Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

Samenvatting Rijksbegroting 2015

Gisteren was het 200 jaar Prinsjesdag. Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander sprak voor de tweede keer de troonrede uit, waarin de regering haar voornemens voor het nieuwe jaar verwoord. Rond 15.00 uur bood de minister van Financiën om 15.00 uur het koffertje met de Miljoenennota en Rijksbegroting 2015 aan de Tweede Kamer aan. In deze samenvatting aandacht voor de speerpunten uit de Rijksbegroting op het gebied van jeugdhulp en het bredere sociaal domein.

K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 17 September 2014

Nieuws

Armoedebeleid
Nederland heeft een gedegen sociale zekerheid. De kans op armoede is hier ten opzichte van veel andere landen gering. Het kabinet wil deze verworvenheid behouden. Niemand mag buiten de boot vallen, zeker kinderen niet. Een effectief armoedebeleid is daarom noodzakelijk, zeker gezien de gevolgen van de crisis. In 2015 wordt dit beleid verder geïntensiveerd. Er blijft onverminderd veel aandacht voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. De gemeenten hebben een belangrijke rol in het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden. Het kabinet heeft hen gevraagd om bij de inzet van de extra middelen, die zij ontvangen om hun armoede- en schulden-beleid te intensiveren, met name aandacht te geven aan kinderen die onvoldoende kunnen meedoen en aan het versterken van een preventieve aanpak. In 2015 gaat het voor de gemeenten om € 90 miljoen extra. Naast meer middelen is het van belang om de effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening en het vakmanschap bij gemeenten te vergroten. In 2015 wordt begonnen met de evaluatie van de wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Daarnaast kunnen maatschappelijke organisaties een belangrijke aanvullende rol vervullen. Medio 2014 is een subsidieregeling ter stimulering van een effectieve armoede- en schuldenaanpak van kracht geworden. Net als in 2014 kunnen maatschappelijke organisaties in 2015 projecten indienen die bijdragen aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek. Verder stelt het kabinet extra geld beschikbaar voor de Sportimpuls en ontvangt een aantal organisaties, die zich specifiek richten op kinderen in armoede, subsidies. In totaal (inclusief het geld dat naar de gemeenten gaat) is daarmee € 100 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de aanpak van armoede en schulden. In 2015 wordt gestart met de uitvoering van het Europees Fonds voor Meest Behoeftigen, dat de sociale inclusie van ouderen met een laag besteedbaar inkomen stimuleert.


Doe-democratie
Het kabinet wil de doe-democratie in 2015 verder ondersteunen en bevorderen door:

  • Burgers in positie te brengen en overheden meer te laten aansluiten bij maatschappelijke initiatieven

  • Wegnemen van knelpunten voor maatschappelijke initiatieven, onder andere op het gebied van maatschappelijk aanbesteden, aansprakelijkheid, fiscaliteit en financiering

  • Uitvoering van de maatschappelijke versnellingsagenda doe-democratie, samen met partners uit de maatschappij en andere overheden.

  • Ondersteuning van gemeenteambtenaren en rijksambtenaren en bestuurders bij nieuwe vormen van samenwerking met maatschappelijke initiatieven, via leerkringen en experimenten

  • De uitbouw van een leernetwerk rondom nieuwe vormen van democratie en nieuwe rollen, houding en gedrag van bestuurders en raadsleden in relatie tot maatschappelijk initiatief

  • Ondersteunen van experimenten met vormen van consultatieve democratie (vormen als G1000).

