Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

‘Gemeenten: laat asielzoekers vanaf dag één meedoen’ - Laura Faber over het Migratiepact en vroegtijdige participatie

Asielzoekers jarenlang laten wachten voordat zij serieus Nederlands leren, werken en een netwerk opbouwen? Dat werkt averechts, aldus Laura Faber, directeur van Bureau de werkvloer en medeoprichter van voorinburgeringsschool Iedereen aan Boord. Daarnaast is zij docent binnen de aankomende Leerroute Beleidsadviseur Asiel & Migratie bij PONT. De redactie van PONT | Zorg & Sociaal sprak met haar over de huidige ontwikkelingen op nationaal en Europees vlak en de meest prangende vraagstukken in de praktijk.

Redactie PONT | Zorg & Sociaal 23 September 2026

Interview

Interview

Juist na de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact vreest Faber dat een deel van de mensen nog langer in onzekerheid blijft, terwijl gemeenten volgens haar veel eerder kunnen investeren in participatie. “Als we willen dat mensen uiteindelijk zelfstandig deelnemen aan de samenleving, moeten we ze daar vanaf het begin de kans toe geven.”

Je bent niet alleen professioneel, maar ook persoonlijk betrokken bij het onderwerp asiel en migratie. Hoe beïnvloedt dat de manier waarop je naar beleid kijkt?

“Voor mij is dit inderdaad niet alleen een professioneel onderwerp. Ik heb een 'onofficiële' pleegzoon uit Eritrea en woon samen met twee mensen met een vluchtverleden. Ik heb zelf natuurlijk niet meegemaakt wat vluchtelingen allemaal tegenkomen: de bureaucratische obstakels, het leren van de taal en het vinden van werk. Maar ik zie wel van dichtbij wat dat met mensen doet. Daardoor ben ik ervan overtuigd geraakt dat beleid en uitvoering veel dichter bij elkaar moeten staan. We moeten ons steeds afvragen: voor wie doen we dit en werkt het daadwerkelijk? En betrekken we de mensen om wie het gaat daar voldoende bij?”

Hoe kijk je naar de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact en de impact hiervan op landelijk niveau?

“Sinds 12 juni 2026 gelden nieuwe Europese regels voor asielprocedures. Voor mensen die vóór die datum een aanvraag indienden, blijft de oude procedure gelden. Rond de invoering stonden volgens de IND ruim 54.000 van deze aanvragen open. Doordat capaciteit nodig is voor de uitvoering van de nieuwe procedures, kunnen de wachttijden voor deze groep verder oplopen. Mijn zorg is dat we mensen steeds meer als dossiers behandelen die door een systeem moeten worden geleid. De nadruk komt sterk te liggen op procedures, categorieën en het verdelen en verplaatsen van mensen. Terwijl je bij iedere maatregel zou moeten blijven kijken naar de mens achter zo’n procedure en naar wat iemand nodig heeft om verder te kunnen.

Wat betekenen die langere wachttijden in de praktijk?

“Sommige mensen hebben al jaren van onzekerheid achter de rug voordat ze überhaupt in Nederland aankomen en vervolgens zitten ze hier opnieuw te wachten. Als je geen toekomstperspectief hebt en nauwelijks iets kunt opbouwen, vraag ik me af wat dat op de lange termijn met mensen doet. Tegelijkertijd wordt van nieuwkomers verwacht dat zij zo snel mogelijk participeren. En dat schuurt met elkaar. Je kunt aan de ene kant zeggen dat mensen zo snel mogelijk moeten participeren, maar dan moet het systeem hen daar aan de andere kant wel de mogelijkheid voor geven. Als mensen lang wachten of steeds worden verplaatst, maak je het juist moeilijk om ergens werkelijk onderdeel van te worden.”

Daarnaast komen hoogopgeleide mensen nu vaak terecht in laaggeschoolde banen, waarin zij nauwelijks Nederlands spreken. Dan kun je zeggen dat iemand participeert omdat diegene werkt, maar je benut iemands potentieel niet en het werk helpt ook nauwelijks om de taal te leren. Je moet ook kijken wat er daarna gebeurt. Als iemand eerst jarenlang wacht, daarna een verblijfsstatus krijgt en vervolgens pas serieus begint met inburgering en het zoeken naar duurzaam werk, hebben we kostbare jaren verloren.”

Volgens Faber moeten opvang, taalverwerving en werk daarom veel sterker met elkaar worden verbonden. Anders dreigt een vicieuze cirkel waarin mensen wel werken, maar onvoldoende taalvaardigheid en een beperkt professioneel netwerk opbouwen. “Je moet vanaf het begin kijken naar wat iemand kan, wat iemand wil en wat iemand Nederland te bieden heeft. Wonen, werk en taal moeten geen afzonderlijke trajecten zijn. Juist door deze te combineren, kun je ervoor zorgen dat mensen uiteindelijk duurzaam op hun eigen niveau kunnen deelnemen.”

