Ruim de helft van de cliënten van opvanginstellingen neemt deel aan activiteiten op het terrein van participatie en werk. De opvanginstellingen kennen een breed scala aan activiteiten en dit aanbod is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Toch is ondanks alle inspanningen de feitelijke deelname van cliënten de laatste jaren niet toegenomen. Aan trajecten voor het behalen van een startkwalificatie (scholingstrajecten) en aan arbeidsgewenning- of arbeidstraining, specifiek gericht op het verkrijgen van betaald werk, nemen nog steeds weinig mensen deel, en is deelname tussen 2011 en 2013 zelfs licht teruggelopen. Er zijn ook positieve ontwikkelingen: de deelname aan vormen van vrijwillige dagbesteding is toegenomen.

Dit blijkt uit onderzoek dat het Verwey-Jonker Instituut, in opdracht van de Federatie Opvang, heeft uitgevoerd naar de wijze waarop instellingen voor vrouwenopvang, maatschappelijke opvang en begeleid en beschermd wonen in de afgelopen jaren aandacht schonken aan participatie en werk.
Verontrustend
Veel cliënten van opvangvoorzieningen beschikken niet over betaald werk. Ook op andere vormen van participatie (vrijwilligerswerk, volgen van een opleiding) scoren zij laag. Veel opvangcliënten hebben nooit een opleiding afgerond en laaggeletterdheid is verontrustend hoog. Dat nog steeds een omvangrijk deel van de cliënten langs de zijlijn staat, heeft vooral te maken met de complexe problemen van mensen, maar ook met een gebrek aan financiële middelen en menskracht bij de instellingen. Participatie wordt ook belemmerd doordat directe motiverende prikkels (reiskosten- en vrijwilligersvergoeding) door regelgeving te weinig kunnen worden ingezet. Ten slotte vormt het ontbreken van een reëel lange termijn perspectief een belangrijke obstakel: het vinden van passend werk of het kunnen volgen van een opleiding is moeilijk.
Kansen vergroten
Opvangorganisaties zijn hoopvol gestemd dat de concentratie van de verantwoordelijkheden én financiële middelen bij de gemeenten de kansen voor cliënten zal vergroten. Tegelijkertijd vrezen de opvanginstellingen dat de decentralisaties ook nieuwe hindernissen kunnen opwerpen. Het samenvoegen van budgetten en doelgroepen zal kunnen leiden tot een concurrentiestrijd waarin bepaalde opvanggroepen het afleggen tegen grotere en beter georganiseerde groepen cliënten.
Opvang en participatie verbinden
Instellingen zoeken met wisselend succes naar wegen om onder deze lastige omstandigheden opvang en participatie sterker te verbinden en cliënten (weer) onafhankelijk van zorg en opvang in de samenleving te laten functioneren. Vanuit het belang van de cliënten is meer inzet op het verwerven van startkwalificaties en arbeidstraining nodig. Dat vraagt om een sterk op participatie gerichte houding. Opvanginstellingen moeten hun cliënten eerder de vraag stellen: ‘Wat ga je doen?’. Het vereist verder andere manieren van werken binnen nieuwe coalities van opvangorganisaties, maatschappelijke organisaties, bedrijven, overheden én cliënten. Ook is het op de politieke agenda blijven zetten van structurele knelpunten, zoals de negatieve maatschappelijke beeldvorming over groepen cliënten, het ontbreken van perspectief op betaald werk en de ontwrichtende werking van schulden en armoede belangrijk.
