De Werkkamer, het landelijk overlegorgaan van VNG/gemeenten en de Stichting van de Arbeid (centrale werkgevers- en werknemersorganisaties), heeft vorige maand een aantal uitgangspunten opgesteld voor de loonwaardebepaling. SZW heeft deze week de nadere regels voor de loonwaardebepaling gepubliceerd.

In de Participatiewet wordt geregeld dat het instrument loonkostensubsidie door het college kan worden ingezet voor mensen van wie is vastgesteld dat zij met voltijds arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon (WML). Het gaat dus om mensen die een verminderde productiviteit per uur hebben.
De loonkostensubsidie bedraagt het verschil tussen de loonwaarde en het WML, is ten hoogste 70% van het wettelijk minimumloon en wordt vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten.
In de ministeriële regeling wordt de hoogte van de in artikel 10d, vierde lid, van de Participatiewet vermelde vergoeding voor werkgeverslasten vastgesteld. Verder worden in de ministeriële regeling nadere regels gesteld voor de vaststelling van de loonwaarde van de mensen die het betreft.
Staatscourant nr. 29290, 15 oktober 2014 (Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 oktober 2014 tot het stellen van nadere regels voor de loonwaardebepaling in het kader van de Participatiewet)
Staatsblad 349, 2014 (Besluit van 6 oktober 2014 tot het stellen van nadere regels ten aanzien van de verstrekking van loonkostensubsidie (Besluit loonkostensubsidie Participatiewet)
Werkkamer formuleert advies loonwaardebepaling (VNG-nieuwsbericht, 24 september 2014)