Jeugdhulp
Gemeenten zijn vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De Jeugdwet moet een einde maken aan de sterk versnipperde hulpverlening aan ouders en kinderen. Met één wet en één financieringssysteem kunnen gemeenten de jeugdhulp beter organiseren. De Jeugdwet beoogt niet alleen een verschuiving van de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid (transitie), maar ook een inhoudelijke zorgvernieuwing (transformatie). Het resultaat is samenhangende ondersteuning en zorg voor kinderen en jongeren en hun opvoeders binnen hun eigen omgeving. In 2015 geven wij bijzondere aandacht aan de samenhang tussen jeugdhulp en (passend) onderwijs. Gemeenten en het onderwijs moeten elkaar nog beter leren kennen en weten wat zij voor het kind of de jongere, het gezin en voor elkaar kunnen betekenen. Om gemeenten en scholen bij het afstemmen van hun aanpak zo goed mogelijk te ondersteunen, hebben gemeenten en de onderwijssectoren samen met de Ministeries van VWS en OCW de werkagenda «Verbinding passend onderwijs en jeugdhulp» opgesteld die in de komende periode deze afstemming moet verbeteren.
Er mogen geen kinderen tussen wal en schip vallen. De continuïteit van de jeugdhulp moet in 2015 dan ook zijn gewaarborgd. Per 1 januari 2015 moet de toegang tot jeugdhulp en de crisisopvang zijn ingericht, moet de benodigde jeugdhulp beschikbaar zijn en moeten de interne werkprocessen van gemeenten op orde zijn. De Transitieautoriteit Jeugd helpt instellingen om oplossingen te ontwikkelen, om de wettelijk verankerde aanspraak op continuïteit van hulp in 2015 te verzekeren en noodzakelijke hulpvormen te blijven behouden. De transitieautoriteit begeleidt instellingen die moeite hebben zich aan gewijzigde financiële omstandigheden aan te passen. De autoriteit blijft deze activiteiten in 2015 voortzetten.
Het is onaanvaardbaar dat jaarlijks ruim 119.000 kinderen slachtoffer zijn van kindermishandeling. Met de Jeugdwet kunnen gemeenten de regie voeren over de aanpak van kindermishandeling op de hele keten, van preventie tot hulpverlening. Gemeenten stellen een regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling op, en zijn volop bezig met de inrichting van het Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (AMHK).
Het is van groot belang dat jeugdhulpprofessionals de ruimte krijgen om hun werk goed te doen. Dat draagt bij aan een verlaging van de ervaren regeldruk. In 2015 geldt een door het veld opgezet kwaliteitskader voor de hele jeugdhulp. Zo krijgen ouders en kinderen de zekerheid dat de hulp zoveel mogelijk door geregistreerde – dus goed opgeleide – professionals wordt uitgevoerd.
Per 2015 zal het budget voor jeugdhulp aan gemeenten op basis van historische maatstaven worden verstrekt via de integratie-uitkering sociaal domein in het Gemeentefonds. De beperkte korting van 3 procent in 2015 en de wettelijk vastgelegde overgangsrechten van bestaande zorgaanspraken maken een verantwoorde overgang mogelijk. Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen voor een geobjectiveerde verdeling van de middelen in latere jaren.


Kinderopvang
Het kabinet verlengt de werkloosheidstermijn in de kinderopvangtoeslag van drie naar zes maanden. Dit betekent dat ouders in de eerste zes maanden van werkloosheid nog recht hebben op kinderopvangtoeslag. Dit geeft hen de ruimte om zich in deze periode volledig te richten op het vinden van een nieuwe baan, en draagt tegelijkertijd bij aan de stabiliteit en werkgelegenheid in de sector. De maatregel geldt in 2015 en 2016.


