitting te berichten omtrent het verloop van de contactmomenten tussen [minderjarige 2] en de vrouw.
Kinderbijdrage [minderjarige 2]
4.19.
De vrouw verzoekt:
- als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] wordt vastgelegd bij de vrouw: te bepalen dat de man € 325,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] (voorlopig) bij de man zal zijn: te bepalen dat de man € 175,- per maand dient bij te dragen in de verblijfskosten van [minderjarige 2] bij de vrouw, althans een regeling voor de kosten van [minderjarige 2] vast te stellen die passend kan worden geacht.
4.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Een beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] wordt, gelet op hetgeen hieromtrent is overwogen, aangehouden en verwezen naar de nog te plannen zitting in oktober 2026 in verband met de ondertoezichtstelling. Nu het verzoek van de vrouw over de kinderbijdrage samenhangt met een beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] , zal de rechtbank de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage eveneens aanhouden en verwijzen naar genoemde in oktober 2026 te houden zitting.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit in het tussen partijen op [datum] 2011 te [plaats 2] , gemeente Terneuzen gesloten huwelijk;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man de vrouw maandelijks per e-mail dient te informeren over de gezondheid, schoolresultaten en sociale ontwikkeling (sport, vriendjes/vriendinnetje) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
5.4.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar zoals overwogen in r.o. 4.17.;
5.5.
houdt de zaak ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en de door de vrouw verzochte kinderbijdrage om reden als genoemd onder r.o. 4.18. en r.o. 4.20. aan en verwijst deze naar de nog te plannen zitting in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling. De GI wordt verzocht ruim tijdig voorafgaand aan die zitting te berichten omtrent het verloop van de contacten tussen de vrouw en [minderjarige 2] ;
5.6.
bepaalt dat de griffier partijen, hun advocaten, de Raad en de GI oproept voor de (nog te plannen) zitting;
5.7.
wijst af het verzoek om de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
5.8.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht omtrent de contacten tussen de vrouw en [minderjarige 2] in het kader van de zorgregeling;
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, en, in tegenwoordigheid van mr. De Keijzer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.