Een Venezolaanse asielzoeker diende na de definitieve afwijzing van zijn eerste asielaanvraag een opvolgende aanvraag in. Zijn werkgever vroeg vervolgens bij het UWV een tewerkstellingsvergunning aan, maar die werd geweigerd omdat de nieuwe asielaanvraag nog geen zes maanden in behandeling was. De asielzoeker vond dat hij niet opnieuw aan deze wachttijd mocht worden onderworpen, omdat hij tijdens zijn eerdere asielprocedure al toegang tot de arbeidsmarkt had gehad.

De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Uit artikel 15 van de Opvangrichtlijn volgt volgens de rechtbank dat de eerdere toegang tot de arbeidsmarkt eindigt nadat negatief is beslist op het beroep tegen de eerste asielaanvraag. Bij een opvolgende asielaanvraag herleeft die toegang niet automatisch en mag daarom opnieuw een wachttijd gelden. De rechtbank zag ook geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Toch verklaart de rechtbank het beroep van de asielzoeker gegrond. Toen het UWV op 7 oktober 2024 op het bezwaar besliste, was de wachttijd van zes maanden inmiddels verstreken. Het UWV had daarom niet zonder meer aan de oorspronkelijke weigering kunnen vasthouden. De rechtbank vernietigt het besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Ook moet het UWV € 1.868 aan proceskosten vergoeden.