Langdurige zorg
Het stelsel van langdurige zorg en ondersteuning moet beter aansluiten bij de ontwikkelingen en eisen van deze tijd. Zowel in de ouderenzorg, de geestelijke gezondheidszorg als in de gehandicaptenzorg zien we dat mensen langer meedoen, langer zelfstandig blijven en zelfredzaam zijn. Dat komt onder meer tot uitdrukking in woonvormen die passen bij de wensen en mogelijkheden van cliënten. De visie achter de hervorming van de langdurige zorg is dat mensen centraal staan en niet de systemen. We gaan uit van wat mensen wél kunnen. Kwaliteit van leven en welbevinden staan voorop. We bieden maatwerk, want geen twee mensen zijn hetzelfde en we moeten ongelijke situaties niet gelijk behandelen.
Met de hervorming vereenvoudigen we het systeem zodat het logischer wordt en duidelijker. Voorheen kregen mensen bijvoorbeeld zorg van de huisarts uit de Zorgverzekeringswet (Zvw), verpleging thuis uit de AWBZ en ondersteuning uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Vanaf 2015 krijgen zij zorg uit de Zvw en alle ondersteuning uit de Wmo. Dat is voor mensen die thuis wonen een loket minder. Zo wordt het mogelijk passende zorg en ondersteuning beter vorm te geven en creëren we meer ruimte voor lokaal maatwerk door professionals, mantelzorgers en vrijwilligers. Er ontstaan ook meer mogelijkheden voor hen om verbinding te leggen tussen het medische en het sociale domein. Daarom worden de taken van gemeenten en zorgverzekeraars uitgebreid.
De nieuwe Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie en regelt die ondersteuning, toegesneden op de persoonlijke situatie van mensen. De ondersteuning is erop gericht dat mensen die dat nodig hebben, met ondersteuning voor henzelf of voor hun mantelzorgers, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen.
Het is belangrijk dat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld op gelijke voet te participeren en deel te nemen aan het dagelijkse leven. Gemeenten krijgen daarom de opdracht de toegankelijkheid te verbeteren van voorzieningen, zodat mensen met een beperking kunnen meedoen in de samenleving.
De voorgenomen ratificatie en uitvoering van het VN-Verdrag voor mensen met een handicap, waarvoor de Staatssecretaris van VWS coördinerend bewindspersoon is, draagt ook in belangrijke mate bij aan het bevorderen van de participatie van mensen met een beperking. Na een lange voorbereidingstijd hopen we dat de invoering van het verdrag – conform het voornemen uit het regeerakkoord – in 2015 kan plaatsvinden. Waar de Wmo 2015 gaat over ondersteuning, richt de Zorgverzekeringswet zich op zorg met een medisch karakter. Met ingang van 1 januari 2015 worden verpleging en verzorging (lijfgebonden zorg) – voor mensen die dus nog thuis wonen – opgenomen in het basispakket. Door het recht op wijkverpleegkundige zorg op te nemen in de aangepaste Zvw kunnen wijkverpleegkundigen een belangrijke rol spelen in passende zorg en ondersteuning, die ons voor ogen staat
Wijkverpleegkundigen komen bij de mensen thuis, zijn makkelijk aanspreekbaar en kennen de weg binnen de gezondheidszorg, gemeenten en welzijnsorganisaties. Samen met de huisarts kunnen zij mensen helpen zo lang mogelijk thuis te wonen. Samenwerking tussen professionals in de eerste lijn, zoals wijkverpleegkundigen, huisartsen en verzorgenden is van groot belang om samenhangende zorg aan mensen te kunnen bieden. Dat krijgt bijvoorbeeld vorm in de sociale wijkteams. Zo komen het medisch en sociale domein bij elkaar. We willen toe naar een situatie waarin we mensen in de ogen kijken en vragen wat ze echt nodig hebben. Daarom is ook wettelijk vastgelegd dat zorgverzekeraars en gemeenten afspraken moeten maken over de inzet van de wijkverpleegkundige en de afstemming tussen zorg en maatschappelijke ondersteuning in de wijk.
Voor de meest kwetsbare ouderen en gehandicapten is er de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze wet die op 1 januari 2015 moet ingaan, garandeert voor iedereen die dat nodig heeft 24 uur per dag zorg of toezicht in een veilige leefomgeving. Soms is opname in een instelling de enige optie. De wet regelt dat de kwaliteit van instellingszorg is gewaarborgd. Mensen worden waardig behandeld en hebben zo veel mogelijk een thuisgevoel. Mensen mogen echter – als het verantwoord is en de kosten niet te hoog zijn – ook kiezen om zorg thuis te krijgen in de vorm van een pgb of in natura (volledig pakket thuis).
Ook wanneer intensieve zorg in een instelling nodig is, moeten naasten betrokken kunnen blijven bij de zorg voor hun partner, familie of vrienden. We zien hoe belangrijk mantelzorgers zijn voor het geluk van de mensen om hen heen. We beschouwen mantelzorgers en zorgprofessionals als partners; zij vullen elkaar aan. Zorgaanbieders zijn op grond van de Wlz verplicht om met iedere cliënt een bespreking over zorgverlening te voeren. De resultaten daarvan leggen zij vast in een zorgplan. Bij de zorgverlening staan de wensen, mogelijkheden en behoeften van de cliënt centraal. Het sociale netwerk van de cliënt wordt betrokken bij de bespreking van het zorgplan.
