Met de wijziging van Artikel 9 van de Participatiewet krijgt maatschappelijke participatie een bredere invulling. Maatschappelijke participatie bestaat uit onbetaalde activiteiten die bijdragen aan deelname aan het maatschappelijk leven.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen maatschappelijke participatie die is gericht op arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie die daar niet op is gericht. Het uitgangspunt is dat inwoners naar vermogen deelnemen aan de maatschappij.
Ondersteuning hoeft daarbij niet altijd te bestaan uit een formele voorziening. Ook een verwijzing naar een bestaand initiatief, een stimulerend gesprek of de zekerheid dat vrijwilligerswerk geen gevolgen heeft voor de uitkering kan iemand helpen om mee te doen.
Een veel gestelde vraag is of gemeenten alle belanghebbenden opnieuw moeten uitnodigen voor een gesprek. Het antwoord hangt af van het perspectief dat wordt gekozen.
Vanuit de bedoeling van de wet ligt het voor de hand om opnieuw te bekijken welke mogelijkheden iemand heeft om naar vermogen te participeren. Dat betekent bijvoorbeeld dat ook bij iemand met een volledige en duurzame ontheffing een gesprek waardevol kan zijn. Niet om de ontheffing ter discussie te stellen, maar om te onderzoeken of ondersteuning bij maatschappelijke participatie – bijvoorbeeld om eenzaamheid tegen te gaan – wenselijk is. Ook bij een tijdelijke ontheffing kan een gesprek helpen om te beoordelen of de huidige situatie nog passend is. Voor inwoners zonder ontheffing en zonder lopende voorziening biedt een gesprek de kans om samen te kijken welke vorm van maatschappelijke participatie aansluit bij hun mogelijkheden.
Voor inwoners met een lopende voorziening zijn extra gesprekken meestal niet nodig, omdat hierover al regelmatig contact plaatsvindt. Bij mensen met een opgelegde tegenprestatie ligt dat anders. Omdat de tegenprestatie vervalt, is het logisch om met hen in gesprek te gaan over welke vorm van maatschappelijke participatie het beste past.
Juridisch ligt dit anders. De wetswijziging verplicht gemeenten niet om alle belanghebbenden opnieuw te spreken. Gemeenten kunnen daarom zelf bepalen of zij vooral aansluiten bij de bedoeling van de wet of kiezen voor een meer beperkte, juridische benadering.
De hoofdregel is dat de wetswijziging op zichzelf geen nieuwe beschikking vereist. De gewijzigde verplichtingen uit artikel 9 gelden namelijk van rechtswege. Dat betekent dat gemeenten niet alle bestaande dossiers opnieuw hoeven te beschikken.
Een beschikking is wel nodig wanneer het college de algemene verplichtingen concretiseert. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een voorziening of ondersteuning wordt aangeboden of opgelegd, waaronder maatschappelijke participatie, of wanneer een belanghebbende wordt ontheven van de verplichtingen uit artikel 9. In die gevallen is sprake van een individueel besluit waartegen rechtsbescherming openstaat.
Voor bestaande uitkeringen verandert er in de basis weinig. Lopende beschikkingen en voorzieningen kunnen gewoon worden voortgezet.
Wel is het belangrijk om alert te zijn op tijdelijke ontheffingen. Deze zagen onder de oude wetgeving alleen op een deel van de verplichtingen uit artikel 9. Daardoor kan een belanghebbende nog steeds verplicht zijn om naar vermogen gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, bijvoorbeeld een voorziening gericht op maatschappelijke participatie.
Handhaving is daarbij alleen mogelijk wanneer een concrete voorziening is opgelegd én hierover een beschikking is genomen. Zonder een individueel besluit ontbreekt een voldoende concrete norm om op te kunnen handhaven.
