ECLI:NL:RBZWB:2026:9149
NTB om mee te werken aan een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dan wel om een onafhankelijke commissie die zich buigt over de nu ontstane situatie zodat eiseres verder geholpen kan worden - rechtbank kennelijk onbevoegd, (nalaten van een) feitelijke handeling.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 September 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9149
text/xml
public
2026-09-30T17:00:08
2026-09-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-09-22
BRE 26/1828
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9149
text/html
public
2026-09-28T14:59:36
2026-09-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:9149 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-09-2026 / BRE 26/1828
NTB om mee te werken aan een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dan wel om een onafhankelijke commissie die zich buigt over de nu ontstane situatie zodat eiseres verder geholpen kan worden - rechtbank kennelijk onbevoegd, (nalaten van een) feitelijke handeling.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1828
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet op tijd beslissen op haar verzoek van 15 januari 2026 aan het college om mee te werken aan een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dan wel om een onafhankelijke commissie die zich buigt over de nu ontstane situatie zodat eiseres verder geholpen kan worden.
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres wil dat het college een besluit neemt op haar verzoek. Om dat in rechte te kunnen afdwingen bij de bestuursrechter moet het verzoek zijn aan te merken als een aanvraag. Een aanvraag is een verzoek om een besluit te nemen. Alleen als het verzoek van eiseres is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen is de bestuursrechter bevoegd.
2.1.
Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiseres uiteindelijk een besluit wil van het CIZ. Daar wil zij namelijk een aanvraag doen voor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) teneinde de intensieve zorgbehoefte voor haar kinderen met een persoonsgebonden budget (pgb) efficiënt te kunnen regelen. Om dit besluit van het CIZ te krijgen, vraagt ze het college om mee te werken aan deze aanvraag of om een onafhankelijke commissie zich te laten buigen over de nu ontstane situatie zodat eiseres verder geholpen kan worden. Het al dan niet meewerken van het college is (het nalaten van) een feitelijke handeling en hetzelfde geldt voor het al dan niet instellen van een onafhankelijke commissie. Het enkele meewerken van het college aan de aanvraag bij het CIZ of het instellen van een onafhankelijke commissie die zich buigt over de nu ontstane situatie is namelijk niet gericht op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg vloeit (later) pas voort uit het besluit van het CIZ om al dan niet de Wlz-indicatie toe te kennen.
3.1.
De (bestuursrechter van de) rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen.
3.2.
Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiseres betaalde griffierecht (€ 54,-) worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Eiseres kan haar geschil met betrekking tot het niet verlenen van de gewenste samenwerking door het college uitsluitend aan de civiele rechter voorleggen. De rechtbank kan het beroepschrift niet doorsturen aan de civiele rechter, omdat dergelijke procedures op een andere wijze worden ingeleid, meestal met een dagvaarding. Indien gewenst kan eiseres hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket, een advocaat of bij haar rechtsbijstandverlener.
5. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het college in het verweerschrift van 28 april 2026 heeft aangegeven dat eiseres op 19 maart 2026 het aanbod om een gesprek te voeren over de gewenste samenwerking met een jeugd professioneel heeft afgewezen. Uit de bij het verweerschrift gevoegde tijdlijn blijkt verder dat op 28 november 2025 tussen partijen is gesproken over mogelijke hulp van Wijzijn bij het doen van een aanvraag Wlz, maar ook dat hulp vanuit de Jeugdwet zal vervallen in geval van toekenning van Wlz-zorg. Het inwinnen van advies bij bijvoorbeeld het Juridisch Loket, zoals hiervoor genoemd, kan eiseres mogelijk helpen bij het maken van een keuze en het herstellen van het contact met het college.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 22 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 1:3, eerste en derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:2 aanhef en onder b van de Awb, artikel 7:1, eerste lid, onder f van de Awb en artikel 8:1 van de Awb.
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.