De Wlz zorgt ook voor een betere verdeling van verantwoordelijkheden. Er komt meer ruimte voor de professionals in de zorg door het duidelijke onderscheid tussen de indicatie en het zorgplan. Hierdoor wordt de te verlenen zorg minder bepaald door het indicatiebesluit en meer door een gesprek over de zorg die mensen nodig hebben. Het aantal indicatiebe-sluiten zal aanzienlijk afnemen. Dit heeft gevolgen voor het werk en de organisatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Hiervoor zijn middelen beschikbaar.
Het is begrijpelijk dat mensen bezorgd zijn over de veranderingen waar mee ze te maken krijgen. Om cliënten, gemeenten, zorgaanbieders en cliënten- en patiëntenorganisaties tijdig te informeren en voor te bereiden op de veranderingen en om zorgaanbieders te inspireren nieuwe ondersteuningsvormen te ontwikkelen, is een zorgvuldig implementatietraject ingericht. Om gemeenten en regio’s goed te begeleiden bij de voorbereiding en uitvoering van de verschillende decentralisaties in het sociale domein zijn voor de praktische vragen en hulp ondersteuningsteams ingesteld. Ook werken wij met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) samen in het TransitieBureau Wmo dat gemeenten, zorgaanbieders en cliëntenorganisaties helpt in de voorbereiding op de transitie.
Om de veranderingen in de komende periode zo veel mogelijk voorspelbaar en beheersbaar te laten verlopen, zijn met alle betrokken partijen landelijke werkafspraken gemaakt. Centraal hierbij staan onderwerpen als zorgvernieuwing, het continueren van de zorg, de (her)bestemming van zorgvastgoed, arbeidsmarkt en een adequate informatievoorziening.
Ook hebben wij het programma Aandacht voor iedereen in het leven geroepen om patiënten- en cliëntenorganisaties te ondersteunen in hun nieuwe rol. In het najaar van 2014 beginnen we met een landelijke publiekscampagne om iedereen te informeren over de veranderingen in de langdurige zorg. Ook kunnen mensen met vragen terecht bij de helpdesk www.hervorminglangdurigezorg.nl.
Gemeenten en zorgverzekeraars krijgen extra geld om zorg en ondersteuning dicht bij mensen te organiseren. Die extra middelen zijn vrijgemaakt om de overgang van taken vanuit de AWBZ naar gemeenten en zorgverzekeraars gemakkelijker te maken en meer zekerheid te bieden aan ouderen en gehandicapten die thuis willen blijven wonen.
Het kabinet wil daarnaast investeren in aanpassing van de bestaande woningvoorraad, nieuwe woonzorgconcepten en verbouw van verzorgings- en verpleeghuizen. De behoefte aan nieuwe combinaties van wonen en zorg zal immers toenemen door veranderingen in individuele voorkeuren. Met betrokken partijen zal er een agenda worden opgesteld om knelpunten in de regelgeving op te ruimen.
De hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning is een enorme opgave en een meerjarig proces. Bij de decentralisatie van verantwoordelijkheden naar de gemeenten trekken we nauw op met het Ministerie van BZK en het Ministerie van SZW. Met de overdracht van taken in 2015 en de vele activiteiten die komend jaar worden ondernomen om de hervorming van een zachte en zorgvuldige landing te voorzien, zijn we er natuurlijk nog niet. Zo willen en moeten we ook aandacht besteden aan speciale thema’s of problemen waar mensen nu en in de toekomst mee worden geconfronteerd. Denk bijvoorbeeld aan eenzaamheid. Een onderschat probleem, dat soms pijnlijk zichtbaar wordt wanneer iemand pas lange tijd na overlijden wordt gevonden in zijn woning. Wijkverpleegkundigen, sociale wijkteams en de gemeenten kunnen in hun contacten met mensen eenzaamheid en de dreiging van sociaal isolement zo vroeg mogelijk in beeld krijgen en in actie komen.
Door het stijgende aantal ouderen zal het aantal mensen met dementie toenemen. Het Deltaplan Dementie is een baanbrekend actieprogramma dat staat voor onderzoek en zorginnovatie om dementie beter te begrijpen, beter te behandelen en te voorkomen. Het verbetert de zorg en de kwaliteit van het leven voor de patiënt van vandaag en zoekt naar oplossingen voor de patiënt van morgen. In het Deltaplan Dementie werken patiëntenverenigingen, de wetenschap en het bedrijfsleven samen met de overheid. De hervorming van de langdurige zorg biedt meer mogelijkheden om mensen met dementie langer in hun vertrouwde omgeving te laten wonen. We starten in 2015 initiatieven om de kwaliteit van leven van mensen met dementie en hun omgeving te verbeteren. Zo wordt een regionale pilot gestart en wordt de werkgroep «Vanuit dementie bekeken» ingesteld. Deze krijgt de opdracht om vanuit het perspectief van mensen met dementie in kaart te brengen waar zij tegenaan lopen.
Er wordt hard gewerkt in de ouderenzorg en medewerkers zijn zeer gemotiveerd. Het verbeteren van de kwaliteit van de ouderenzorg gaat echter te langzaam. Dat blijkt onder meer uit een recent onderzoek van de IGZ. Langdurige zorg in een instelling wordt steeds meer complexe zorg omdat ouderen op hogere leeftijd en met zwaardere zorgvragen in een instelling komen. Minder complexe zorgvragen worden immers thuis of dichtbij huis opgevangen. Innovatie is essentieel om hierop in te spelen. Instellingen moeten daar de komende jaren mee aan de slag. Om zorgaanbieders te ondersteunen bij de verbetering van de kwaliteit stellen we voor de korte termijn vanaf 2015 extra geld beschikbaar. Voor de langere termijn stellen we samen met alle betrokken partijen in het najaar van 2014 een actieplan op.

