Het is hoog tijd dat we anders gaan kijken naar de definities van welvaart en ‘goed’ beleid. De dominante ideologie hierover is namelijk veel te economistisch ingestoken. Dat stelt Ingrid Robeyns, hoogleraar Ethiek van Instellingen aan de Universiteit Utrecht, in een scherpe voordracht tijdens Springtij en een aansluitend interview met PONT | Zorg en sociaal. Zij schreef onder andere de bestseller Limitarisme, een pleidooi tegen extreme rijkdom. “Superrijkdom is schadelijk voor de samenleving als geheel.”

Ja, geeft Ingrid Robeyns toe in haar voordracht tijdens duurzaamheidsevent Springtij 2026, misschien ben ik wel een beetje een wereldverbeteraar. Er ís in elk geval veel te verbeteren, vindt zij. Vooral de ongelijke verdeling van rijkdom in de wereld is Robeyns een doorn in het oog.
Ingrid Robeyns koos bewust voor een deeltijdaanstelling als hoogleraar bij de Universiteit Utrecht, want haar activiteiten en interesses zijn divers: zij is filosoof, econoom, hoogleraar en schrijver. Haar bestseller Limitarisme leverde Robeyns veel bekendheid op door de moedige boodschap: er zou een limiet gesteld moeten worden aan individuele rijkdom.
Want, zo betoogt Robeyns, buitensporige welvaart is een gevaar voor de democratie en staat een duurzame toekomst in de weg. Superrijkdom leidt namelijk vaak tot een verkwistende leefstijl, statusgerichtheid en handelen dat gericht is op het beschermen van de huidige rangorde en machtsbehoud. Met andere woorden, extreme rijkdom brengt buitensporige politieke invloed en een enorme ecologische voetafdruk met zich mee, die beide schadelijk zijn voor de samenleving als geheel. Het ‘overtollige’ geld zou de samenleving veel goeds kunnen opleveren en daar profiteert iedereen uiteindelijk van, ook de superrijken zelf.
In een kapitalistische samenleving als de onze leidt deze zienswijze vaak tot stevige reacties. Die ‘rijken’ hebben doorgaans toch hard moeten werken en vechten voor hun geld? Het is ze toch niet komen aanwaaien?
Misschien toch een beetje, bezweert de Utrechtse hoogleraar. “Toeval speelt een enorm grote rol in ons leven. Maar zo zien wij onszelf niet: wij beschouwen onszelf als de actor van ons eigen succes. Terwijl het soms simpelweg zo is dat je geluk hebt gehad. Iemand zei ooit tegen mij: ‘Ach, dakloze zijn is een levensstijl waar je voor kiest.’ Dan denk ik: denk je dat echt?”
“Daarbij komt,” vervolgt Robeyns, “dat we ons amper realiseren hoe groot de vermogenskloof werkelijk is. De rijkste Europeaan heeft een vermogen van 130 miljard euro. Weet je wat je uurloon moet zijn om zoveel geld tijdens je carrière te verdienen? 800.000 euro per uur!”
Op die manier maakt zij de gedachte aannemelijk dat individuen die een ‘overdosis’ van dit geluk hebben mogen ervaren, een deel daarvan in euro’s teruggeven aan de maatschappij. Misschien, mijmerde zij, zou het dan mogelijk zijn om iedereen uit de armoede te tillen.
Intussen is de mens hard op weg om onze planeet onherstelbare schade toe te brengen. Robeyns wees erop dat we onszelf nog te vaak als overheerser van de natuur zien en dat inmiddels zeven van de negen planetaire grenzen zijn overschreden.
In haar voordracht op Springtij benoemde Ingrid Robeyns drie fundamentele veranderingen voor politiek en maatschappij:
Robeyns geldt als doorontwikkelaar van de capabilitybenadering, een theorie over menselijk welzijn en sociale rechtvaardigheid. Kernidee van die benadering is dat welzijn en kwaliteit van leven niet worden gemeten aan de hand van inkomen, bezit of geluksbeleving (‘nut’), maar aan wat mensen daadwerkelijk kunnen doen en zijn (hun capabilities of vermogens). Robeyns gebruikte deze theorie om na te gaan of instituties (zoals zorg, arbeidsmarkt en economie) mensen in staat stellen om een bloeiend, waardig leven te leiden.
Vanuit Robeyns werk rond de capabilitybenadering is de brug snel geslagen naar het begrip brede welvaart, een in sociale vraagstukken en binnen onze leefomgeving snel opkomend begrip, waarvoor de capabilitybenadering als fundering kan worden gezien.
Ingrid Robeyns: Brede welvaart gaat over belangrijke indicatoren rond de kwaliteit van leven. Een daarvan zit in de ruimtelijke omgeving: een schone, veilige en groene leefomgeving. De verandering van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving heeft veel mensen voordelen opgeleverd. Voor een grote groep kwetsbare mensen zou het op papier óók moeten werken, maar zij komen volledig vast te zitten in de bijstand. Mensen voelen zich gevangen in een systeem.
Binnen de participatiesamenleving is dit probleem naar het lokale niveau gezet. Problemen als werkloosheid, gehandicaptenzorg, jeugdzorg en kwetsbare burgers liggen op lokaal niveau, maar de budgetten kwamen van het landelijk niveau. Toen deze verantwoordelijkheden werden overgeheveld, is er een efficiëntiekorting doorgevoerd, uiteraard een mooi woord voor een bezuiniging. Op dit moment liggen er bij gemeenten verantwoordelijkheden waarvan ik mij sterk afvraag of men die bevoegdheden wel had moeten overhevelen.
Gemeenten kunnen zeker iets betekenen voor de – zogezegde – onderkant van de samenleving. We hebben in Nederland enorm veel mensen in de bijstand die daar niet horen. Veel gehandicapten hebben recht op ondersteuning naar een baan, maar die banen zijn er onvoldoende en zo belanden ze in de bijstand. Die is daar niet voor gemaakt.
Je kunt als gemeente beleid maken op wie we belasten, wat we belasten en op welke niveaus, en welke sluiproutes we daarbij tolereren. Maar met onderzoek dat waarschuwde voor ‘bijzondere fiscale constructies’ – lees: trucjes – is nog niets gebeurd! Laat als gemeenteambtenaar je stem horen naar boven toe. Verandering ontstaat als genoeg mensen aankaarten dat iets niet werkt, maar dat is iets van de lange adem.
In de wetenschap hebben we het begrip wealth defense industry, wat erop neerkomt dat de 1% of zelfs 0,1% rijksten de volgende 10% tegen goede salarissen inhuren om hun vermogen te beschermen. Dat zie je op dit moment in Nederland gebeuren: we hebben belastinglobbyisten die fulltime bezig zijn om de politiek te beïnvloeden. De kwetsbaarder helft van de Nederlanders die maar 3-4% van het vermogen bezit, heeft die lobbyisten niet. Wie daar niets van afweet, denkt misschien: ah, een complottheorie. Maar wie naar de wetenschap kijkt en dit soort mechanismen kent, herkent ze als je naar het journaal kijkt.
Ja. Maar de rijken zijn geen homogene groep. Een deel van de ‘rijken’ met wie ik werk, willen wel degelijk naar een samenleving die cohesiever is: minder ik en meer wij. Maar ik ben bang dat dit de minderheid is. Door anderen wordt driftig gelobbyd om hun belastingdruk te verminderen, of ze zijn politiek passief en vinden dat eigenlijk prima. Toch is het hoopvol dat een kleine groep welgestelden probeert zijn vermogen te gebruiken voor belastingrechtvaardigheid en zegt: jullie mogen ons best meer belasten.