Wat kunnen gemeenten concreet doen om asielzoekers al tijdens hun procedure te laten participeren?

“Een van de belangrijkste dingen is voorkomen dat mensen voortdurend worden verplaatst. Als je tijdens je asielprocedure steeds naar een andere opvanglocatie verhuist, wordt het heel moeilijk om ergens een leven op te bouwen. Je raakt contacten kwijt, kunt moeilijk een opleiding volgen en het wordt ingewikkelder om een baan vast te houden’’. Daarnaast kunnen gemeenten volgens Faber veel eerder investeren in serieus taalonderwijs. “Waarom zou je wachten totdat iemand een status heeft? Je kunt ook zeggen: wij bieden nu al een serieus taaltraject aan. Bijvoorbeeld meerdere dagen per week, gericht op een concreet niveau en op het afleggen van examens.”

Heb je in de praktijk gezien dat zo'n vroege aanpak daadwerkelijk werkt?

“Ja. In Deventer hebben we gezien dat het met een groep mensen lukte om hun inburgeringsexamens al te halen voordat zij überhaupt een verblijfsstatus kregen. Toen zij hun status kregen, hoefden zij niet meer vanaf nul te beginnen en konden zij bijvoorbeeld hun baan behouden.” Dat heeft volgens Faber niet alleen voordelen voor de betrokkenen zelf. Ook gemeenten kunnen daarvan profiteren.

“Mensen die de taal spreken en duurzaam kunnen werken, zijn zelfredzamer. Dat kan uiteindelijk ook de druk op het sociaal domein verminderen. Bovendien heeft het effect op gezinnen: ouders die Nederlands spreken, kunnen bijvoorbeeld gemakkelijker contact onderhouden met de school van hun kinderen.”

Als de voordelen zo duidelijk zijn, wat houdt gemeenten dan tegen om hier veel eerder mee te beginnen?

“Gemeenten kunnen dit niet alleen. Een belangrijk deel van de opvang is in handen van het COA. Als gemeente heb je daardoor niet altijd invloed op bijvoorbeeld verhuizingen tijdens de asielprocedure. Terwijl juist continuïteit noodzakelijk is als je serieus wilt investeren in participatie.”

Daarom zijn afspraken tussen gemeenten en het COA volgens Faber essentieel. Ze wijst op een aanpak in Hengelo waarbij wordt geprobeerd een doorlopende lijn te creëren. “Het idee is dat mensen die in Hengelo aankomen gedurende hun procedure daar kunnen blijven. Als zij vervolgens een verblijfsstatus krijgen, worden zij aan Hengelo gekoppeld. Dan kun je veel eerder beginnen met het opbouwen van een bestaan.”

Juist die continuïteit maakt het volgens haar mogelijk om taalonderwijs, werk, sociale contacten en uiteindelijk inburgering met elkaar te verbinden. “Als gemeente moet je daarom proberen invloed te krijgen op wat er tijdens de opvangperiode gebeurt. Als iemand na maanden investeren alsnog naar de andere kant van Nederland wordt verplaatst, verlies je een groot deel van wat je samen hebt opgebouwd.”

Als je beleidsmakers en gemeenten één boodschap zou mogen meegeven, welke zou dat dan zijn?

“Begin niet pas met integratie nadat iemand een verblijfsstatus heeft gekregen. Als iemand uiteindelijk in Nederland blijft, wil je niet na jaren wachten pas beginnen met taal, werk en het opbouwen van een netwerk. Die eerste periode is juist ontzettend belangrijk.”

Volgens Faber vraagt dat uiteindelijk om een andere blik op de asielperiode: niet uitsluitend als een periode waarin iemand wacht op een beslissing, maar ook als een periode waarin iemand zich kan ontwikkelen, de taal kan leren en contacten kan opbouwen. “Laat mensen vanaf dag één de taal leren, werken waar dat mogelijk is en onderdeel worden van de samenleving. Als je wilt dat mensen later zelfstandig meedoen, moet je ze ook vroeg de mogelijkheid geven om daarmee te beginnen. Ik hoop heel erg dat mensen in de leerroute Beleidsadviseur Asiel & Migratie bij PONT gaan leren dat er veel meer ruimte is in de beleidswereld dan we denken. Ambtenaren hebben heel snel de neiging om te denken ‘’Ja, maar dit mag niet, dat mag niet’’.. Dat is vaak helemaal niet waar. Er is veel mogelijk; je moet het alleen goed uitzoeken en het goed beargumenteren. Daar hoop ik mensen heel erg toe uit te dagen. En verder zou ik er heel graag aan willen bijdragen dat beleidsmakers uit hun kantoren komen en gaan zien of het beleid dat zij bedacht hebben ook daadwerkelijk werkt’’.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.