Zes lokale kinderombudsmannen waarschuwen dat circa 20.000 kinderen in de asielopvang vanaf 1 oktober 2026 mogelijk niet dezelfde toegang hebben tot preventieve publieke jeugdgezondheidszorg als alle andere kinderen in Nederland.

‘Deze kinderen verblijven in onze gemeenten en vallen daarmee binnen onze verantwoordelijkheid als lokale kinderombudsmannen om hun rechten en belangen te bewaken’, aldus de zes kinderombudsmannen. In een gezamenlijke brief aan de betrokken ministers vragen zij om duidelijkheid over wie in de tussenliggende periode verantwoordelijk is en hoe de continuïteit, kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg worden gegarandeerd.
Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) schreef in 2025 een aanbesteding uit voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg aan kinderen in de asielopvang. Die aanbesteding is gegund aan het samenwerkingsverband Arts en Zorg en Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Voor de kinderombudsmannen is onduidelijk hoe de jeugdgezondheidszorg tussen 1 oktober 2026 en 1 juni 2027 wordt georganiseerd en welke organisatie in die periode verantwoordelijk en aanspreekbaar is.
De kinderombudsmannen vinden het zorgelijk dat juist bij deze groep kinderen onzekerheid kan ontstaan over de toegang tot zorg. Kinderen in de asielopvang hebben vaak te maken met gezondheidsrisico’s, trauma, onzekerheid en frequente verhuizingen. Juist voor hen is continuïteit van jeugdgezondheidszorg van groot belang. Het VN-Kinderrechtenverdrag bepaalt dat kinderrechten gelden voor álle kinderen, ongeacht hun afkomst, achtergrond of verblijfsstatus. Daaronder vallen onder meer het recht op gezondheid, ontwikkeling, gelijke behandeling en passende bescherming. Ook wijzen de kinderombudsmannen op mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Preventieve jeugdgezondheidszorg speelt een belangrijke rol bij vaccinaties, vroegsignalering en het volgen van de gezondheid en ontwikkeling van kinderen. Discontinuïteit in deze zorg kan leiden tot lagere vaccinatiegraden, gemiste signalen van gezondheidsproblemen en een verhoogd risico op uitbraken van infectieziekten.
De verandering raakt ook de gemeenten waarin de kinderen verblijven. Gemeenten werken al jarenlang samen met de GGD bij de ondersteuning van kwetsbare kinderen en gezinnen, vroegsignalering en de verbinding tussen onderwijs, zorg en jeugdhulp. Het wegvallen van opgebouwde expertise, netwerken en samenwerkingsrelaties kan ertoe leiden dat juist kinderen die extra bescherming nodig hebben minder goed worden ondersteund. De GGD vervult daarnaast een belangrijke verbindende rol in lokaal beleid tussen preventie, publieke gezondheid, onderwijs en jeugdhulp. Als die rol voor kinderen in de asielopvang grotendeels wegvalt, dreigt volgens de kinderombudsmannen versnippering en wordt het voor gemeenten moeilijker om kinderen en gezinnen in opvanglocaties integraal te ondersteunen.
De kinderombudsmannen plaatsen ook vraagtekens bij het onderscheid dat wordt gemaakt tussen verschillende groepen kinderen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdgezondheidszorg voor kinderen die in hun gemeente wonen. Voor kinderen die in een asielzoekerscentrum verblijven, geldt een afzonderlijk stelsel waarbij het COA verantwoordelijk is voor het beschikbaar stellen van die zorg. Volgens de kinderombudsmannen vraagt dit verschil om een expliciete en objectieve rechtvaardiging.
De zes lokale kinderombudsmannen vragen zich af of voorafgaand aan de aanbesteding een kinderrechtentoets is uitgevoerd. Met zo’n toets worden de gevolgen van beleid en besluiten voor kinderen en hun rechten vooraf in kaart gebracht. Volgens de kinderombudsmannen is zo’n beoordeling bij een besluit dat gevolgen kan hebben voor circa 20.000 kinderen essentieel. Het ontbreken van zo’n toets vinden zij moeilijk te verenigen met de verplichting om het belang van het kind als eerste overweging mee te nemen in besluitvorming.
De kinderombudsmannen verzoeken de ministers daarom:
De kinderombudsmannen benadrukken dat de inrichting van een aanbesteding of de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden er nooit toe mag leiden dat kinderen feitelijk minder bescherming krijgen van hun recht op gezondheid, ontwikkeling en gelijke behandeling.
“Juist de kinderen die het meest afhankelijk zijn van bescherming door de overheid mogen niet de dupe worden van bestuurlijke, organisatorische of financiële keuzes.”
De gezamenlijke brief is ondertekend door Annemarie Tuzgöl-Broekhoven, Kinderombudsman Metropool Amsterdam; Wouter Struijk, Kinderombudsman Rotterdam-Rijnmond; Coby van der Kooi, Jeugdombudsman Den Haag; Alma van Bommel, Kinderombudsman Utrechts Ombudsloket; Yvette Nass, Kinderombudsman Nijmegen; en Anja Janssen, Jeugdombudsman Groningen.