Participatiewet
Met de invoering van de Participatiewet4 per 1 januari 2015 worden bestaande regelingen (WWB, Wsw en een deel van de Wajong) ondergebracht in één regeling (zie ook beleidsartikelen 2 en 4). In combinatie met de afspraak uit het sociaal akkoord om vanaf 2014 tot 2026 125.000 extra banen te scheppen voor mensen met een arbeidsbeperking, worden zo voor deze mensen meer kansen geschapen om te participeren op de arbeidsmarkt. Om deze afspraak te realiseren, ontwikkelt het kabinet samen met VNO-NCW en AWVN businesscases die laten zien hoe het economisch rendabel is om mensen uit deze doelgroep aan de slag te helpen. Het kabinet stimuleert verder dat bedrijven vacatures aanpassen aan het vermogen van mensen.
Als de vrijwillige banenafspraak tussen werkgevers en werknemers niet wordt gehaald, is afgesproken dat na overleg met sociale partners en gemeenten een wettelijk quotum kan worden ingevoerd. De banenafspraak en het wettelijk quotum zijn uitgewerkt in het Wetsvoorstel banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, dat op 2 juli 2014 bij de Tweede Kamer is ingediend.
De Participatiewet staat niet op zichzelf. In het sociaal domein vinden de komende jaren drie grote decentralisaties plaats op de terreinen van werk, jeugd en maatschappelijke ondersteuning. Om de samenhang tussen deze decentralisaties te benadrukken, werken de betrokken departementen (BZK, VWS, SZW en VenJ) al sinds de start van deze kabinetsperiode nauw samen. Onder coördinatie van de Minister van BZK zijn afspraken gemaakt over onder meer gezamenlijke monitoring, ontschotting van middelen en informatievoorziening. Ook in de communicatie naar gemeenten wordt eendrachtig opgetreden, onder meer door het organiseren van gezamenlijke bijeenkomsten waarop alle betrokken departementen de gemeenten voorlichten. De inspanningen zijn erop gericht om gemeenten in staat te stellen maatwerk te leveren voor burgers die dat nodig hebben. Het uitgangspunt bij hulp is dan ook één gezin, één plan, één regisseur. Gemeenten werken aan een nieuwe aanpak om op integrale wijze problemen te signaleren en aan te pakken, bijvoorbeeld door middel van sociale wijkteams.

