De rechtbank Den Haag boog zich over de vraag of de staatssecretaris een asielzoeker op grond van de Dublinverordening mocht overdragen aan Duitsland. De asielzoeker stelde dat zijn partner, van wie de asielaanvraag in Nederland werd behandeld, zwanger was van zijn kind. Volgens hem had de staatssecretaris onvoldoende onderzocht of sprake was van een biologische gezinsband en daarmee onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van een overdracht voor het ongeboren kind.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zijn besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid en gemotiveerd. Gelet op de consistente verklaringen van beide ouders en de overgelegde stukken kon niet zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het vaderschap onvoldoende aannemelijk was. Daarnaast benadrukte de rechtbank dat het belang van het kind een zwaarwegende rol speelt bij de beoordeling of gebruik moet worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.
De uitspraak onderstreept dat bij Dublinprocedures niet alleen de formele verantwoordelijkheidsverdeling tussen lidstaten centraal staat, maar ook zorgvuldig moet worden gekeken naar gezinsbanden en de belangen van (ongeboren) kinderen. Voor professionals binnen het sociaal domein, de migratieketen en de jeugdbescherming bevestigt deze uitspraak het belang van een zorgvuldig feitenonderzoek en een kenbare belangenafweging wanneer een overdracht gevolgen kan hebben voor het gezinsleven en de ontwikkeling van een kind.