Passend onderwijs
Sinds 1 augustus 2014 zijn de samenwerkingsverbanden passend onderwijs verantwoordelijk voor de extra ondersteuning aan leerlingen in het po en in het vo. Na het overgangsjaar 2014–2015 starten op 1 augustus 2015 de normbekostiging en de verevening. De samenwerkingsverbanden zijn dan budgettair verantwoordelijk voor deze extra ondersteuning. Als gevolg van de invoering van passend onderwijs kunnen de mbo-instellingen geen leerlinggebonden financiering meer aanvragen. De lgf-middelen zijn vanaf 2015 toegevoegd aan het gehandicaptenbudget van de mbo-instellingen (lumpsum) en worden verdeeld naar rato van de exploitatievergoeding op grond van de nieuwe bekostigingssystematiek. De verdeling van de lgf-middelen wordt meegenomen in de overgangsbekostiging die loopt van 2015 tot en met 2018.

Randvoorwaarden decentralisaties sociaal domein
Bij de overdracht van taken naar gemeenten is het van belang dat gemeenten de nieuwe taken goed (kunnen) uitvoeren. De randvoorwaarden voor gemeenten moeten goed zijn. Gemeenten moeten daarom bestuurlijk, financieel en organisatorisch in staat zijn om de drie wetten in het sociaal domein goed uit te kunnen voeren.

  • BZK en de andere betrokken ministeries ondersteunen samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de gemeenten bij de uitvoering van de gedecentraliseerde taken. Voorop staat dat mensen die het nodig hebben, kunnen blijven rekenen op zorg en ondersteuning door de overheid

  • Gemeenten die dat nodig hebben kunnen op hun beurt rekenen op de ondersteuning van het Rijk. Gemeenten die achterblijven, krijgen extra bestuurlijke ondersteuning. De in 2014 ingestelde onafhankelijke transitiecommissie sociaal domein heeft als opdracht te signaleren of gemeenten de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en financiële maatregelen hebben getroffen om in staat te zijn de decentralisaties in samenhang uit te voeren.

  • Voor de bekostiging van de gedecentraliseerde taken worden de middelen voor de uitvoering daarvan overgeheveld naar het Gemeentefonds en «ontschot» aan de gemeenten ter beschikking gesteld.

  • Om te kunnen zien of het nieuwe stelsel in het sociaal domein goed functioneert, hebben het Rijk en de gemeenten een gezamenlijke informatievoorziening voor het sociaal domein ontwikkeld. Gemeenten en het Rijk gebruiken daarbij dezelfde informatie.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.